GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.278.096/01 arrest van 17 augustus 2021 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] (Spanje), appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. R.W. de Pater te Breda, tegen [geïntimeerde] , voorheen handelend onder de naam [Handelsnaam] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. L.M. Schelstraete te ’s-Hertogenbosch. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/358815 / HA ZA 19-339) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 24 december 2019, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. De in het vonnis genoemde brieven naar aanleiding van het proces-verbaal, heeft het hof niet aangetroffen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 24 maart 2020; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De feiten en het geschil 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. [appellant] is professioneel springruiter en handelaar in paarden. Hij was eigenaar van de paarden [het paard 1] en [het paard 2] . 3.1.2. [geïntimeerde] dreef voor eigen rekening een eenmanszaak handelend onder de naam [Handelsnaam] . Volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel bestonden de activiteiten van deze onderneming uit het fokken en houden van dieren. De eenmanszaak is volgens voornoemd handelsregister sinds 27 mei 2019 als onderneming uitgeschreven. De eenmanszaak van [Handelsnaam] was gevestigd in [vestigingsplaats] . 3.1.3. In de periode van mei 2017 tot en met mei 2018 heeft [appellant] ten behoeve van zijn paarden gebruik gemaakt van de paardenstallen aan het adres [adres] in [plaats] . 3.2. In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg: 3.2.1. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 175.000,00 aan [appellant] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 14 dagen na 14 mei 2019; 3.2.2. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 2.525,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; 3.2.3. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daarin begrepen. 3.3. Het bedrag van € 175.000,00 bestaat uit een – volgens [appellant] –onbetaald gelaten gedeelte van de koopsom met betrekking tot het paard [het paard 1] , een schadevergoeding althans koopsom voor het paard [het paard 2] en een schadevergoeding voor een helm en zadel. 3.4. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. In het tussenvonnis van 28 augustus 2019 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. In het eindvonnis van 24 december 2019 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] als onvoldoende onderbouwd afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. 3.5. [appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van een bedrag van € 170.000,00 te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijk incassokosten. De afgewezen schadevergoeding voor de helm en het zadel is geen onderwerp van het hoger beroep. 4De beoordeling 4.1. Aangezien [appellant] in het buitenland woont, moet het hof ambtshalve vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen. [geïntimeerde] woont in Nederland en daarom is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Dat artikel bepaalt immers dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen kunnen worden voor de gerechten van die lidstaat. 4.2. Beide partijen hebben op de zitting in eerste aanleg gekozen voor het Nederlands recht. Het hof zal de vorderingen daarom Nederlands recht toepassen bij de beoordeling van de vorderingen. [het paard 1] 4.3. Grief 1 van [appellant] richt zich tegen de afwijzing van de vordering van € 100.000,00 die ziet op de verkoop van het paard [het paard 1] . 4.4. Als grondslag van zijn vordering heeft [appellant] aangevoerd (in de dagvaarding in eerste aanleg) dat [geïntimeerde] , op verzoek van [appellant] , het paard verkocht heeft voor een bedrag van € 350.000,00 aan [de koper 1] , woonachtig in Italië. De koopsom zou door [geïntimeerde] aan [appellant] worden voldaan middels betaling van € 250.000,00 en daarnaast zou het paard [het paard 3] in eigendom aan [appellant] worden overgedragen. [geïntimeerde] heeft bedragen van € 40.000,00, € 80.000,00 en € 30.000,00 betaald, zodat er nog een restant van € 100.000,00 onbetaald is gelaten, aldus [appellant] . 4.5. Op de zitting in eerste aanleg verklaarde hij hierover: “Ik heb [het paard 1] aan [geïntimeerde] verkocht voor € 350.000,=. De overeenkomst is niet op schrift gesteld. Het paard is gekeurd voor de verkoop en had geen medische problemen. [geïntimeerde] is een samenwerking met [de koper 1] aangegaan. Daar had ik niets mee te maken. De eerste € 100.000,= van voornoemd bedrag is betaald door [geïntimeerde] door middel van een ruil met het paard [het paard 3] . [geïntimeerde] heeft een deel van het paard verkocht aan [de koper 2] voor een bedrag van € 40.000,=. [de koper 2] heeft dat bedrag op verzoek van [geïntimeerde] aan mij betaald. Ik merk op dat het contract waarop ik als verkoper van [het paard 1] sta voor een bedrag van € 40.000 = (productie 6 bij dagvaarding), een valstrik was. Ik zou [het paard 1] nooit voor een bedrag van € 40.000,= verkopen. Het paard was veel meer waard. Ik moest dit contract tekenen zodat [de koper 2] mij een bedrag van € 40.000,= kon betalen op mijn bankrekening. [geïntimeerde] wilde mij dit bedrag contant betalen, maar dat wilde ik niet. Ik wilde het geld alleen op mijn bankrekening ontvangen. Ik moest daarom van hem dit contract ondertekenen zodat [de koper 2] mij dit bedrag via een bankrekening kon betalen. [geïntimeerde] heeft (een deel van) [het paard 1] verkocht aan [de koper 1] . [de koper 1] heeft in dat verband een bedrag van € 80.000,= aan [geïntimeerde] betaald. [geïntimeerde] wilde € 80.000,= in cash aan mij betalen maar dat wilde ik niet. [geïntimeerde] kon daardoor het bedrag niet aan mij betalen. Om de betaling toch te laten plaatsvinden heeft [naam 1] twee paarden van [geïntimeerde] gekocht voor € 80.000,=. Vervolgens heeft [naam 1] op verzoek van [geïntimeerde] voornoemd bedrag aan mij betaald.” 4.6. In hoger beroep stelt [appellant] “dat [geïntimeerde] op verzoek van [appellant] op zoek is gegaan naar een koper van [het paard 1] . De opdracht was dat het paard verkocht zou worden voor € 350.000 gelet op de staat van dienst. [geïntimeerde] heeft het paard [het paard 1] namens [appellant] verkocht voor € 350.000.” 4.7. Als verweer voert [geïntimeerde] – zakelijk weergegeven – aan dat hij bemiddeld heeft bij de verkoop van het paard [het paard 1] door [appellant] aan Antonio [de koper 2] voor een bedrag van € 40.000,00. Die transactie blijkt uit de door [appellant] zelf overgelegde in het Italiaans opgestelde koopovereenkomst tussen [appellant] als verkoper (“venditore”) en [de koper 2] (“acquirente”). Voor de bemiddeling is [geïntimeerde] niet betaald. 4.8. Het hof overweegt als volgt. [appellant] moet, op grond van (de hoofdregel van) artikel 150 Rv, voldoende onderbouwd de feiten stellen die de toewijzing van zijn vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.