GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.294.021/01 arrest van 20 juli 2021 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, hierna aan te duiden als: [appellant] , advocaat: mr. I.M. van den Heuvel te Roosendaal, tegen Stichting Woonkwartier, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna aan te duiden als: Woonkwartier, advocaat: mr. J.G. van Heertum te Best, op het bij exploot van dagvaarding van 3 mei 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, van 28 april 2021, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en Woonkwartier als eiseres. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8310243 CV EXPL 20-495) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven houdende incidentele memorie tot schorsing van de tenuitvoerlegging van [appellant] ; de memorie van antwoord in het incident van Woonkwartier. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest in het incident. 3De beoordeling In het incident 3.1. In het bestreden vonnis is de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het [adres] te [plaats] ontbonden en is [appellant] – kort gezegd – veroordeeld: - die woning met alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover deze laatste niet het eigendom van Woonkwartier zijn, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te verlaten en te ontruimen, - tot betaling aan Woonkwartier van een bedrag van € 681,02 per maand voor elke ingegane maand dat [appellant] na ontbinding van de huurovereenkomst in de woning verblijft, - tot betaling aan Woonkwartier van een bedrag van € 5.000, --, - in de proceskosten. Deze veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.2. In het incident vordert [appellant] schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. 3.3. Ter onderbouwing van zijn vordering verwijst [appellant] allereerst naar de memorie van grieven; hij verzoekt het hof de inhoud van de memorie van grieven als in het incident letterlijk herhaald en ingevoegd te beschouwen. Verder voert hij aan dat het ongemotiveerd passeren van het bewijsaanbod door de kantonrechter in strijd is met een elementair materieel procesrecht van [appellant] en als zodanig is te beschouwen als een misslag van de kantonrechter. [appellant] stelt dat indien hij met de door hem genoemde getuigen het bewijs levert dat hij heeft aangeboden, dat van beslissende invloed kan zijn op de vraag of de huurovereenkomst ontbonden kan worden, althans aangenomen mag worden dat het in die situatie zeer onzeker is dat de kantonrechter tot dezelfde uitspraak zou zijn gekomen. Tot slot voert [appellant] aan dat tenuitvoerlegging van het vonnis bij voorraad onevenredig nadeel aan hem zal toebrengen doordat hij, mocht hij in hoger beroep in het gelijk gesteld worden, ten onrechte zijn woning heeft moeten verlaten en aanzienlijke kosten heeft moeten maken voor verhuizen, opslag van zijn inboedel en inrichting van een andere woning waarvan het nog maar afwachten is of hij die op korte termijn kan vinden, terwijl hij er ook rekening mee moet houden dat Woonkwartier de woning na ontruiming aan een ander zal hebben verhuurd die zich op huurbescherming zal beroepen. 3.4. Woonkwartier voert gemotiveerd verweer. 3.5. Bij de beoordeling van een incidentele vordering op de voet van artikel 351 Rv als hier aan de orde geldt op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, het volgende. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder sub a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.