← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2021:2908

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.287.789/01 arrest van 21 september 2021 gewezen in het incident ex artikel 843a Rv in de zaak van [appellant] , handelende onder de naam [handelsnaam] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat: mr. H. den Besten te Almere, tegen

  1. de vennootschap onder firma [Rundveebedrijf] , gevestigd te [vestigingsplaats] , alsmede haar vennoten:
  2. [vennoot 1], wonende te [woonplaats] ,
  3. [vennoot 2], wonende te [woonplaats] ,
  4. [vennoot 3], wonende te [woonplaats] , geïntimeerden in de hoofdzaak, eisers in het incident, advocaat: mr. T.I.P. Jeltema te Veldhoven, op het bij exploot van dagvaarding van 28 oktober 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 5 augustus 2020, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellant – [appellant] – als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en geïntimeerden – [geïntimeerden] – als gedaagden in conventie, eisers in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/256457 / HA ZA 18-528) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven, tevens wijziging c.q. vermeerdering van eis met producties; de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende incidentele vordering, met producties; de antwoordmemorie in het incident van [appellant] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.
  5. Tussen [appellant] en [geïntimeerden] zijn twee overeenkomsten gesloten, strekkende tot verkoop van fosfaatrechten door [geïntimeerden] In de overeenkomsten is vermeld dat [appellant] daarbij handelt in opdracht van niet bij naam genoemde derden (kopers). In de hoofdzaak heeft [appellant] in eerste aanleg veroordeling van [geïntimeerden] gevorderd de fosfaatrechten tegen betaling van de overeengekomen prijs te leveren. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in diens vordering. De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort weergegeven, dat [appellant] weliswaar in beginsel in eigen naam kan procederen voor partijen die onbekend wensen te blijven (onmiddellijke vertegenwoordiging), maar dat dit in het onderhavige geval niet mogelijk is. Bij een toewijzend vonnis zouden de fosfaatrechten immers aan [appellant] moeten worden geleverd, hetgeen niet mogelijk is omdat [appellant] niet bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is geregistreerd als landbouwer, aldus de rechtbank. Bij memorie van grieven heeft [appellant] de namen van de kopers bekendgemaakt en zijn vordering gewijzigd. [appellant] vordert thans veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van schadevergoeding wegens wanprestatie c.q. onrechtmatige daad (primair), althans tot het alsnog leveren van de fosfaatrechten aan de kopers: [persoon A] en [persoon B] (subsidiair). 3.
  6. [geïntimeerden] vorderen in het incident op de voet van artikel 843a Rv afgifte van de volledige procesdossiers in de procedures tussen [appellant] en [persoon A] en tussen [appellant] en [persoon B] , inclusief alle producties, en/of alle met [persoon A] en [persoon B] gevoerde correspondentie aangaande de in het geding zijnde fosfaatrechten, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ter onderbouwing van hun vordering in het incident hebben [geïntimeerden] verwezen naar hetgeen zij in hun verweer tegen grief 3 in principaal hoger beroep hebben aangevoerd (punt 73 e.v. memorie van antwoord/grieven): "
  7. In de opvatting van [geïntimeerden] hebben de gevraagde stukken en correspondentie directe relevantie voor het geschil dat [geïntimeerden] en [appellant] verdeeld houdt, en/of de vorderingen die [appellant] in dat verband tegen [geïntimeerden] heeft ingesteld.
  8. [appellant] stelt immers dat [persoon B] en [persoon A] schade hebben geleden en voorts dat 'zijn' schade bestaat uit 'advocaatkosten, griffierechten en deurwaarderskosten en winstmarge en werk- en reiskosten in de zaak met [persoon A] '.
  9. Daarnaast vordert [appellant] alsnog levering 'van de fosfaatrechten (…) op direct verzoek/aanwijzing van [appellant] (…)', terwijl onduidelijk blijft of dit ook is gevorderd of nog steeds wordt gevorderd door genoemde [persoon A] en [persoon B] , en/of dat [appellant] en genoemde [persoon A] en/of [persoon B] ter zake hun geschillen niet inmiddels een minnelijke regeling hebben getroffen.
  10. [geïntimeerden] heeft des te meer belang bij zijn vordering op dit punt aangezien [appellant] verder nog stelt dat genoemde [persoon A] en [persoon B] 'voorzorgsmaatregelen' zouden hebben getroffen door 'vervangende rechten' te kopen, (…) terwijl onduidelijk blijft of en in hoeverre [appellant] ter zake de hierdoor gestelde 'schade' aan de zijde van [persoon A] en [persoon B] is aangesproken en/of hij hiervoor ter zake is dienen op te komen." 3.
  11. [appellant] heeft verweer gevoerd tegen de vordering in het incident. Volgens [appellant] ontbreekt het rechtmatig belang daarbij, is de vordering te onbepaald, is het verstrekken van procesdossiers in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en is er (bovendien) tussen hem en [persoon B] in het geheel geen gerechtelijke procedure gevoerd. 3.
  12. Het hof overweegt dat op grond van artikel 843a lid 1 Rv degene die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grond van het vierde lid van dat artikel is degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft of onder zich heeft niet gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige, door deze partij aan te voeren redenen zijn of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd. In het algemeen kan van een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 Rv reeds sprake zijn indien degene die afschrift verlangt dat stuk niet tot zijn beschikking heeft maar wel bekend is met het bestaan ervan en dat stuk in de procedure zou willen overleggen. Voldoende is dat het desbetreffende stuk relevant kan zijn voor een niet op voorhand als kansloos aan te merken vordering of verweer. De verlangde stukken moeten voldoende bepaald zijn; voldoende concreet moet worden aangegeven dat en waarom de specifieke stukken van belang zijn, zulks teneinde een 'fishing expedition' te voorkomen. Artikel 843a Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen. 3.
  13. Nu [appellant] heeft betwist dat er tussen hem en [persoon B] een procedure is gevoerd en [geïntimeerden] het tegendeel niet aannemelijk hebben gemaakt, moet de vordering in ieder geval in zoverre worden afgewezen. [appellant] kan niet worden veroordeeld tot afgifte van een niet bestaand procesdossier. Tussen [appellant] en [persoon A] is bij dit hof een procedure aanhangig geweest die heeft geresulteerd in een schikking. [appellant] is bereid (punt 7 van zijn incidentele antwoordmemorie) om die schikking in de onderhavige procedure over te leggen. De vordering van [geïntimeerden] is derhalve in zoverre toewijsbaar. Voor het overige heeft de vordering naar het oordeel van het hof het karakter van een fishing expedition en is de vordering daarom niet toewijsbaar; [geïntimeerden] vragen geen specifieke stukken, maar alle overige stukken in de met [persoon A] gevoerde procedure en alle met [persoon A] en [persoon B] gevoerde correspondentie. Dat en waarom al die overige stukken relevant (kunnen) zijn ter onderbouwing van het standpunt van [geïntimeerden] is het hof niet gebleken. Het belang daarbij hebben [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd. 3.
  14. Gezien het hiervoor overwogene wordt beslist als volgt. Gelet op de bereidheid van [appellant] om de schikking over te leggen - en op het feit dat het hof bij de beoordeling in de hoofdzaak er consequenties aan kan verbinden als [appellant] daartoe niet zou overgaan - zal het hof het opleggen van een dwangsom achterwege laten. De beslissing over de proceskosten van het incident wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. In de hoofdzaak 3.
  15. De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing Het hof: in het incident: veroordeelt [appellant] om binnen vier weken na de uitspraak van dit arrest de in de procedure tussen [appellant] en [persoon A] bereikte schikking aan [geïntimeerden] ter hand te stellen; wijst af het meer of anders gevorderde; houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 2 november 2021 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 september
  16. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.