← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2021:1943

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.290.770/01 arrest van 22 juni 2021 gewezen in de zaak van 1 [appellant 1] ,wonende te [woonplaats] ,

  1. [appellant 2],wonende te [woonplaats] ,
  2. [appellante 1],wonende te [woonplaats] ,
  3. [appellant 3], wonende te [woonplaats] ,
  4. [appellante 2], wonende te [woonplaats] ,
  5. [appellante 4], handelend voor zichzelf en in hoedanigheid van erfgename van [erflater], wonende te [woonplaats] ,
  6. [appellant 4] in hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] , wonende te [woonplaats] ,
  7. [appellant 5] in hoedanigheid van erfgenaam van [erflater], wonende te [woonplaats] ,
  8. [appellant 6], wonende te [woonplaats] ,
  9. [appellante 5], wonende te [woonplaats] ,
  10. [appellante 6] , handelend voor zichzelf en in hoedanigheid van erfgename van [erflater 2], wonende te [woonplaats] , appellanten, advocaat: mr. W.G.M. Vos te Breda, tegen 1Arcen Spa Invest B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
  11. Rebel Beheer Zeeland B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
  12. Roompot Service B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. M.H.J. Langerak te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 9 december 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 september 2020, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen appellanten– als eisers en geïntimeerden – als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/348746 / HA ZA 18-571) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de rolbeslissing van 9 maart 2021; de akte van 23 maart 2021 van appellanten met productie 2; de akte van 20 april 2021 van appellanten met productie 3; de antwoordakte van 4 mei 2021 van geïntimeerden. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De beoordeling 3.
  13. Bij genoemde rolbeslissing heeft de rolraadsheer geconstateerd dat uit het bestreden vonnis en de appeldagvaarding blijkt dat partij [erflater] en [erflater 2] in eerste aanleg mede-eisers waren, maar inmiddels overleden zijn. In de appeldagvaarding zijn - zonder nadere onderbouwing - als erfgenamen van [erflater] genoemd appellanten sub 6, 7 en 8 en als erfgenaam van [erflater 2] appellante sub
  14. Appellanten zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de rechtsopvolging van de partijen [erflater] en [erflater 2] . 3.
  15. Bij akte hebben appellanten een testament overgelegd van wijlen [erflater] (productie 2) en van wijlen [erflater 2] (productie 3). Hierbij is aangegeven dat uit de testamenten ter zake de rechtsopvolging een en ander blijkt. 3.
  16. Het hof is met geïntimeerden van oordeel dat appellanten met het overleggen van de testamenten onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt wie de rechtsopvolgers zijn van genoemde erflaters. Het testament van [erflater] is een zogenoemd langstlevende testament waarin appellante sub 6 als (langstlevende) echtgenote tezamen met de kinderen tot erfgenamen worden benoemd. Uit het testament is echter niet af te leiden dat appellanten sub 7 en 8 de (enige) kinderen zijn van [erflater] . Er is ook geen ander stuk overgelegd waaruit blijkt wie de kinderen zijn. Ook is niet duidelijk of dit het laatste testament is van [erflater] . In het testament van [erflater 2] wordt zijn echtgenote, appellante sub 11, tot enig erfgename benoemd, maar ook hier is niet duidelijk geworden of dit het laatste testament is of dat dit testament is herroepen. 3.
  17. Naar aanleiding van het voorgaande zullen appellanten sub 6, 7, 8 naar aanleiding van het overlijden van [erflater] en appellante sub 11 naar aanleiding van het overlijden van [erflater 2] alsnog in de gelegenheid worden gesteld om een verklaring van erfrecht in het geding te brengen waaruit de rechtsopvolging blijkt. Geïntimeerden zullen vervolgens nog in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren. 3.
  18. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing Het hof: verwijst de zaak naar de rol van 20 juli 2021 voor akte aan de zijde van appellanten sub 6, 7, 8 en 11 met het hiervoor vermelde doel, waarna geïntimeerden op een termijn van twee weken in de gelegenheid zullen worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en E.H. Schulten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juni
  19. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.