Parketnummer : 20-003557-19 (OWV) Uitspraak : 26 juli 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 27 oktober 2014 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-666468-13 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 7.200,-- en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van gelijke hoogte. Van de zijde van de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, primair zal vaststellen op een bedrag van € 7.200,-- en de betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel ter hoogte van dit bedrag zal opleggen, subsidiair zal vaststellen op een bedrag van € 3.000,-- conform de verklaring van de betrokkene. De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de vordering tot het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal afwijzen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op een bedrag van € 3.000,-- met daarop in mindering een eventueel in de strafzaak met parketnummer 20-003556-19 toe te wijzen vordering van de benadeelde partij. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Vordering De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 7.474,-- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van gelijke hoogte. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht. Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 juli 2021 (parketnummer 20-003556-19) in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Het betrof 87 hennepplanten. Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit of andere bewezenverklaarde feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. De betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de ruimte naast zijn woonkamer in zijn (voormalige) woning aan de [adres 2] ter beschikking heeft gesteld aan een drietal mannen teneinde daar een hennepkwekerij te plaatsen. De betrokkene heeft voorts verklaard hiervoor op de tweede dag na de start van de opbouw van de hennepkwekerij € 3.000,-- te hebben ontvangen van die mannen. Het hof acht deze verklaring voldoende aannemelijk en stelt vast dat de betrokkene door middel van het bewezenverklaarde feit een voordeel heeft genoten. Daarom zal het hof bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van de verklaring van de betrokkene. Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op de door de betrokkene naar voren gebrachte en aannemelijk geworden kosten. Nu de betrokkene heeft verklaard dat hij geen dergelijke kosten heeft gemaakt en deze kosten ook niet anderszins aannemelijk zijn geworden, zal het hof geen kosten op het door de betrokkene ontvangen bedrag in mindering brengen. Bovendien stelt het hof vast dat de benadeelde partij in de strafzaak met parketnummer 20-003556-19 in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is verklaard. Het hof stelt het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve vast op een bedrag van € 3.000,--. Op te leggen betalingsverplichting Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gijzeling Met ingang van 1 januari 2020 is het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht direct van toepassing geworden. Het hof zal daarom bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt. Overeenkomstig de afspraak van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) van de rechtspraak hanteert het hof als uitgangspunt bij de berekening van de duur van deze gijzeling dat voor elke volle € 50,-- van de betalingsverplichting één dag wordt gerekend. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht 3 jaren. Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 60 dagen. De toegepaste wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro). Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro). Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 60 dagen. Aldus gewezen door: mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter, mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. H.N. Brouwer, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Dibbits, griffier, en op 26 juli 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. H.N. Brouwer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.