GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.291.422/01 arrest van 15 juni 2021 gewezen in het incident ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de zaak van 1 [appellant ] , 2. [appellante ] , beiden wonende te [woonplaats] , appellanten in de hoofdzaak, eisers in het incident, hierna aan te duiden als [appellant ] respectievelijk [appellante ] , tezamen hierna aan te duiden als [appellanten] , advocaat: mr. J. Todorov te ’s-Gravenzande, tegen Intrum Nederland B.V., rechtsopvolger onder bijzondere titel van Opel Finance N.V., voorheen handelend onder de naam General Motors Acceptance Corporation Nederland N.V. (hierna aan te duiden als GMAC), statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna aan te duiden als Intrum, advocaat: mr. R. Dijkema te Hilversum, op het bij exploot van dagvaarding van 22 februari 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis in verzet van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 januari 2021, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden in de verstekzaak, opposanten in het verzet en Intrum als eiseres in de verstekzaak, geopposeerde in het verzet. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8592564 CV EXPL 20-2145) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 5 augustus 2020. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep tevens incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis (artikel 351 Rv) met producties; de antwoordmemorie in het incident met producties van Intrum; de memorie van grieven met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. GMAC heeft bij dagvaarding van 24 maart 2010 [appellanten] in rechte betrokken en gevorderd om [appellanten] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan GMAC van € 31.047,13, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 12,85% per jaar, althans de wettelijke rente over een bedrag van € 30.840,83 vanaf 17 maart 2010 tot aan de dag van algehele voldoening, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding. 3.2. Tegen [appellanten] is verstek verleend. Bij verstekvonnis van 7 juli 2010 heeft de kantonrechter de vordering van GMAC toegewezen, omdat deze vordering de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, en zijn [appellanten] veroordeeld in de kosten. De kantonrechter heeft dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.3. GMAC heeft de vordering op [appellanten] (kennelijk) daarna gecedeerd aan Intrum. 3.4. [appellanten] hebben op 25 mei 2020 een verzetdagvaarding aan Intrum laten uitbrengen. [appellanten] vorderen in de verzetprocedure - kort gezegd - van de bij het verstekvonnis van 7 juli 2010 uitgesproken veroordeling te worden ontheven en de tegen hen ingestelde vordering alsnog af te wijzen, met veroordeling van Intrum in de proceskosten. 3.5. Bij vonnis van 6 januari 2021 heeft de kantonrechter [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzet tegen het verstekvonnis omdat [appellanten] het verzet naar het oordeel van de kantonrechter te laat hebben ingesteld en zijn [appellanten] veroordeeld in de proceskosten. 3.6. [appellanten] zijn van het vonnis in verzet van 6 januari 2021 tijdig in hoger beroep gekomen. Bij dagvaarding in hoger beroep hebben [appellanten] een incidentele vordering ex artikel 351 Rv ingesteld. [appellanten] vorderen in het incident de uitvoerbaarheid bij voorraad van het verstekvonnis van 7 juli 2010 op te heffen althans de tenuitvoerlegging van dat vonnis te schorsen voor de duur van de hoger beroepsprocedure, met veroordeling van Intrum in de kosten van dit incident, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 3.6.1. Aan deze incidentele vordering hebben [appellanten] , samengevat, ten grondslag gelegd dat Intrum misbruik maakt van haar bevoegdheid door het vonnis van 7 juli 2010 te executeren, omdat dat vonnis volgens [appellanten] berust op een feitelijke en juridische misslag. Volgens [appellanten] is de kantonrechter er in dat vonnis ten onrechte van uitgegaan dat [appellanten] een overeenkomst van huurkoop zouden hebben gesloten met GMAC. Voorts hebben [appellanten] ter onderbouwing van hun incidentele vordering aangevoerd dat tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 juli 2010 een noodtoestand voor hen zal doen ontstaan en een onomkeerbare situatie met zich mee zal brengen, althans dat bij afweging van de belangen hun belang bij behoud van de bestaande situatie zwaarder weegt dan het belang van Intrum bij de executie van het verstekvonnis. 3.7. Intrum heeft de incidentele vordering van [appellanten] gemotiveerd bestreden en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellanten] , althans tot afwijzing van hun incidentele vordering, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.8. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.