GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.292.343/01 arrest van 6 juli 2021 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda, tegen Stichting Leystromen, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna te noemen: Leystromen, advocaat: mr. P.L.T. Roks te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 26 maart 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 maart 2021, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – Leystromen – als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8895565 CV EXPL 20-5108) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep tevens incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv met producties; de antwoordmemorie in het incident met producties; de memorie van grieven. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. Leystromen heeft de woning [adres] te [plaats] met ingang van 4 april 2014 verhuurd aan [appellant] . 3.2. Leystromen heeft – voor zover hier van belang – gevorderd een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is beëindigd, alsmede om [appellant] te veroordelen het gehuurde te ontruimen. 3.3. Nadat [appellant] in rechte is verschenen, is aan hem uitstel verleend om op de dagvaarding te antwoorden, maar dat heeft [appellant] niet gedaan. 3.4. De kantonrechter heeft – voor zover hier van belang – voor recht verklaard dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte is geëindigd door opzegging door [appellant] per 2 oktober 2020 en heeft [appellant] veroordeeld om het gehuurde binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen. De kantonrechter heeft de ontruiming uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.5. [appellant] vordert in het incident schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep. [appellant] voert daartoe twee grieven aan. De uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis heeft desastreuze gevolgen voor [appellant] , omdat [appellant] op straat zal komen te staan. [appellant] heeft geen zicht op een andere huurwoning en het is voor hem niet mogelijk om binnen een termijn van veertien dagen een andere betaalbare en passende huurwoning te vinden. Executie van het vonnis zou betekenen dat [appellant] de woning definitief zou verliezen, ook als het hoger beroep slaagt. Dit terwijl [appellant] al jaren in de woning woont, gehecht is aan de buurt en hij daarmee een nauwe verbondenheid ervaart. Bovendien geldt er vanwege Covid-19 een terughoudend beleid bij ontruimingen van huurwoningen. Gelet op dit terughoudende beleid is sprake van juridische of feitelijke misslag. Daarnaast is sprake van een juridische en/of feitelijke misslag omdat [appellant] niets onrechtmatigs heeft gedaan en heeft opgezegd onder condities. [appellant] is niet gehoord in eerste aanleg en dat is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. 3.6. Leystromen heeft de incidentele vordering gemotiveerd bestreden. 3.7. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.