GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.291.741/01 arrest van 22 juni 2021 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda, tegen Stichting WonenBreburg, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna te noemen: WonenBreburg, advocaat: mr. D.A.C. Janssen te Boxtel, op het bij exploot van dagvaarding van 16 maart 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 24 februari 2021, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – WonenBreburg – als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8075546 CV EXPL 19-4556) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep tevens incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv met producties; de antwoordmemorie in het incident; de memorie van grieven. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. Partijen hebben een schriftelijke huurovereenkomst getekend en op grond daarvan woont [appellant] sinds 12 juli 2018 in een huurwoning van WonenBreburg aan de [adres] te [plaats] ,. 3.2. WonenBreburg heeft in eerste aanleg – voor zover hier van belang – gevorderd de bestaande huurovereenkomst te vernietigen vanwege dwaling en/of bedrog en/of misbruik van omstandigheden en ontruiming gevorderd binnen acht dagen na betekening van het vonnis. 3.3. De kantonrechter heeft – voor zover hier van belang – de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaats] vernietigd wegens dwaling en [appellant] veroordeeld om deze woning te ontruimen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter heeft de veroordeling tot ontruiming uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.4. [appellant] vordert in het incident schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep. [appellant] voert daartoe twee grieven aan. De uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis heeft desastreuze gevolgen voor [appellant] , omdat [appellant] op straat zal komen te staan. [appellant] heeft geen zicht op een andere huurwoning en het is voor hem niet mogelijk om binnen een termijn van veertien dagen een andere betaalbare en passende huurwoning te vinden. Het inkomen van [appellant] is ontoereikend om een huurwoning buiten de sociale sector te vinden, zodat hij is aangewezen op een sociale huurwoning. Executie van het vonnis zou betekenen dat [appellant] de woning definitief zou verliezen, ook als het hoger beroep slaagt. Dit terwijl [appellant] al jaren in de woning woont, gehecht is aan de buurt en hij daarmee een nauwe verbondenheid ervaart. Bovendien geldt er vanwege Covid-19 een terughoudend beleid bij ontruimingen van huurwoningen. Gelet op dit terughoudende beleid is sprake van juridische of feitelijke misslag. 3.5. WonenBreburg heeft de incidentele vordering gemotiveerd bestreden. 3.6. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.