GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.271.928/01 arrest van 10 augustus 2021 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna: [appellante] , advocaat: mr. J.W.M. Hagelaars te Nijmegen, tegen Gemeenschappelijke regeling Kempisch Bedrijvenpark, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna: KBP, advocaat: mr. J.F. de Groot te Amsterdam, op het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen vonnissen van 4 juli 2018 en 17 juli 2019 tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/306372 / HA ZA 16-244) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep 2.1. [appellante] heeft bij exploot van 15 oktober 2019, en dus tijdig, aangezegd van genoemde vonnissen in hoger beroep te komen met dagvaarding van KBP voor dit hof. 2.2. Op de rol van 28 januari 2020 is de zaak aangebracht en is KBP bij advocaat verschenen. 2.3 Bij arrest van 20 maart 2020 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. 2.4 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - de memorie van grieven - de memorie van antwoord - de akte van 26 januari 2021 - de antwoordakte van 23 februari 2021. 2.5 Daarna zijn de stukken in handen gesteld van het hof voor het wijzen van arrest. 3De beoordeling in hoger beroep 3.1 Het vonnis van 17 juli 2019 is een deelvonnis. In 3.1 en 3.3. in het dictum is een einde gemaakt aan de daar bedoelde geschillen, zodat het vonnis in zover als een eindvonnis heeft te gelden terwijl in 3.4. tot en met 3.11 in het dictum geen einde is gemaakt aan enig deel van het gevorderde, zodat in zover het vonnis als een tussenvonnis moet worden beschouwd. [appellante] is dus ontvankelijk in haar hoger beroep van dit vonnis en van het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 4 juli 2018. Tegen de veroordeling van KBP in het vonnis van 17 juli 2019 tot betaling van € 150.670,49 in hoofdsom is door KBP geen hoger beroep ingesteld, zodat die veroordeling onherroepelijk is. 3.2 [appellante] kan zich niet geheel vinden in de voornoemde (tussen)vonnissen van de rechtbank. Zij stelt zich op het standpunt dat de volgende, door de rechtbank in 3.3. van het dictum in het vonnis van 17 juli 2019 afgewezen, vorderingen toegewezen hadden moeten worden: A) vergoeding van (een deel van) de koopprijs en aankoopkosten van [adres 1] ; B) kosten ter voorkoming van belastingschade; en C) de buitengerechtelijke kosten. 3.3 De rechtbank heeft nog niet op alle vorderingen van [appellante] een (definitieve) beslissing genomen. In het vonnis van 17 juli 2019 heeft de rechtbank in 3.4. e.v. ter zake van de hierna genoemde vorderingen een comparitie van partijen bevolen en iedere verdere beslissing aangehouden. In het kader van een efficiënte procesvoering verzoekt [appellante] om ook over deze posten te beslissen. Het gaat om de volgende vorderingen: D) de leges voor het nieuwe plan; E) de kosten van de landschappelijke inpassing; en F) de inkomensschade. 3.4 Het hof gaat daarin niet mee. Zoals hierna zal blijken, komt het hof tot het oordeel dat het vonnis van 17 juli 2019, voor zover door [appellante] gericht tegen de afwijzing van haar vorderingen, bekrachtigd moet worden. Uit een oogpunt van een goede procesorde verdient het de voorkeur dat de rechtbank eerst over alle resterende vorderingen, ten aanzien waarvan een comparitie van partijen is bevolen, een eindoordeel geeft. Ook is niet gebleken van een eenstemmig verlangen van partijen als bedoeld in art. 355 lid 2 Rv. KBP heeft zich in de memorie van antwoord onder 9.2 gerefereerd aan het oordeel van het hof en dat levert geen verzoek op. 3.5 De door de rechtbank in haar tussenvonnis van 4 juli 2018 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Kort samengevat gaat het over het volgende. KBP is door de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel- De Mierden in het leven geroepen om gezamenlijk een kwalitatief hoogwaardig bedrijvenpark (het Kempisch Bedrijvenpark) te realiseren ten zuiden van het dorp Hapert (gemeente Bladel). Om het bedrijvenpark te kunnen realiseren moest KBP het bedrijf van [appellante] aankopen. [appellante] (en haar overleden echtgenoot) hadden aan [adres 2] in [plaats] een intensieve varkens- en paardenhouderij. Aankoop van het bedrijfsperceel van [appellante] was nodig omdat ter plaatse in een geluidzone en in (delen van) bedrijfskavels was voorzien. De beëindiging van de varkenshouderij was ook nodig in verband met geurhinder op het nieuwe bedrijventerrein. [appellante] beschikte aan de overzijde van haar boerderij over een aantal percelen grond aan [adres 3] . Daar kon geen nieuwe varkenshouderij worden gestart. [appellante] was echter bereid om het boerenbestaan vaarwel te zeggen en in plaats daarvan een recreatieonderneming te beginnen op deze gronden. Daarvoor was een wijziging van het bestemmingsplan ter plaatse nodig. Na intensieve onderhandelingen hebben partijen begin 2010 overeenstemming bereikt. Partijen spraken af dat [appellante] (naast de financiële vergoeding die zij direct kreeg uitbetaald) recht zou hebben op een aanvullende passende schadeloosstelling voor het geval dat het paardenbedrijf annex recreatiebedrijf met horeca als bedoeld in de ruimtelijke onderbouwing van Compositie 5 Stedenbouw d.d. 3 november 2009 niet tijdig vergund zou kunnen worden en dat plan ook niet alsnog met een 'ruimtelijke oplossing' kon worden gerealiseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in juli 2013 bezwaren tegen het bestemmingsplan gegrond geoordeeld. [appellante] had inmiddels gronden met opstallen aan [adres 1] gekocht. Zij heeft daarop in combinatie met gronden aan [adres 3] een recreatiebedrijf ontwikkeld. Daartoe is het bestemmingsplan aangepast. In verband met de wijziging van de plannen vordert [appellante] van KBP de tussen hen overeengekomen aanvullende “passende” schadevergoeding. 3.6 De rechtbank heeft in haar vonnis van 17 juli 2019 het volgende overwogen: “2.1. In het tussenvonnis van 4 juli 2018 heeft de rechtbank bepaald dat [appellante] op basis van de koopovereenkomst tussen partijen van 18 januari 2010 (hierna: de Overeenkomst) recht heeft op een ‘passende schadeloosstelling’, omdat de in 2010 beoogde verplaatsing van haar bedrijf naar [adres 3] niet kon doorgaan en het alternatief - de verplaatsing van haar bedrijf naar de locatie [adres 1] - niet kan worden aangemerkt als een ruimtelijke oplossing zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 sub c van de Overeenkomst. Ten aanzien van de omvang van de bedoelde ‘passende schadeloosstelling’, heeft de rechtbank overwogen dat KBP een vergoeding zal moeten betalen voor de kosten die [appellante] heeft moeten maken en nog zal moeten maken en voor de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden doordat zij haar bedrijf weliswaar alsnog kan verplaatsen, maar dat moet doen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.