GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 29 juli 2021 Zaaknummer: 200.280.154/01 Zaaknummer eerste aanleg: 8273517 TF VERZ 20-67 en 8273518 TF VERZ 20-68 in de zaak in hoger beroep van: [dochter 1] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, dochter van de rechthebbende, hierna te noemen: [dochter 1] , advocaat: voorheen mr. N.M. Lindhout-Schot, thans mr. G.V. van Campen. Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt: - [de rechthebbende] , de rechthebbende (hierna te noemen: de rechthebbende); - [dochter 2] , dochter van de rechthebbende (hierna te noemen: [dochter 2] ); - [dochter 3] , dochter van de rechthebbende (hierna te noemen: [dochter 3] ); - [dochter 4] , dochter van de rechthebbende (hierna te noemen: [dochter 4] ); - [bewindvoerder en mentor] B.V., de bewindvoerder en mentor (hierna ook: [bewindvoerder en mentor] ). Als informant in deze zaak wordt aangemerkt: - mr. [beoogd bewindvoerder en beoogd mentor] , de beoogd bewindvoerder en beoogd mentor (hierna te noemen: [beoogd bewindvoerder en beoogd mentor] ). 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 maart 2020 uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 juni 2020, heeft [dochter 1] verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de benoeming van [bewindvoerder en mentor] tot bewindvoerder en mentor en opnieuw rechtdoende ten behoeve van de rechthebbende: - primair: [beoogd bewindvoerder en beoogd mentor] tot bewindvoerder en mentor te benoemen; - subsidiair: [beoogd bewindvoerder en beoogd mentor] tot mentor te benoemen en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) tot bewindvoerder te benoemen; - meer subsidiair: [betrokkene] tot bewindvoerder te benoemen en een andere professionele partij in (de regio) [plaats] tot (opvolgend) mentor te benoemen. 2.2. Er is geen verweerschrift ingekomen. Bij brief van 20 juli 2021 heeft [bewindvoerder en mentor] aan het hof bericht dat [bewindvoerder en mentor] haar verweer mondeling tijdens de mondelinge behandeling zal toelichten. 2.3.1. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [dochter 1] , bijgestaan door mr. Van Campen; [dochter 2] , bijgestaan door mr. E.J.A. Cuijten; [dochter 3] ; [bewindvoerder en mentor] , vertegenwoordigd door [de bewindvoerder] (hierna: de bewindvoerder) en [de mentor] (hierna: de mentor); 2.3.2. De rechthebbende en [dochter 4] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen. Tevens is verschenen [beoogd bewindvoerder en beoogd mentor] die als informant door het hof is gehoord. 2.3.3. De rechthebbende is na de mondelinge behandeling, op 13 april 2021, vanwege de RIVM-maatregelen rondom COVID-19 (coronavirus) door middel van verbinding met videobeeld, in aanwezigheid van de voorzitter en de griffier gesproken. [dochter 3] heeft de ruimte waarin de rechthebbende zich bevond vóór aanvang van het gesprek verlaten en de mentor vrijwel direct na aanvang van het gesprek. Kort na aanvang van het gesprek is [dochter 3] weer verschenen om de door de voorzitter gestelde vragen letterlijk te vertalen nu de rechthebbende de voorzitter niet kon verstaan. Van het verhandelde tijdens dit gesprek is een proces-verbaal opgemaakt en appellante en belanghebbenden hebben de gelegenheid gekregen zich hierover uit te laten. 2.4.1. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 3 maart 2020; het V-formulier met bijlage van de advocaat van [dochter 1] , ingekomen op 16 juli 2020; een e-mailbericht van [dochter 1] d.d. 28 september 2020; het V-formulier met bijlage van de advocaat van [dochter 1] , ingekomen op 15 februari 2021; het V-formulier met bijlage van de advocaat van [dochter 2] , ingekomen op 18 februari 2021; het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [dochter 1] , ingekomen op 26 februari 2021; het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [dochter 2] , ingekomen op 3 maart 2021; het V-formulier met bijlage van de advocaat van [dochter 1] , ingekomen op 4 maart 2021; het V-formulier met bijlage van de advocaat van [dochter 1] , ingekomen op 4 maart 2021; het V-formulier met bijlage van de advocaat van [dochter 2] , ingekomen op 8 maart 2021; de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van [dochter 2] overgelegde spreekaantekeningen; het proces-verbaal van het gesprek met de rechthebbende. 2.4.2. Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen: de brief met bijlagen van [bewindvoerder en mentor] d.d. 9 maart 2021; het V-formulier met bijlage van de advocaat van [dochter 1] , ingekomen op 1 juni 2021; het V-formulier met bijlage van de advocaat van [dochter 2] , ingekomen op 2 juni 2021. 2.4.3. Tevens is na de mondelinge behandeling op 16 juli 2021 een brief ingekomen van de advocaat van [dochter 1] , waarin zij het hof verzoekt de uitspraak te vervroegen. Naar aanleiding van deze brief zijn met toestemming van het hof nog ingekomen: de brief van [bewindvoerder en mentor] d.d. 21 juli 2021; het V-formulier met bijlage van de advocaat van [dochter 2] , ingekomen op 21 juli 2021. 2.4.4. Bij voormeld V-formulier, ingekomen op 4 maart 2021, heeft de advocaat van [dochter 1] bezwaar gemaakt tegen de bij voormeld V-formulier, ingekomen op 3 maart 2021, door de advocaat van [dochter 2] overgelegde stukken aangezien deze zijn ingekomen binnen de tiendagentermijn. Het hof heeft daarop beslist dat op die stukken acht wordt geslagen, omdat de advocaat van [dochter 1] tijdens de mondelinge behandeling op 9 maart 2021 heeft aangegeven dat de stukken wel meegenomen kunnen worden en deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn. 2.4.5. Na de mondelinge behandeling is op 15 april 2021 ter griffie ingekomen een rechtstreeks van [dochter 2] afkomstige brief. De advocaat van [dochter 1] heeft hiertegen in haar bijlage bij V-formulier, ingekomen op 19 april 2021, bezwaar gemaakt. Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof hiervoor geen toestemming heeft gegeven, neemt het hof geen kennis van de inhoud van de brief van [dochter 2] . Datzelfde geldt voor de reactie van [dochter 2] zoals deze is ingediend als bijlage bij het hiervoor vermelde V-formulier van de advocaat van [dochter 2] , ingekomen op 2 juni 2021 en waartegen de advocaat van [dochter 1] bij V-formulier van 8 juni 2021 bezwaar heeft gemaakt. 2.4.6. In reactie op de onder 2.4.3 genoemde stukken is op 23 juli 2021 een brief bij het hof binnengekomen van de advocaat van [dochter 1] . Het hof heeft (de advocaat van) [dochter 1] niet in de gelegenheid gesteld om op genoemde stukken te reageren. Het hof betrekt de inhoud van de brief van de advocaat van [dochter 1] dan ook niet bij zijn besluitvorming. 3De beoordeling 3.1. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter – voor zover hier van belang – over de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld en ten behoeve van de rechthebbende een mentorschap ingesteld, met benoeming van [bewindvoerder en mentor] tot bewindvoerder en mentor. 3.2. [dochter 1] kan zich met deze beslissing niet verenigen wat betreft de benoeming van [bewindvoerder en mentor] tot bewindvoerder en mentor en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.3. [dochter 1] voert, kort samengevat, het volgende aan. Het is juist dat de onderlinge verstandhouding tussen de kinderen is verstoord waardoor een onwenselijke situatie ontstaat indien één van de kinderen tot bewindvoerder of mentor wordt benoemd. Het is de wens van de rechthebbende dat [beoogd bewindvoerder en beoogd mentor] tot bewindvoerder en mentor wordt benoemd. [beoogd bewindvoerder en beoogd mentor] adviseert en begeleidt de rechthebbende al vanaf 2016 naar grote tevredenheid met betrekking tot haar administratieve zaken en dit geeft haar rust. In de wens van professionaliteit en objectiviteit wordt met [beoogd bewindvoerder en beoogd mentor] als bewindvoerder en mentor voorzien. Door de ongefundeerde bezwaren van [dochter 2] tegen de benoeming van [beoogd bewindvoerder en beoogd mentor] , is de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende door de kantonrechter niet gevolgd, terwijl hiervoor geen gegronde redenen zijn. Indien de voorkeur van de rechthebbende niet zou worden gevolgd, zou een kennismakingsgesprek plaatsvinden voordat de kantonrechter uitspraak zou doen, maar dit is niet gebeurd. [dochter 2] heeft slechts een korte periode voor de rechthebbende gezorgd. Zij heeft professionele zorg en hulp altijd buiten de deur gehouden. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg is [dochter 2] bij de rechthebbende ingetrokken en heeft zij de rechthebbende totaal geïsoleerd. Na de mondelinge behandeling in eerste aanleg is [dochter 2] met de auto van de rechthebbende vertrokken, heeft zij het contact met de rechthebbende verbroken en haar aan haar lot overgelaten. Hierdoor heeft [dochter 2] geen kijk meer op de situatie. De rechthebbende is bang voor [dochter 2] en is boos op haar. De rechthebbende wil zo lang mogelijk in haar huis blijven wonen. Op dit moment nemen [dochter 1] en [dochter 3] de volledige zorg voor de rechthebbende voor hun rekening. Het is onjuist dat [dochter 1] en [dochter 3] negen zorginstellingen hebben weggestuurd. Wel willen zij graag dat [zorg] de zorg voor de rechthebbende weer op zich neemt. De ervaringen van de rechthebbende, [dochter 1] en [dochter 3] met [bewindvoerder en mentor] zijn alles behalve positief en hebben geleid tot wantrouwen aan de zijde van de rechthebbende, [dochter 1] en [dochter 3] . Door de hoge leeftijd van de rechthebbende, de familieverhoudingen en het vermogen leent de kwestie zich niet voor een willekeurige aanpak op een regulier bewindvoerderskantoor. De mentor heeft slechts beperkte kennis van de zorg voor dementerende ouderen en het is onduidelijk wat de bewindvoerder doet. Door het contact dat [dochter 2] met [bewindvoerder en mentor] heeft, lijkt het alsof er meer naar haar wordt geluisterd dan naar de rechthebbende en voelen [dochter 1] en [dochter 3] zich buitengesloten door [bewindvoerder en mentor] . Alle initiatieven met betrekking tot de rechthebbende moeten vanuit [dochter 1] en [dochter 3] komen. [bewindvoerder en mentor] heeft onvoldoende aandacht voor een aantal behoeften van de rechthebbende waardoor onnodig veel onrust is veroorzaakt. De rechthebbende wil zo zelfstandig en betrokken mogelijk blijven, maar [bewindvoerder en mentor] wil de post laten doorsturen. Het overleg over de financiële zaken loopt niet goed doordat de bewindvoerder [dochter 1] en [dochter 3] niet op de hoogte houdt. 3.4. [dochter 2] voert, kort samengevat, het volgende aan. Er zijn gegronde redenen om van de wens van de rechthebbende af te wijken. De rechthebbende is beïnvloedbaar en zij geeft tegenstrijdige signalen met betrekking tot haar wens wie tot bewindvoerder en mentor moet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.