GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 19/00159 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 13 maart 2014, nummer SGR 12/11567 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(2)the real estates in [G] are still expected to give us a certain guarantee. (…)[H] , I feel very uncomfortable with the current situation, because it seems that THQ believes I want to do things that would harm the interest of [FF] . If there is a way to release a part of the 6.0 mio provision I would strongly support (…) this (…), however we need to have the realistic evidence to defend this way.” 2.10. Op 4 februari 2010 heeft [H] als volgt gereageerd: “As your understanding, most important thing for [FF] is to maximize profit such as releasing the provision as much as possible.1. (…)Try to convince [L] with minimum provision.(…)3. Please calculate financial impact roughly with pros/cons in case [A] is liquidated. As you know, bankruptcy is not good solution business stand point since we lose market in Spain.” 2.11. In een e-mail van [H] aan [K] , CFO van [zustervennootschap] , van 9 februari 2010 is onder meer het volgende vermeld: “Have you talked to [E] ?There is a possibility to go into black as [FF] consolidated this fiscal year.However, there are also some negative factors, so reserve back of [A] is getting more important.Please let me know the latest situation and pros/cons if [zustervennootschap] invests to [A] instead of [dochtervennootschap] .” 2.12. [K] antwoordt [H] diezelfde dag als volgt, met een cc aan [E] : “I did discuss [zustervennootschap] idea with [E] today ….our first reaction together is this may be best way to take back the € 6 million ….I am reviewing it with [L] [plaats 2] now, to see if they are ok …at some point [E] will also need to review it with [L] [plaats 1] …..but that should be ok, as they now have a much more secure receivable with [zustervennootschap] . (…)”. 2.13. In een e-mail van [M] ( [L] [plaats 1] ) aan [E] van 23 februari 2010 is onder meer het volgende vermeld: “In your mail a case is described in which [zustervennootschap] will acquire the shares in [A] for a consideration of EUR 1. After legal ownership of [A] is transferred to [zustervennootschap] , [A] is a 100% subsidiary of [zustervennootschap] . This would mean (…) that the risk profile of the receivable (trade debtors and outstanding loans) from [belanghebbende] / [dochtervennootschap] towards [A] will change drastically (in the positive way). (…)RELEASE OF THE PROVISIONIn our opinion, in order to agree to a release of the provision, we believe it necessary that:1) the (…) full transfer of the shares in [A] to [zustervennootschap] , will be finalized on or before the balance sheet date (31 March 2010). (…) and,2) given the poor financial situation of [A] (although we have not yet received any financial information re [A] this year we understand from you that the financial situation did not improve this year compared to last year) we also believe it is necessary that [zustervennootschap] (in the case of being the new shareholder of [A] ) will provide a written guarantee to [belanghebbende] / [dochtervennootschap] in which the management of [zustervennootschap] declares that it shall assume full liability for the payment of all liabilities, obligations and commitments of [A] towards [belanghebbende] / [dochtervennootschap] in the event of any shortage that [A] might have.” 2.14. In een e-mail van [H] aan [E] en [K] van 25 februari 2010 is onder meer het volgende vermeld: “ [E] and [K] ,(…) We agree to [L] [plaats 1] ’s conditions except issuing guarantee from THQ (I hope the guarantee from [zustervennootschap] is enough).” 2.15. In een brief van [zustervennootschap] aan [dochtervennootschap] van 12 april 2010 is onder meer het volgende vermeld: “The management of [ [zustervennootschap] ] hereby declares that it shall assume full liability for all liabilities, obligations and commitments of [ [A] ] and [G] towards [ [dochtervennootschap] ] arisen from legal transactions by [ [A] ] and [G]As at March 31, 2010 the following amounts owed by [ [A] ] and [G] to [ [dochtervennootschap] ] are identified and are part of this guarantee:[ [A] ]:Trade receivables € 4,642,329.95Loans € 4,905,905.70Interest (not yet invoiced) € 9,318.78 [G] Loans € 2,000,000.00Interest (not yet invoiced) € 87,927.73 This liability undertaking guarantees compliance by [ [zustervennootschap] ] with all the liabilities, obligations and commitments of [ [A] ] and [G] relating to [ [dochtervennootschap] ] in the event of any shortage of funds that [ [A] ] and [G] might face in relation to the agreed payment conditions. This undertaking shall be valid until the outstanding amounts mentioned before are fully recovered by [ [dochtervennootschap] ].” 2.16. In een (door de inspecteur overgelegd) verslag van een bedrijfsbezoek van de inspecteur aan belanghebbende op 15 juli 2010 is onder meer het volgende vermeld: “Met ingang van 2009 heeft [F-concern] inspanningen verricht om zich te gaan ‘positioneren’ op een nieuwe markt: agriculture. Hierbij moet gedacht worden aan boeren die grote percelen met oogst moeten bewerken en dus hiervoor machines met [F-concern] -positioning apparatuur aanschaffen. Deze markt begeeft zich dus met name buiten Nederland (Frankrijk, Italië, Spanje (…)). Vooralsnog is het positioneren door [belanghebbende] geen succes. (…) [ [zustervennootschap] ] gaat wellicht op korte termijn deze klus op zich nemen, een soort van doorstart vanaf het punt waar [belanghebbende] is gebleven, waarbij zij ook de Europese markt zullen gaan bedienen.” 2.17. In een (door de inspecteur overgelegd) verslag van een bedrijfsbezoek van de inspecteur aan belanghebbende op 15 oktober 2010 is onder meer het volgende vermeld: “[ [E] ] geeft een nadere toelichting over de samenwerking met (…) [A] . (…) De resultaten van [A] in de periode 2005 t/m 2007 waren steeds hoopgevend geweest. Dit in combinatie met de vermeende zekerheden heeft ertoe geleid dat [dochtervennootschap] pas in een relatief laat stadium verontrust is geraakt inzake de uitstaande vordering/lening bij [A] . In 2008 bereikte de slechte berichten bij de Spaanse distributeur [A] de oren van [dochtervennootschap] (…). Er is toen een aktieplan opgesteld. (…)[dochtervennootschap] vond de stekker eruit trekken geen optie gezien de investeringen in het distributiekanaal en het in [A] geïnvesteerde vermogen. De directe opbrengstwaarde van de vordering/lening (…) werd als laag ingecalculeerd. Bij voortzetting van de onderneming (going concern) van [A] zou in de nabije toekomst wellicht meer kunnen worden terugontvangen op de vordering/lening van [dochtervennootschap] .Hoe is het verder gegaan? [ [zustervennootschap] ] (…) heeft in maart 2010 (…) [A] overgenomen. [A] wordt momenteel door de [F-concern] VS gebruikt voor agriculturele activiteiten door te ontwikkelen en om deze in de Europese markt weg te zetten met tevens de functie van uitvalbasis voor Afrika (…). Voor deze alinea refereer ik aan een (…) news release (…) zoals ik dit van de website van [F Corporation] heb gehaald. Tevens kan ik [hof: [E] ] bevestigen dat tot op heden [A] nog steeds de distributie van positioning producten in Spanje verzorgd voor [dochtervennootschap] .” In het hiervoor bedoelde persbericht, gedateerd 27 mei 2010, is onder meer het volgende vermeld: “ [F] News Release 2010 [F] acquires [A] Award-winning European dealer of [F] (…) positioning products expands to distribute [F] precision agriculture throughout Europe, Middle East and Africa.(…)In addition to continuing to distribute [F] and [O] positioning products to the construction and survey markets in Spain and Portugal, [A] will become the headquarters for distribution and support for [F] precision agriculture products in Europe, the Middle East and Africa.Established in 1987, [A] “has a deep knowledge of the positioning industry, starting with lasers, machine control and precision land levelling systems,” said (…) [zustervennootschap] president and CEO. “This acquisition reinforces [A] as a premiere [F-concern] (…) distributor in Spain and Portugal, and now provides the opportunity for rapid growth of [F-concern] ’s position in precision agricultural markets all across Europe, the Middle East and Africa.” 2.18. In een e-mail van [E] aan de inspecteur van 27 januari 2011 is onder meer het volgende vermeld: “Wij zijn voornemens om op korte termijn de Vpb aangifte 09/10 te versturen. In verband met onze discussie over de waardering van [aan] [A] gerelateerde activa, wilde ik u opmerkzaam maken op het feit dat wij in deze aangifte hebben verondersteld dat de voorziening van € 6,000,000 per 31 maart 2009 verhoogd zou moeten worden tot € 9,500,000 per 31 maart 2010. Dit heeft als uiteindelijke consequentie voor de Vpb aangifte dat er als additionele last een bedrag ad € 3,500,000 is opgenomen, welk bedrag u niet terug zult vinden in de commerciële jaarrekening. Bij de bepaling van deze voorziening per 31 maart 2010 zijn wij van hetzelfde principe uitgegaan [dat] gehanteerd is voor de bepaling van de voorziening per 31 maart 2009.” 2.19. In de (commerciële) jaarrekening van [dochtervennootschap] over 2009/2010 is € 6.000.000 als opbrengst geboekt uit hoofde van de vrijval van de in 2008/2009 in aanmerking genomen afwaardering van de vorderingen van [dochtervennootschap] op [A] . 2.20. In de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2009/2010 van belanghebbende is bij de bepaling van de belastbare winst € 9.500.000 als storting van informeel kapitaal in aanmerking genomen. 2.21. Volgens een overzicht dat is opgenomen in een brief van de inspecteur aan belanghebbende van 16 maart 2011 zijn de resultaten van [A] in de jaren 2007/08 – 2010/11 als volgt (bedragen x € 1.000): sales cost of sales margin margin in % 2007/08 11.548 9.841 1.707 14,8 2008/09 3.478 3.049 429 12,3 2009/10 5.555 4.586 969 17,4 2010/11 4.683 3.864 819 17,5 2.22. In eerste aanleg heeft belanghebbende een verklaring overgelegd van [H] , gedagtekend [plaats 3] (Japan) september 2013, waarin onder meer het volgende is vermeld: “Based on 2009/2010 preliminary draft consolidated figures of [FF] , as prepared and disclosed in February 2010, [FF] became aware that it would likely become in a financial loss position for said book year. By the management of [FF] it was made clear that this would clearly be an undesired situation (…). I had been requested by [FF] to determine alternatives to ‘solve’ this matter. In order to do so, [ [K] ], [ [E] ] and I started communications in early February 2010 (…). The only reason for this discussion at that time was to avoid a 2009/2010 financial loss position of [FF] on a consolidated basis. After further discussion it appeared that the release of the previously applied EUR 6 million impairment on the loan receivable of [dochtervennootschap] on the (at that time) third party [A] Spain for the 2008/2009 book year, would turn the expected 2009/2010 consolidated loss position of [FF] very likely into a consolidated profit position. This option resulted in a closer look at the financial position of [A] and identifying the business options available for the [F] group with respect to [A] .It was found that a continuation of the current situation at that time would not resolve the issue, since the impairment would very likely remain in place or could even increase. The Dutch accountant of [dochtervennootschap] could not be convinced to (partly) release the impairment. After further communications it appeared that the only option to successfully release the impairment was to acquire the shares in [A] .(…)Given the remarks provided by the Dutch accountant, it appeared however that this transaction in itself would not solve the desired release of the impairment for [dochtervennootschap] . As such the Dutch accountant advised to have certain additional steps taken including a guarantee letter to [dochtervennootschap] that the guarantor would fully and unconditionally guarantee the [A] loan payable to [dochtervennootschap] . [FF] followed the advice and instructed to issue such guarantee letter on behalve of [zustervennootschap] , which Mr. [K] did accordingly. The guarantee letter was based on a template provided by the Dutch accountant.The mentioned communications were mainly done through telephone conversations and email messages. During these communications no other arguments or reasons were brought forward or addressed to support the contemplated transactions, which were therefore in my view exclusively done to ‘solve’ the potential undesired 2009/2010 consolidated loss position of [F] .” Tevens is een – overwegend gelijkluidende – verklaring overgelegd van [K] , eveneens gedagtekend ‘september 2013’. 2.23. Ter zitting van het gerechtshof Amsterdam heeft [E] onder meer het volgende verklaard: “Het [F] -concern had in het boekjaar 2008/2009 een significant verlies geleden. In januari of februari 2010 waren we erachter gekomen dat dat zou kunnen betekenen dat het [F] -concern voor het tweede jaar op rij een verlies dreigde te gaan lijden. En dat kon tot problemen bij het hoofdkantoor in Japan leiden vanwege aldaar gesloten bankcontracten. In die bankcontracten was namelijk overeengekomen dat het [F] -concern niet tweemaal achter elkaar negatieve cijfers zou schrijven. Toen is een discussie gevoerd met de CFO in Japan; hoe kon het verlies worden weggewerkt? Er zijn allerlei creatieve oplossingen bedacht. Toen viel de aandacht op een voorziening van [dochtervennootschap] op vorderingen op [A] ; een collega in de Verenigde Staten stelde voor om [zustervennootschap] [A] over te laten nemen, in de hoop dat dit ertoe zou leiden dat de voorziening zou vrijvallen. Maar dat leidde weer tot een hele discussie in Amerika. Toen kwam het verzoek bij mij terecht om deze kwestie op te pakken en de communicatie met de accountants van [L] ( [L] ) te [plaats 1] te verzorgen. Ik heb de hele casus aan [M] van [L] voorgelegd en gevraagd aan welke voorwaarden moest worden voldaan om de voorziening van zes miljoen euro te laten vrijvallen. Eén van de voorwaarden die [L] formuleerde was dat een garantie moest worden afgegeven door een kapitaalkrachtig bedrijf. [FF] wilde dat niet zelf doen; waarom weet ik niet. Toen heeft [zustervennootschap] de garantstelling verleend.” 2.24. Volgens het verweerschrift in eerste aanleg heeft de inspecteur de aangifte Vpb 2009/2010 als volgt gecorrigeerd: Aangegeven belastbare winst 2009/2010 -/- € 2.172.306 Bij: terugneming afwaarderingsverliezen € 9.500.000 - boekjaar 2008/2009 (belaste opwaardering) € 6.000.000 - deel van boekjaar 2009/2010 (geen afwaardering of belaste opwaardering) € 3.500.000 Vastgestelde belastbare winst 2009/2010 € 7.327.694 Af: Voorwaartse verliesverrekening van 2008/2009 € 1.911.111 Vastgesteld belastbaar bedrag 2009/2010 € 5.416.583 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. De Hoge Raad heeft, voor zover van belang, in het tweede verwijzingsarrest het volgende geoordeeld: “3.3. Het Hof had op grond van het verwijzingsarrest de opdracht opnieuw te onderzoeken “of het voordeel dat [dochtervennootschap] heeft ontleend aan de garantstelling door [zustervennootschap] geheel of ten dele zijn grond vindt in haar vennootschappelijke betrekkingen, daarbij rekening houdend met de zakelijke belangen van [zustervennootschap] onderscheidenlijk [dochtervennootschap] bij het financieel overeind houden van [A] ”. 3.4. Hoewel deze opdracht ook anders gelezen zou kunnen worden, heeft de Hoge Raad daarmee niet bedoeld af te wijken van bestendige rechtspraak over de informele kapitaalstorting. Volgens die rechtspraak is voor een informele kapitaalstorting in concernverhoudingen vereist dat de ene concernvennootschap, zoals in dit geval [dochtervennootschap] , een voordeel geniet dat zijn oorzaak uitsluitend vindt in de vennootschappelijke betrekkingen tussen haar en een andere concernvennootschap, zoals in dit geval [zustervennootschap] . Daarvoor moet worden onderzocht of deze laatste vennootschap (in dit geval [zustervennootschap] ) uitsluitend op grond van die vennootschappelijke betrekkingen aan de andere concernvennootschap (in dit geval [dochtervennootschap] ) een voordeel in geld of goederen doet toekomen, dat zij onder gelijke omstandigheden aan een van haar onafhankelijke vennootschap niet zou hebben verschaft. 3.5. Voor het onderhavige geval brengt dit mee dat moet worden nagegaan of niet enige garantstelling door [zustervennootschap] ter gelegenheid van de overname van de aandelen in [A] tot stand zou zijn gekomen in een - voor het overige gelijke - situatie waarin [dochtervennootschap] en [zustervennootschap] niet tot hetzelfde concern hadden behoord. Indien in die situatie in het geheel geen garantstelling tot stand was gekomen, ook niet voor een lager bedrag, vormt het gehele voordeel dat belanghebbende heeft genoten als gevolg van de garantstelling een informele kapitaalstorting. Indien zonder de vennootschappelijke betrekkingen tussen [zustervennootschap] en [dochtervennootschap] wel een garantstelling tot stand zou zijn gekomen maar tot een lager bedrag, vormt het uit die garantstelling voortvloeiende voordeel bij belanghebbende slechts ten dele een informele kapitaalstorting, namelijk voor zover dit voordeel dat lagere bedrag overtreft. 3.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, faalt het door de Staatssecretaris voorgestelde middel voor zover het is gericht tegen het hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordeel van het Hof. Met zijn hiervoor in 3.2.2 weergegeven weging is het Hof echter uitgegaan van een rechtsopvatting die afwijkt van hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen. In zoverre slagen de middelen. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De middelen voor het overige behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen. 3.7. Daarbij verdient het volgende opmerking. Indien de belastingplichtige van mening is dat een door hem genoten voordeel niet tot de winst behoort omdat het is aan te merken als informele kapitaalstorting, rust op hem de plicht de feiten en omstandigheden te stellen die een zodanige conclusie kunnen rechtvaardigen, en deze feiten en omstandigheden bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken (vgl. HR 15 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:BI5453, rechtsoverweging 3.3). Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, rust op belanghebbende daarom de last de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit volgt dat (
- a)zich bij [dochtervennootschap] een informele kapitaalstorting heeft voorgedaan, en (
- b)wat de omvang daarvan was. 3.8. Voorts verdient opmerking dat na verwijzing zo nodig zal moeten worden onderzocht in hoeverre goed koopmansgebruik niet toelaat dat de hiervoor in 3.1.3 vermelde afwaardering ten bedrage van € 3.500.000 in het onderhavige jaar ten laste van de winst van belanghebbende wordt gebracht, zoals de Inspecteur heeft gesteld. Het Hof is aan de behandeling van deze stelling niet toegekomen.” 3.2. Kort samengevat ziet het hof zich voor de beantwoording van de twee volgende vragen gesteld: I. Zou ter gelegenheid van de overname van de aandelen in [A] door [zustervennootschap] (enige) garantstelling door [zustervennootschap] jegens [dochtervennootschap] tot stand zijn gekomen als [dochtervennootschap] en [zustervennootschap] niet tot hetzelfde concern hadden behoord, waarbij overigens van dezelfde feiten en omstandigheden dient te worden uitgegaan? II. Staat goed koopmansgebruik toe dat belanghebbende in het boekjaar 2009/2010 een bedrag van € 3.500.000 ten laste van haar winst brengt wegens een verdere afwaardering van de door belanghebbende aan [A] verstrekte vorderingen? 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank Den Haag, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van een verlies voor het jaar 2009/2010 van € 2.172.306. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank Den Haag. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. In het tweede verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het gerechtshof Amsterdam de verwijzingsopdracht onjuist heeft opgevat. In het bijzonder oordeelt de Hoge Raad dat hij niet beoogd heeft af te wijken van bestendige rechtspraak over de informele kapitaalstorting, ingevolge welke rechtspraak voor een informele kapitaalstorting vereist is dat de ene concernvennootschap de andere concernvennootschap uitsluitend op grond van vennootschappelijke betrekkingen een voordeel doet toekomen. 4.2. Het is het hof niet geheel duidelijk op welke gronden de Hoge Raad tot het oordeel is gekomen dat het gerechtshof Amsterdam de verwijzingsopdracht onjuist heeft opgevat. Het hof vermoedt dat het gerechtshof Amsterdam, daartoe uitgenodigd door de Hoge Raad, ten onrechte getoetst heeft voor welk deel aan de garantstelling vennootschappelijke motieven ten grondslag hebben gelegen, en derhalve de motieven aan een weging heeft onderworpen. Naar het hof de Hoge Raad begrijpt, verdraagt een dergelijke toets zich niet met het in de jurisprudentie ontwikkelde leerstuk van de informele kapitaalstorting, omdat ingevolge die leer slechts sprake kan zijn van een informele kapitaalstorting indien het motief voor het verstrekken van een voordeel binnen concernverhoudingen uitsluitend zijn oorzaak vindt in vennootschappelijke betrekkingen. 4.3. Bij het hof bestaat enige twijfel ten aanzien van de strekking van de verwijzingsopdracht. Het hof stelt vast dat de Hoge Raad de alles-of-niets-benadering die de inspecteur en de staatssecretaris in aanloop naar het tweede verwijzingsarrest hebben ingenomen heeft verworpen, namelijk dat van informeel kapitaal alleen dan sprake kan zijn indien het voordeel volledig en uitsluitend zijn grond vindt in de vennootschappelijke betrekkingen. Het hof begrijpt de verwijzingsopdracht aldus dat onderzocht dient te worden tot welk bedrag een zakelijk handelende derde een garantstelling zou hebben verleend. Binnen deze benadering is het mogelijk dat de garantstelling ten dele als informeel kapitaal wordt aangemerkt, namelijk indien die zakelijk handelende derde bereid zou zijn om zich slechts tot een bepaald maximumbedrag garant te stellen. Vraag I 4.4. Met betrekking tot de beantwoording van de eerste vraag heeft de Hoge Raad in het tweede verwijzingsarrest expliciet geoordeeld dat in het geval belanghebbende van mening is dat een door hem genoten voordeel niet tot de winst behoort, omdat het is aan te merken als informele kapitaalstorting, op belanghebbende de plicht rust om feiten en omstandigheden te stellen die een zodanige conclusie kunnen rechtvaardigen, en deze feiten en omstandigheden bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken. 4.5. In diverse stukken heeft de inspecteur gemotiveerd betwist dat sprake is van een informele kapitaalstorting. Belanghebbende dient aannemelijk te maken dát een informele kapitaalstorting heeft plaatsgevonden en tevens wat de omvang daarvan was. 4.6. Wat betreft de bewijsopdracht dát sprake is van een informele kapitaalstorting heeft belanghebbende aangevoerd dat een zakelijk handelende derde, indien deze in de plaats wordt gedacht van [zustervennootschap] - en die zich overigens in een vergelijkbare situatie bevindt als [zustervennootschap] - een garantstelling niet zou overwegen, omdat door de overname van [A] door die zakelijk handelende derde de redenen voor [dochtervennootschap] om haar vorderingen op [A] op te eisen voor een groot deel zullen wegvallen en voor het overige voor [dochtervennootschap] onvoldoende aanleiding is om de opeising van de vorderingen door te zetten, gegeven haar afhankelijke positie tegenover die zakelijk handelende derde, die immers de producent en leverancier is van de producten die [dochtervennootschap] levert aan onder andere [A] . Wat betreft de omvang van de informele kapitaalstorting heeft belanghebbende aangevoerd dat zij het zeer onwaarschijnlijk acht dat enige garantstelling tot stand zou zijn gekomen in een situatie dat [dochtervennootschap] en [zustervennootschap] niet tot hetzelfde concern hadden behoord. Een hogere garantstelling dan € 1.000.000 acht belanghebbende niet aannemelijk, zodat de informele kapitaalstorting minimaal € 8.500.000 beloopt (€ 9.500.000 minus € 1.000.000). 4.7. De inspecteur is van mening dat belanghebbende in het geheel niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan. Volgens de inspecteur schetst belanghebbende een veel te somber beeld met betrekking tot de financiële situatie van [A] per ultimo van het boekjaar 2009/2010 en worden met name de verwachtingen ten aanzien van de in [A] in te brengen activiteiten van de agrarische positioning divisie bewust buiten beeld gelaten. De inspecteur beschouwt de garantstelling door [zustervennootschap] als volstrekt zakelijk. 4.8. Alvorens de vraag te beantwoorden of sprake is van een informele kapitaalstorting en, zo ja, tot welk bedrag, wenst het hof eerst aandacht te besteden aan de omvang van het geschil. Tussen partijen is blijkens de gewisselde stukken nog steeds in geschil of er belang moet worden gehecht aan het feit om welke, al dan niet zakelijke, reden(
- en)[zustervennootschap] de aandelen in [A] heeft verworven. Ook is nog steeds in geschil of de omstandigheid van belang is dat enige tijd is verstreken is tussen verkrijging van de aandelen [A] door [zustervennootschap] op 31 maart 2010 en de door [zustervennootschap] aan [dochtervennootschap] verstrekte garantie op 12 april 2010, en als dat het geval is, of, en zo ja in hoeverre, er sprake is van samenhang tussen de beide transacties. Deze geschilpunten spelen met name een rol in de discussie met betrekking tot de vraag in hoeverre het motief met betrekking tot het ‘schrijven van zwarte cijfers’ van belang is voor de aanwezigheid van een informele kapitaalstorting. Naar het oordeel van het hof kan aan deze tussen partijen levende geschilpunten wat betreft de beantwoording van vraag I voorbij worden gegaan. In rechtsoverweging 3.5 van het tweede verwijzingsarrest geeft de Hoge Raad het hof de opdracht na te gaan of ter gelegenheid van de overname van de aandelen in [A] door [zustervennootschap] een garantstelling tot stand zou zijn gekomen indien [dochtervennootschap] en [zustervennootschap] niet tot hetzelfde concern hadden behoord. Het hof zal dan ook abstraheren van het (mogelijke) antwoord op de vraag of de aandelenverwerving en de garantstelling zouden kunnen leiden tot het uiteindelijk ‘schrijven van zwarte cijfers’ door het concern. Immers, zelfs als het ‘schrijven van zwarte cijfers’ het motief of een motief zou zijn geweest om over te gaan tot de garantstelling, dan nog impliceert dat niet dat de garantstelling niet zakelijk zou zijn en dient de (mate van) zakelijkheid van de garantstelling onderzocht te worden. 4.9. In aanvulling op het door belanghebbende aangevoerde onder 4.6 stelt belanghebbende dat het concern, en daarmee [zustervennootschap] , behoudens het ‘schrijven van zwarte cijfers motief’, geen enkel zakelijk motief had om aan [dochtervennootschap] een garantie te verstrekken en dat uit die omstandigheid volgt dat de garantstelling slechts kan zijn ingegeven door aandeelhoudersmotieven. Dat [dochtervennootschap] haar leveringen aan [A] zou staken of haar vorderingen op [A] zou opeisen, waardoor de afzet van [zustervennootschap] op de Spaanse markt gevaar zou lopen zoals betoogd door de inspecteur, acht belanghebbende niet realistisch. Volgens belanghebbende werd de dreiging dat [A] niet zou voldoen aan haar verplichtingen jegens [dochtervennootschap] reeds afgewend door de verwerving van de aandelen [A] door [zustervennootschap] , omdat [A] door die verwerving een kapitaalkrachtige aandeelhouder had gekregen die een belang heeft bij het behoud van [A] en door middel van [A] toegang heeft tot de voor haar belangrijke Spaanse markt. Belanghebbende ziet niet in dat [zustervennootschap] daarnaast, in ongelieerde verhoudingen, nog een garantstelling zou verstrekken aan [dochtervennootschap] . Zou [dochtervennootschap] , niettegenstaande het hiervoor vermelde, toch haar leveringen aan [A] staken of haar vorderingen op [A] opeisen, dan zou [zustervennootschap] kunnen overwegen om rechtstreeks aan de Spaanse markt te leveren, zonder tussenkomst van [dochtervennootschap] . [zustervennootschap] zou datzelfde kunnen doen op andere markten en zodoende [dochtervennootschap] uit de markt kunnen drukken, aldus nog steeds belanghebbende. Het is volgens belanghebbende niet denkbaar dat de sterke partij, [zustervennootschap] , in zakelijke verhoudingen een garantstelling zou verstrekken aan de afhankelijke partij, [dochtervennootschap] . 4.10. Zoals ook betoogd door de inspecteur is het hof van oordeel dat het enkele feit dat [A] met [zustervennootschap] een kapitaalkrachtige aandeelhouder had gekregen nog niet betekent dat [dochtervennootschap] , ervan uitgaande dat sprake is van ongelieerde verhoudingen, geen invorderingsacties, waaronder te begrijpen het aanvragen van een faillissement, jegens [A] (meer) zou ondernemen. In ongelieerde verhoudingen mag worden aangenomen dat [dochtervennootschap] bij het oplopen van schuldposities en het toenemen van het risico op wanbetaling zal verkennen welke (steeds zwaardere) middelen zullen worden ingezet om betalingen van leveringen en aflossing van de schulden te waarborgen. 4.11. In relatie tot het onder 4.10 vermelde, acht het hof het volgende van belang. Op 4 oktober 2005 hebben [dochtervennootschap] en [A] een zogenoemde ‘Exclusive Distibutorship Agreement’ (hierna ook: de overeenkomst) gesloten. Ingevolge deze overeenkomst heeft [dochtervennootschap] aan [A] het exclusieve distributierecht verleend om onder bepaalde voorwaarden [F] -producten te verkopen op de Spaanse en Portugese markt. Zo zijn er bijvoorbeeld voorwaarden gesteld met betrekking tot de minimale productie-afname door [A] (the Minimum Purchase Quantity). Voorts is vastgelegd onder welke omstandigheden [dochtervennootschap] de overeenkomst met [A] kan beëindigen. Met betrekking tot de beëindiging van de overeenkomst is in artikel 14 van de overeenkomst, voor zover hier van belang, het volgende bepaald: “14.3 Either Party may terminate this Agreement with immediate effect by giving written notice to the other Party upon the occurrence of any of the following events:
- a)if the other Party applies or creditors of that other Party apply for an adjudication in bankruptcy or a suspension of payments with respect to that other Party or any similar insolvency proceedings listed in Annex A to the European Community Council regulation in Insolvency Proceedings dated May 24, 200 (EC No. 1346/2000);
- b)the Distributor undergoes a substantial change in management which is active for the Products in the Territory;
- c)if the other Party is declared bankrupt or granted a (preliminary) suspension of payments;
- d)if any event analogous to the events in paragraphs (
- a)and (
- b)above occurs with respect to the other Party under the laws of the jurisdiction in which the other Party has its registered office;
- e)if the other Party dishonours a bill of exchange accepted or a promissory note drawn by it, if payment has not been made in a subsequent period of five