GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team handelsrecht zaaknummer 200.208.740/02 arrest van 13 juli 2021 in de zaak van 1Biomet Global Supply Chain Center BV,gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [Z] Biomet Nederland BV, voor zich en als rechtsopvolger onder algemene titel van Biomet Europe BV,gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. Biomet Holdings BV, gevestigd te [vestigingsplaats] , 4. [Z] Europe Holdings BV, gevestigd te [vestigingsplaats] , 5. [Z] Biomet Asia Holding BV, gevestigd te [vestigingsplaats] , appellanten, hierna gezamenlijk aan te duiden als Biomet en afzonderlijk bij hun volledige namen, advocaat: mr. T. Cohen Jehoram te Amsterdam, tegen [H] Medical GmbH, gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland), geïntimeerde, hierna aan te duiden als [H] , advocaat: mr. A.M.E. Verschuur te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 30 januari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 januari 2017, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen Biomet als eiseressen en [H] als gedaagde, als vervolg op het arrest van dit hof van 9 maart 2021. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/325663/ KG ZA 17-20) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de in het arrest van dit hof van 9 maart 2021 genoemde stukken en het daarin verwoorde procesverloop; het voortgezette pleidooi, waarbij partijen pleit-/spreekaantekeningen hebben overgelegd en de akte van Biomet, genomen ter gelegenheid van het pleidooi, houdende overleggen van aanvullende producties (producties 30 en 31) Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. a. tot en met m. de navolgende feiten vastgesteld, door het hof op enkele plaatsen aangepast of aangevuld met door de ene partij gestelde en door de andere partij niet of onvoldoende betwiste feiten. a. Biomet maakt deel uit van een wereldwijde groep vennootschappen, de [Z] Biomet Groep, die zich bezig houdt met de ontwikkeling van medische technologieën. Het zwaartepunt van de activiteiten van de [Z] Biomet Groep ligt bij de productie en verkoop van kunstgewrichten en aanverwante producten, waaronder botcement. Botcement wordt door orthopedisch chirurgen gebruikt bij het vastzetten van bijvoorbeeld een heup- of knieprothese in het bot. b. [H] en voorheen ook [H] [K] GmbH (hierna: [H] [K] ) behoren tot een wereldwijde groep vennootschappen, de [H] Groep, die zich bezig houdt met de ontwikkeling, productie en verkoop van botcementen. Het belangrijkste botcement van [H] [K] was het product PALACOS. c. In vervolg op een samenwerking die teruggaat tot 1972 heeft [H] [K] per 1 januari 1993 een (nieuwe) distributieovereenkomst gesloten met [betrokkene] KGaA (hierna: [betrokkene] ). [betrokkene] werd exclusief verkoper van het botcement PALACOS in de Duitstalige landen. d. Door een aanpassing in 1998 van de Duitse Geneesmiddelenwet moest botcement voortaan als een farmaceutisch product worden gecertificeerd. In dat verband werd [betrokkene] aangemerkt als verantwoordelijke producent van het botcement PALACOS. De benodigde documentatie voor het verkrijgen van de certificering heeft [H] [K] aan [betrokkene] ter beschikking gesteld. In verband daarmee hebben [H] [K] en [betrokkene] geheimhoudingsovereenkomsten gesloten. e. In 1998 heeft [betrokkene] haar activiteiten inzake botcement ingebracht in een joint-venture met de Amerikaanse vennootschap Biomet Inc. In 2004 heeft [betrokkene] haar aandeel in de joint-venture overgedragen aan Biomet Inc. Dat jaar is ook de distributieovereenkomst met [H] [K] beëindigd. De joint-venture is verder gegaan onder de naam Biomet Europe B.V.. f. Tot in 2005 heeft Biomet Europe nog PALACOS afgenomen van [H] [K] en onder de naam REFOBACIN® PALACOS® R in Europa verhandeld of laten verhandelen. In februari 2005 heeft [H] [K] haar samenwerking met de Biomet-vennootschappen opgezegd en de levering van botcement vanaf augustus 2005 gestaakt, met de bedoeling haar botcement PALACOS voortaan zelf op de markt te brengen. g. De Biomet-vennootschappen hebben de firma Esschem opdracht gegeven (copolymeren voor) een nieuw botcement te ontwikkelen met eigenschappen die gelijkwaardig zijn aan het PALACOS-botcement. Sinds september 2005 verkopen Biomet c.s. dat nieuwe product onder de naam REFOBACIN® BONE CEMENT R. h. In 2008 is [H] [K] een procedure gestart bij het Landgericht Darmstadt tegen Biomet Inc, Biomet Deutschland GmbH, Biomet Europe, Biomet Orthopaedics Switzerland GmbH, [betrokkene] , aap Biomaterials GmbH & Co, dr. [doctor 1] en dr. [doctor 2] . In die procedure heeft [H] [K] onder meer gevorderd dat de betreffende gedaagden geen botcementproducten mogen verhandelen die geheel of gedeeltelijk zijn gebaseerd op specificaties die zijn aan te merken als bedrijfsgeheimen van [H] [K] . Bij uitspraak van 20 december 2012 heeft het Landgericht Darmstadt de vorderingen van [H] [K] afgewezen. i. Op 5 juni 2014 heeft het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hierna: OLG Frankfurt) in hoger beroep uitspraak gedaan. Daarbij zijn Biomet Deutschland GmbH, Biomet Europe en Biomet Inc. alsnog veroordeeld tot onder meer het navolgende: ‘im geschäftlichen Verkehr zu Zwecken des Wettbewerbs zu unterlassen die Knochenzemente Refobacin® Bone Cement R Biomet Bone Cement R Refobacin® Plus Bone Cement Biomet Plus Bone Cement Refobacin® Revision Refobacin® Bone Cement LV Biomet Bone Cement V” herzustellen, anzubieten und/oder in den Verkehr zu bringen oder durch Dritte herstellen, anbieten und/oder vertreiben zu lassen’. Deze uitspraak is inmiddels onherroepelijk. j. Bij beschikking van 26 september 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam aan [H] [K] verlof verleend om de uitspraak van het OLG Frankfurt ten uitvoer te leggen in Nederland. k. [H] [K] is in 2013 overgenomen door een Japanse multinational. Sindsdien is [H] verantwoordelijk voor de ontwikkeling, productie en verkoop van botcement. l. Bij verzoekschrift van 24 november 2016 heeft [H] aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verlof gevraagd om conservatoir bewijsbeslag te mogen leggen ten laste van Biomet c.s. op diverse documenten die zich onder Biomet c.s. bevinden op hun kantoor in Dordrecht en op het kantoor van eiseres sub 2 (toevoeging hof: thans appellante 2.) op het bedrijventerrein Hazeldonk in Breda. Aan haar verzoek heeft [H] de stellingen ten grondslag gelegd dat Biomet c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door vanaf februari 2004 botcementen te ontwikkelen met gebruikmaking van bedrijfsgeheimen van [H] , dat zij buiten Duitsland nooit gestopt zijn met het produceren en het verhandelen van die inbreukmakende producten en dat [H] ook in Nederland rechtsmaatregelen tegen hen wil nemen. Als redenen voor het leggen van bewijsbeslag heeft [H] opgegeven dat het voor haar niet duidelijk is welke onderlinge rolverdeling er tussen de verschillende entiteiten bestaat en heeft bestaan en dat zij geen inzicht heeft in de omzet- en winstcijfers die de betrokken vennootschappen realiseren met betrekking tot de inbreukmakende producten. De voorzieningenrechter heeft het gevraagde verlof op 6 december 2016 verleend. m. Op 3 januari 2017 is een deurwaarder begonnen met de uitvoering van het bewijsbeslag. De beslaglegging is nog niet afgerond. Na 20 maart 2017 heeft de deurwaarder geen werkzaamheden meer verricht om de beslaglegging verder af te ronden. 3.1.1. Tegen (onderdelen van) voormelde feiten onder b. tot en met f. en h. zijn door Biomet de grieven 17.1. tot en met 17.8. ingebracht. Die grieven zullen onbesproken blijven nu die feiten niet van belang zijn voor de beslissing in deze zaak. 3.1.2. Het hof vermeldt nog dat bij vonnis in kort geding van 13 maart 2017, tussen partijen gewezen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, de vorderingen van [H] , welke kort gezegd strekken tot inzage en afgifte van de in beslag genomen bescheiden, zijn afgewezen. [H] heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest in kort geding van 4 december 2018 van het hof Den Haag is voormeld vonnis bekrachtigd. Het hiertegen door [H] ingestelde cassatieberoep is verworpen bij arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020. 3.1.3. [H] heeft Biomet op 16 augustus 2019 in een bodemzaak gedaagd voor de rechtbank Rotterdam en -kort gezegd- gevorderd afschriften van, althans inzage in bescheiden te geven. In die zaak hebben partijen hun conclusies gewisseld en pleidooi is bepaald. 3.2.1. In de onderhavige procedure vordert Biomet, kort gezegd, primair opheffing van het bewijsbeslag en teruggave van hetgeen in beslag is genomen, subsidiair beperking van het verlof. 3.2.2. [H] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.3.3. In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Biomet afgewezen. 3.4. Biomet heeft in hoger beroep zeventien grieven aangevoerd. Biomet heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. 3.5. [H] heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep. 3.6. [H] was ten tijde van de inleidende dagvaarding gevestigd in Duitsland. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de herschikte EEX-Verordening. Ingevolge artikel 4 lid 1 van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. 3.7. Partijen noch de rechter in eerste aanleg hebben zich uitgelaten over het toepasselijke recht. Het hof begrijpt uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, hetgeen in casu is toegestaan. Ondeugdelijkheid van het door [H] als beslaglegger ingeroepen recht? 3.8. Biomet voert aan dat het bewijsbeslag moet worden opgeheven omdat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [H] ingeroepen recht op informatie op basis van artikel 843a Rv (memorie van grieven nr. 46.). 3.9. In de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2016 heeft de voorzieningenrechter overwogen (2.5), dat hij het gestelde onrechtmatig produceren, verkopen en distribueren binnen de Biomet Groep zodanig gesubstantieerd acht dat het verzochte bewijsbeslag voor toewijzing vatbaar is. 3.10. Als maatstaf voor de door Biomet gevorderde opheffing geldt artikel 705 Rv, waarin voor zover van belang voor deze zaak, is bepaald: “1 De voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft gegeven kan, rechtdoende in kort geding, het beslag op vordering van elke belanghebbende opheffen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. 2 De opheffing wordt onder meer uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, (…)” 3.11. Daarbij ligt het op de weg van Biomet summierlijk de door haar gestelde ondeugdelijkheid van het recht van [H] op informatie aannemelijk te maken (HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105 en HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060). Volgens het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273 (ro. 3.3.3), dient de rechter een bewijsbeslag op te heffen als de rechter op grond van hetgeen partijen aanvoeren, op het moment van beslissing tot het oordeel komt dat niet of niet meer is voldaan aan de eisen die voor het verlof voor het leggen van bewijsbeslag zijn gesteld in de zogenaamde Molenbeek-uitspraak (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958). 3.12. Het door [H] ingeroepen recht betreft, gezien het door haar op 28 november 2016 ingediende verzoekschrift het recht als bedoeld in artikel 843a Rv. In dit artikel is in lid 1 bepaald: “1 Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.” Rechtsbetrekking [H] -Biomet. 3.13. Het hof gaat er op grond van hierna vermelde, door Biomet aanhangig gemaakte procedures en gezien haar hierna vermelde verweren tegen door [H] ingestelde vorderingen van uit dat Biomet belang heeft om het in Duitsland uitgevaardigde verbod om de betreffende botcementen te verhandelen tot Duitsland te beperken, zodat zij in Nederland die botcementen wel kan blijven verkopen. Het hof neemt op grond van de hierna vermelde inspanningen van Biomet aan dat zij gezien hierna genoemde uitspraken ook overeenkomstig de door die uitspraken aan haar, Biomet, geboden ruimte daarvan gebruik maakt. In het kader van deze procedure tot opheffing van het bewijsbeslag heeft Biomet daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij de betreffende botcementen niet hier te lande op de markt brengt. 3.13.1. Bij onherroepelijke uitspraak van OLG Frankfurt van 5 juni 2014 is onder meer Biomet Europe (thans opgevolgd door [Z] Biomet Nederland B.V.), die zich tegen de vordering had verweerd, veroordeeld om na te laten om de daarin aangegeven botcementen met gebruikmaking van de daar genoemde stoffen in het economisch verkeer te brengen (onder II., blz. 2 tot en met 4) en schade te vergoeden (onder V., blz. 6). Daartoe is overwogen dat voor de vervaardiging van die botcementen ten onrechte bedrijfsgeheimen van [H] gebruikt zijn (onder cc), blz. 33). Ten aanzien van Biomet Europe is in voormelde uitspraak overwogen (blz. 40, 2e alinea) dat zij “passivlegitimiert” is, dat Biomet Europe de voor het Europees bedrijf bevoegde onderneming van het Biometconcern is en dat Biomet Europe, althans haar leidende functionarissen wisten van het onterechte gebruik van bedrijfsgeheimen van [H] en dat die functionarissen dat goed hebben gevonden. 3.13.2. Het OLG Frankfurt heeft op verzoek van onder andere Biomet Europe in een –niet onherroepelijke- uitspraak van 28 april 2016 geoordeeld dat voormelde veroordeling van Biomet Europe om na te laten bedoelde botcementen in het verkeer te brengen alleen handelingen betreft die in Duitsland zijn of worden verricht. 3.13.3. Ter gelegenheid van de voortzetting van het pleidooi is zijdens [H] onweersproken verklaard dat ook in België en Finland definitief is geoordeeld dat Biomet-vennootschappen onrechtmatig hebben gehandeld door inbreuk te maken op de bedrijfsgeheimen van [H] . 3.13.4. Gelet op het bovenstaande heeft Biomet niet voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen rechtsbetrekking uit hoofde van onrechtmatige daad hier te lande tussen haar en [H] bestaat. Rechtmatig belang [H] . 3.14. Biomet voert aan dat [H] in de in 3.1. sub l vermelde rolverdeling afdoende inzicht had en heeft en dat het beslag op de winst- en omzetgegevens prematuur is, zodat [H] geen rechtmatig belang heeft. 3.15. Het beslag heeft volgens [H] ten doel dat zij de beschikking krijgt over stukken waaruit omzet en winst, hoeveelheden van leveranties en de rolverdeling tussen de Biomet-vennootschappen kan blijken ter zake van het produceren, verkopen en distribueren van de betreffende botcementen (beslagverzoek, nr. 6.35.). [H] wil deze bescheiden gebruiken ter verdere onderbouwing van haar tegen Biomet in te stellen vorderingen. [H] wil Biomet in Nederland dagvaarden om de gestelde onrechtmatige verhandeling van de botcementen stil te leggen en de gestelde schade vergoed te zien (pleitaantekeningen nr. 9). 3.16.1. Ten aanzien van de rolverdeling tussen de Biomet-vennootschappen merkt het hof allereerst op dat uit de uitspraak van het OLG Frankfurt van 5 juni 2014 blijkt dat leidende functionarissen van Biomet Europe wisten van het onterechte gebruik van bedrijfsgeheimen van [H] en dat zij dat gebruik goed vonden. 3.16.2. Hierbij komt dat de statutaire doelomschrijving van Biomet Europe luidde: “het verlenen van diensten, waaronder tevens wordt verstaan het (…) verkopen en distribueren van chirurgische en medische producten (…)”. 3.16.3. Bovendien sluiten de jaarverslagen van Biomet Europe niet uit dat zij betrokken is bij de verkoop van de gewraakte botcementen. In haar meest recente gepubliceerde jaarverslag over 2014 staat onder meer dat Biomet Europe bedrijven managet die zich bezighouden met de productie en distributie van chirurgische implantaten. 3.16.4. Voorts verwerpt het hof de stelling van Biomet dat [H] na jaren procederen, inclusief een discovery in de Verenigde Staten en een bewijsbeslag in Frankrijk, over meer dan voldoende informatie beschikt om een bodemprocedure te entameren. Biomet heeft de door [H] verkregen informatie niet gespecificeerd, zodat de juistheid van haar stelling niet kan worden beoordeeld. 3.16.5. Het beroep van Biomet op het feit dat zij ten behoeve van [H] overzichten heeft gemaakt waaruit het maken, de distributie en de verkoop van de botcementen blijkt, doet niet af aan het belang van [H] de juistheid daarvan te kunnen toetsen aan de hand van stukken. 3.16.6. Tenslotte stelt Biomet zelf dat een zekere mate van onduidelijkheid over de exacte rol van bepaalde groepsentiteiten inherent is aan het voeren van een procedure tegen een concern (pleitaantekeningen nr. 30). Biomet sluit derhalve zelf niet uit dat er onduidelijkheid bij [H] bestaat over welke vennootschappen betrokken zijn bij de verkoop van de botcementen. 3.16.7. Gezien het voorgaande is in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk , dat [H] een rechtmatig belang heeft om duidelijk te krijgen welke vennootschap waarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden, althans dat [H] de juistheid van de stellingen van Biomet daaromtrent kan toetsen. 3.17.1. Ook ten aanzien van de met de verhandeling van botcementen gerealiseerde omzet en winst van de Biomet-vennootschappen stelt het hof voorop dat leidende functionarissen van Biomet Europe wisten van het onterechte gebruik van bedrijfsgeheimen van [H] en dat zij dat gebruik goed vonden. 3.17.2. In artikel 6:104 BW is bepaald dat indien iemand die op grond van onrechtmatige daad of een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis jegens een ander aansprakelijk is, door die daad of tekortkoming winst heeft genoten, de rechter op vordering van die ander de schade kan begroten op het bedrag van die winst of op een gedeelte daarvan. Deze bepaling houdt een discretionaire bevoegdheid in van de rechter. Biomet heeft, gezien voormelde bepaling niet (voldoende) onderbouwd dat, zoals zij stelt, slechts in theorie de mogelijkheid bestaat dat de schade aan de zijde van [H] aan de hand van de door Biomet genoten winst zou worden begroot. 3.17.3. Tenslotte verwerpt het hof het standpunt van Biomet, inhoudend dat het beslag ter onderbouwing van de winst prematuur is omdat [H] geen belang heeft bij inzage in die gegevens voordat de onrechtmatigheid vast staat. Het is aan [H] om haar processtrategie te bepalen en zij kan niet worden gedwongen eerst over de onrechtmatigheid te gaan procederen en pas daarna over de schade. 3.17.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat aannemelijk ist dat [H] een rechtmatig belang heeft bij stukken waaruit de met de betreffende botcementen gemaakte winst kan blijken. Bepaalde bescheiden. 3.18. Biomet stelt zich op het standpunt dat de bescheiden waarop beslag is en eventueel nog wordt gelegd onbepaald zijn. 3.19.1. Als beoordelingskader geldt dat de in beslag te nemen bescheiden zo precies worden omschreven als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verzoeker kan worden verlangd. 3.19.2. De rolverdeling ter zake van de schending van de bedrijfsgeheimen van [H] en de ten gevolge daarvan gemaakte winst zijn niet eenvoudig aan te tonen. Niet is gesteld dat [H] weet in welke bescheiden bewijs van het voorgaande is te vinden. 3.19.3. Uit de uitspraak van OLG Frankfurt van 5 juni 2014 (onder bb blz. 30 tot en met 33) blijkt dat aan het oordeel, dat er sprake is van het ten onrechte gebruik maken van bedrijfsgeheimen, (e-mail)correspondentie als bewijs ten grondslag ligt. [H] heeft dan ook terecht verzocht bewijsbeslag op (e-mail)correspondentie te leggen. Hierbij komt dat Biomet niet heeft gesteld dat het voor [H] mogelijk is nader aan te geven in welke (e-mail)correspondentie het gezochte bewijs kan worden gevonden. 3.19.4. Het bewijsbeslag is gezien de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2016 gelegd op data en zaken betrekking hebbend op de onder 2.2. van die beschikking bedoelde bescheiden, die zich bevinden en/of toegankelijk zijn op de adressen van Biomet. In 2.2. voornoemd is aangegeven dat het om bescheiden gaat die betrekking hebben op producten met de aanduiding REFO-BACIN, botcement of PALACOS in alle overeenkomsten, (e-mail)correspondentie, facturen, leverings- en transportdocumenten en in- en verkooporders, notities, memo’s, verslagen, notulen en bankafschriften, (technische) documentatie, documenten die betrekking hebben op de CE-markeringen en marktvergunningen over de periode 1 februari 2004 tot heden. 3.19.5. In haar dagvaarding van 16 augustus 2019 in de in 3.1.3. genoemde bodemzaak (akte uitlaten nieuwe feiten, productie 18, blz 120 e.v.) heeft [H] aan de hand van zoektermen een afbakening voorgesteld van de bescheiden waarin [H] inzage vordert. Uit de akte uitlaten nieuwe feiten van [H] onder 10. begrijpt het hof dat de inmiddels beslagen (en eventueel nog in beslag te nemen) stukken nodig zijn, om (op basis van die zoektermen) tot de genoemde afbakening met het oog op de inzage te kunnen komen. Die zoektermen betreffen woorden die verwijzen naar de merken waaronder de PALACOS botcementen worden verkocht, merken waaronder inbreukmakende botcementen worden verkocht, de naam [H] en haar voormalige aanduiding, namen van betrokkenen bij de ontwikkeling van de botcementen, namen van bestanddelen van botcement en namen van bedrijven die voor Biomet botcement hebben geproduceerd. Het enkele door Biomet gestelde feit dat veel van de door [H] voorgestelde zoektermen zullen voorkomen in de data en dat daardoor de beslagen stukken omvangrijk zijn, betekent naar het oordeel van het hof niet dat de beslagen bescheiden onvoldoende bepaald zijn. Ook de door Biomet gestelde technische onuitvoerbaarheid en de lange duur van de doorzoeking zijn als zodanig onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van onvoldoende bepaaldheid. Evenmin acht het hof in dit verband van voldoende gewicht Biomet’s stelling dat haar botcement niet in Nederland is ontwikkeld, hier niet wordt geproduceerd en CE-markeringen niet in Nederland worden aangevraagd. Dit neemt namelijk niet weg dat [H] ook hier te lande zal moeten gaan aantonen dat Biomet haar botcement heeft nagemaakt, zodat de zoektermen dus ook op de ontwikkeling en productie betrekking mogen hebben. De stelling van Biomet dat zij ook buiten botcement met haar leveranciers te maken heeft, doet onvoldoende af aan de bepaaldheid van het beslag, aangezien Biomet met haar stelling wel aangeeft dat ook botcement door die leveranciers aan haar wordt geleverd, Voor de stelling van Biomet dat de genoemde ingrediënten niet beperkt zijn tot botcement maar ook in bijvoorbeeld tandheelkundige producten van Biomet worden gebruikt, geldt ook dat hierdoor niet voldoende wordt afgedaan aan de bepaaldheid van de beslagen bescheiden. Het ligt immers voor de hand om bescheiden die de ingrediënten van botcement vermelden onder het beslag te laten vallen. Tenslotte heeft Biomet nog naar voren gebracht, dat [H] aan de hand van de stellingen die partijen verdeeld houden en de stukken waarover [H] reeds beschikt, in staat moet zijn een gericht(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.