Parketnummer : 20-002408-20 Uitspraak : 7 juli 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 oktober 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-183563-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘belaging’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, naar rato van 2 uren per dag. Daarnaast is aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft daarnaast twee vrijheidsbeperkende maatregelen in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd, te weten een contactverbod met het [slachtoffer] voor de duur van 2 jaren, en een gebiedsverbod voor [adres 2] , zijnde de straat waaraan het [slachtoffer] woonachtig is, voor de duur van 2 jaren. Voor elke vrijheidsbeperkende maatregel geldt dat een vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen per overtreding, met een maximum van 3 maanden per vrijheidsbeperkende maatregel. Beide vrijheidsbeperkende maatregelen zijn door de politierechter dadelijk uitvoerbaar verklaard. Ten slotte heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 1.833,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte is op 5 november 2020 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts ziet het hof, gelet op het in hoger beroep gevoerde betrouwbaarheidsverweer, aanleiding om het vonnis van de politierechter met de navolgende bewijsoverweging aan te vullen. Ten slotte zal het hof – nu het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Aanvullende bewijsoverweging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is en deze niet tot het bewijs zou mogen worden gebezigd. Zo heeft aangeefster verklaard dat de ‘stalking’ begon op 20 maart 2020, terwijl zij later op 12 april 2020 nog heeft gereageerd op berichten van de verdachte. Ook uit de verklaring van de moeder van de verdachte volgt dat eerder sprake lijkt te zijn van een knipperlichtrelatie. Dit sluit ook aan op het berichtenverkeer van 12 april 2020, aldus de verdediging. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Gelet op het dossier, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Haar verklaringen vinden steun in de verklaring van de broer van aangeefster, alsmede in de inhoud van de door de verdachte aan aangeefster verstuurde berichten en in het feit dat zij telkens nieuwe nummers van de verdachte, waarmee hij haar benaderde, heeft geblokkeerd. Het enkele gegeven dat aangeefster op een gegeven moment heeft gereageerd op een bericht van de verdachte dat hij een dierbare heeft verloren en op berichten die hij in vervolg daarop in dezelfde context heeft gestuurd, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. Aangeefster heeft hierover verklaard dat zij uit medelijden heeft gereageerd, wat het hof begrijpelijk acht. Het hof leidt hieruit dan ook niet – zoals de verdediging dat wel doet – af dat aangeefster op dat moment intrinsiek contact wilde hebben met de verdachte en dus geen sprake (meer) zou zijn van belaging. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.683,12, bestaande uit € 83,12 aan materiële schade en € 2.600,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.833,12, bestaande uit € 83,12 aan materiële schade en € 1.750,00 aan immateriële schade. Het toegewezen bedrag is vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, heeft de verdediging verzocht dat het hof het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding zal matigen, nu niet gebleken is dat het slachtoffer is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De gevorderde materiële schadevergoeding ter hoogte van € 83,12, bestaande uit een bedrag van € 79,98 voor de aanschaf van beveiligingscamera’s en een bedrag van € 3,14 voor de gemaakte reiskosten, acht het hof toewijsbaar. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter zake de aanschaf van beveiligingscamera’s en gemaakte reiskosten. Deze posten zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. Het hof zal het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding dan ook integraal toewijzen. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat, maar in een ‘aantasting van de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, lid 1, onder b van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de immateriële schade die de benadeelde partij geleden heeft begroot het hof op basis van de thans beschikbare gegevens omtrent de duur en intensiteit van de door de verdachte veroorzaakte overlast, op grond van genoemd wetsartikel naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.