GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.254.755/01 arrest van 8 juni 2021 in de zaak van 1 [appellant],wonende te [woonplaats], 2. [appellante],wonende te [woonplaats], appellanten, in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in reconventie, hierna aan te duiden als “[appellanten].” (mannelijk enkelvoud), advocaat: mr. W.P.G. Verstappen te Eindhoven, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna aan te duiden als “[geïntimeerde]”, advocaat: mr. C.S.B.E. Reinders te Voerendaal, als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 2 april 2019, 8 december 2020 en 9 maart 2021 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/04/127034/HA-ZA 13-359 gewezen vonnissen van 21 mei 2014, 18 februari 2015, 20 mei 2015, 12 april 2017 en 18 juli 2018. 11Het verloop van de procedure 11.1. Bij tussenarrest van 8 december 2020 heeft het hof een deskundigenverhoor gelast. Onder rechtsoverwegingen 6.44. en 6.45. van genoemd tussenarrest heeft het hof het volgende overwogen: “6.44. Gezien de berekeningen in bijlage 3 bij het (aanvullende) deskundigenbericht, de kritiek daarop van [appellanten] en het rapport van [bouwtechnisch adviesbureau] van 16 augustus 2019 ziet het hof aanleiding om op de voet van artikel 194 lid 1 Rv een verhoor te bevelen van: - de door de rechtbank benoemde deskundige, [deskundige 3]; - [deskundige 4], die het deskundigenbericht van 7 juni 2016 en het aanvullende deskundigenbericht van 5 maart 2018 heeft opgesteld en die ingevolge het rapport van 7 juni 2016 bij de locatie opname op 22 juli 2015 aanwezig is geweest; - [deskundige 5], die ingevolge het aanvullende deskundigenbericht van 5 maart 2018 als contactpersoon optreedt vanaf 1 februari 2018, allen (destijds) verbonden aan [ingenieursbureau] te [vestigingsplaats], teneinde hen in de gelegenheid te stellen in te gaan op de hiervoor genoemde uitkomst van de berekening van [bouwtechnisch adviesbureau] die niet strookt met de berekening van de deskundige. 6.45. Bij dit alles dient voorop te worden gesteld dat gelet op artikel 5:74 BW de uitoefening van de erfdienstbaarheid moet geschieden op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze, dat wil zeggen dat de eigenaar van het heersende erf die van het dienende erf niet meer overlast mag aandoen dan redelijkerwijs voor een behoorlijke uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid noodzakelijk kan worden geacht (HR 22 februari 1952, NJ 1952, 151). In die context is de kernvraag in dit geschil of het voor een behoorlijke met het uitgangspunt van artikel 5:74 BW strokende uitoefening door [appellanten] van de erfdienstbaarheid - te weten de in het achterliggende weiland door [appellanten] uit te voeren werkzaamheden - in overeenstemming is te achten dat gebruik gemaakt wordt van voertuigen met een aslast van 9,9 ton, of dat dit redelijkerwijs ook op afdoende wijze zou kunnen met minder zware voertuigen met een aslast van maximaal 2,5 ton. In dat verband zal het hof de deskundige bovendien hierover vragen willen stellen, alsmede over de risico’s op (verdere) beschadiging van de constructie en stabiliteit van (de linkerzijgevel van) de woning van [geïntimeerde] als er in de huidige situatie met voertuigen (de (volle) mesttankwagen, de zodenbemester en de tractor met hooipers) met een aslast van 9,9 ton over de weg langs en het achterterrein van de woning van [geïntimeerde] wordt gereden en, als deze risico’s zich zouden verwezenlijken, tot welke gevolgen dit zou (kunnen) leiden. Vanzelfsprekend zullen vervolgens eventuele (verdere) vragen van het hof en van partijen ter tafel kunnen komen.” 11.2. Na opgave van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de deskundigen heeft het hof de datum en het tijdstip van het deskundigenverhoor bepaald op 20 mei 2021 te 13.30 uur. Het hof heeft partijen en de deskundigen hiervan bij brief van 2 februari 2021 in kennis gesteld en heeft hen daarin opgeroepen om naar deze zitting te komen. 11.3. Bij tussenarrest van 9 maart 2021 heeft het hof op basis van de door de deskundigen ingediende begroting (verwachte aantal te besteden uren, uurtarieven en overige kosten) en het faxbericht van 28 januari 2021 aan het hof, waarin [appellanten] enkele bezwaren tegen deze begroting kenbaar heeft gemaakt, het voorschot op de kosten van de deskundigen bepaald op een bedrag van in totaal € 5.431,45 (inclusief 21% BTW). In dat tussenarrest heeft het hof bepaald dat [geïntimeerde] wordt belast met het genoemde voorschot en dat het voorschot van [geïntimeerde], nu aan hem een toevoeging is verleend, voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt. In dat tussenarrest heeft het hof verstaan dat het deskundigenverhoor is bepaald op 20 mei 2021 te 13.30 uur. Het hof heeft in afwachting daarvan iedere verdere beslissing aangehouden. 11.4. Op de genoemde datum en uur zijn de voor het verhoor opgeroepen deskundigen niet ter zitting verschenen, waardoor het deskundigenverhoor geen doorgang heeft kunnen vinden. Partijen en hun advocaten zijn wel verschenen. Vanwege de afwezigheid van de opgeroepen deskundigen heeft de raadsheer-commissaris een comparitie van partijen gelast ter zitting van 20 mei 2021 te 13.30 uur teneinde feitelijke informatie over de zaak bij partijen in te winnen. De raadsheer-commissaris heeft de zaak daarna verwezen naar de rol van 27 juli 2021 (of zoveel eerder als mogelijk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.