GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.289.217/01 arrest van 4 mei 2021 gewezen in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), althans tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv in de zaak van Qander Consumer Finance B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. H.H. van Steijn te ’s-Hertogenbosch, tegen [curator] , ten deze handelende in de hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Impact Retail B.V., kantoorhoudende te [kantoorplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat: mr. F.F.J. Froger te Breda, op het bij exploot van dagvaarding van 22 januari 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 28 december 2020, door de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen tussen appellante – Qander – als gedaagde en geïntimeerde – de curator – als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/365072 / KG ZA 20-701) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met verzoek om behandeling als spoedappel en grieven; de afwijzing van het verzoek om behandeling als spoedappel; de memorie van eis tevens houdende incidentele vorderingen ex artikel 235 Rv en artikel 351 Rv met een productie van Qander; de antwoordmemorie in het incident van de curator; de memorie van antwoord in de hoofdzaak. Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 3. De beoordeling In het incident 3.1. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis in kort geding: de curator gemachtigd om mede namens Qander voor beide partijen gezamenlijk één bindend adviseur te laten benoemen door het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) conform artikel 13 van het “NAI Reglement voor het benoemen van een bindend adviseur in ad hoc procedure” teneinde deze adviseur te laten oordelen over de financiële afwikkeling tussen de curator/Impact Retail B.V. enerzijds en Qander/Primeline Services B.V. anderzijds zoals bedoeld in artikel 16.8 van de tussen Impact Retail B.V. en Primeline Services B.V. gesloten samenwerkingsovereenkomst; Qander veroordeeld om de helft van de kosten die gemoeid zijn met de hiervoor bedoelde bindend adviesprocedure voor haar rekening te nemen; Qander veroordeeld in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. 3.2. Qander kan zich niet verenigen met voornoemd vonnis en komt hiervan tijdig in hoger beroep. In het onderhavige incident vordert Qander primair schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Subsidiar vordert zij, voor het geval het hof de primaire incidentele vordering zal afwijzen, dat het hof aan de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis de voorwaarde verbindt dat door de curator ten gunste van Qander zekerheid wordt gesteld, door storting van een waarborgsom van € 100.000,-- onder Qander dan wel door het stellen van een bankgarantie, af te geven door een Nederlandse bank met een volledige bankvergunning van De Nederlandsche Bank onder de gebruikelijke condities, in elk geval voor het bedrag van € 100.000,--. De curator heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen in het incident. Ontvankelijkheid 3.3. Het meest verstrekkende verweer van de curator is dat Qander niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar incidentele vordering. De curator stelt dat, nu de bindend adviesprocedure aanhangig is, het niet aan het hof maar aan de bindend adviseur is om te oordelen over de vordering van de curator op Qander uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst en de verweren daartegen van Qander. 3.4. Het hof verwerpt dit verweer. Immers, het gaat hier niet om een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen tussen partijen maar om de vordering die de curator in kort geding aanhangig heeft gemaakt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Qander ontvankelijk is in haar incidentele vordering. Inhoudelijke beoordeling 3.5. Het hof stelt het volgende voorop. 3.6. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv, althans tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv, heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.