GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.285.090/01 arrest van 28 september 2021 gewezen in het incident in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. M.A.J. Emonds te 's-Hertogenbosch, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] ,
- [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats] , geïntimeerden in de hoofdzaak, eisers in het incident, advocaat: mr. J.P. Folkertsma te Maastricht, als vervolg op het tussenarrest van 15 december 2020, in het hoger beroep van de vonnissen van 20 november 2019 en 12 augustus 2020 (C/03//261017/HA ZA 19-118), door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerden - [geïntimeerden] - als gedaagden. 5Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 15 december 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast; het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 17 maart 2021; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en incidentele memorie van eis tot onbevoegdheid ex artikelen 223 Rv, 705 Rv en 701 Rv, met producties; de antwoordmemorie in het incident van [appellante] ; Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.
- Tussen partijen is kort gezegd in geschil aan wie acht paarden, die gestald stonden bij een derde ( [persoon A] ) in Duitsland, in eigendom toebeho(o)r(d)en, aan [appellante] of aan geïntimeerde sub 1 ( [geïntimeerde 1] ). [appellante] vordert in de hoofdzaak in conventie (anders dan de in de aanhef genoemde eis tot onbevoegdheid): voor recht te verklaren dat het paard [paard] haar in eigendom toebehoort; afgifte van dat paard en de bijbehorende papieren, op straffe van een dwangsom; voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld door de overige paarden (en de veulens van [paard] ) aan derden te verkopen; hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] om de schade die daarvan het gevolg is te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. In reconventie hebben [geïntimeerden] in de hoofdzaak opheffing gevorderd van door [appellante] gelegde conservatoire beslagen. Bij het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank [geïntimeerde 1] opgedragen te bewijzen dat hij de paarden op of omstreeks 2 maart 2014 van [appellante] heeft gekocht en in eigendom overgedragen heeft gekregen. Nadat de rechtbank getuigen had gehoord is zij in het bestreden eindvonnis tot het oordeel gekomen dat [geïntimeerde 1] is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] in conventie afgewezen. Ook de vordering van [geïntimeerden] in reconventie heeft de rechtbank afgewezen. 3.
- [geïntimeerden] vorderen in het incident: [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen in de hoofdzaak voor zover gericht tegen geïntimeerde sub 2 (hierna: [geïntimeerde 2] ); primair: opheffing van alle door [appellante] ten laste van [geïntimeerden] gelegde conservatoire beslagen, namelijk de beslagen die zijn gelegd op de op bladzijde 44 van de memorie van [geïntimeerden] genoemde percelen en op het paard [paard] ; [appellante] te verbieden opnieuw conservatoir beslag te doen leggen ten laste van [geïntimeerden] , op straffe van verbeurte van een dwangsom; subsidiair: als voorwaarde voor de instandhouding van de beslagen te bepalen dat [appellante] binnen zeven dagen zekerheid moet stellen in de vorm van een bankgarantie voor een bedrag van € 30.000,-. [appellante] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen in het incident. Op de stellingen van partijen zal hierna voor zover nodig worden ingegaan. 3.
- Ter onderbouwing van de vordering in het incident onder 1 hebben [geïntimeerden] aangevoerd dat uit geen van de processtukken kan worden opgemaakt op grond waarvan [appellante] meent dat zij [geïntimeerde 2] in rechte kan aanspreken. [geïntimeerde 2] heeft niets te maken met het feitelijk slechts tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] bestaande geschil. [geïntimeerden] wensen daarover nu al een uitspraak te verkrijgen. Het hof overweegt dat deze vordering in het incident geen exceptief verweer betreft als bedoeld in artikel 128 lid 3 Rv (een verweer van processuele aard voorafgaand aan de beoordeling van de materiële rechtsbetrekking), zoals een beroep op een nietige dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechter of de niet-ontvankelijkheid van een procespartij. Het desbetreffende verweer raakt daarentegen de materiële rechtsbetrekking tussen partijen. Evenmin is naar het oordeel van het hof sprake van een (niet in de wet geregelde) incidentele vordering waarop, gezien de aard van de zaak, eerst en vooraf behoort te worden beslist (artikel 209 Rv). Het verweer dat [geïntimeerde 2] in het geheel niet feitelijk betrokken was bij het geschil over de paarden laat zich in het kader van dit incident niet los van de overige standpunten van partijen in de hoofdzaak en los van [geïntimeerde 1] ' rol beoordelen. Een behandeling van het verweer in dit incident leidt niet tot een doelmatige(re) procesvoering. De beoordeling dient daarom in de hoofdzaak bij de beoordeling van de grieven plaats te vinden. Het hof zal de vordering in het incident onder 1 afwijzen. 3.
- Ten aanzien van de vorderingen onder 2 stelt het hof het volgende voorop. Voor toewijzing van een voorlopige voorziening gedurende de duur van het geding is nodig dat het gaat om een vordering die samenhangt met de hoofdvordering (artikel 223 lid 2 Rv). Het karakter van de voorziening brengt voorts met zich dat de eiser in het incident een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdzaak moet afwachten. Bij een beslissing op de vordering dient het belang van de eiser bij toewijzing van de vordering te worden afgewogen tegen het belang van de verweerder om de afloop van de procedure af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval (waaronder de mate van aannemelijkheid van een toewijzing van de vordering in de hoofdzaak, de te verwachten duur van het geding en het eventuele restitutierisico), worden betrokken. 3.
- Met betrekking tot de vordering onder 2 overweegt het hof dat een conservatoir beslag dient te worden opgeheven bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of - zo het beslag is gelegd voor een geldvordering - indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld (artikel 705 lid 2 Rv). Wat betreft de grond dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht, geldt dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die opheffing vordert aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Beslist moet worden aan de hand van hetgeen door beide partijen naar voren is gebracht en summier met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. 3.
- In het eindvonnis heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerden] in reconventie tot opheffing van de beslagen afgewezen. Volgens de rechtbank (rechtsoverweging 3.4 van het eindvonnis) hebben [geïntimeerden] hun belang bij opheffing (eerder dan nadat het eindvonnis in conventie in kracht van gewijsde is gegaan) onvoldoende onderbouwd en heeft [appellante] haar belang bij instandhouding van het beslag behouden. 3.
- [geïntimeerden] hebben geen nieuwe, zich na het bestreden eindvonnis voorgedane feiten en omstandigheden aangevoerd die een belangenafweging in hun voordeel kunnen doen uitvallen. Het belang dat [geïntimeerden] ten aanzien van één van de onroerende zaken hebben aangevoerd (mogelijke verkoop) bestond reeds ten tijde van het wijzen van het bestreden eindvonnis, zo blijkt uit productie 39 van [geïntimeerden] hebben niet aangevoerd dat er op dit moment concrete plannen of mogelijkheden zijn om de onroerende zaak te verkopen. Met betrekking tot de overige onroerende zaken hebben [geïntimeerden] in het geheel niet aangevoerd welk belang zij erbij hebben dat de daarop gelegde beslagen worden opgeheven. Dat die beslagen op enigerlei wijze schade toebrengen aan of anderszins tot last zijn van [geïntimeerden] , is gesteld noch gebleken. 3.
- Als belang bij opheffing van het beslag op het paard [paard] (subsidiair: bij zekerheidstelling) hebben [geïntimeerden] aangevoerd dat zij als gevolg van het beslag kosten moeten (blijven) maken voor de stalling en verzorging van het paard zolang het beslag voortduurt. [geïntimeerden] hebben echter in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk kosten (moeten) maken. [geïntimeerden] hebben geen facturen in het geding gebracht en hebben die kosten niet gespecificeerd. Bovendien hebben [geïntimeerden] in punt 156 van hun memorie van grieven aangevoerd dat het paard op 1 augustus 2018 - nog voordat op 1 februari 2019 beslag op het paard werd gelegd, zie productie 11 bij inleidende dagvaarding - eigendom is geworden van een derde, [derde] , die het paard later bij [geïntimeerden] heeft gestald. Daarvan uitgaande valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom de stallings- en verzorgingskosten thans nog voor rekening van [geïntimeerden] zouden komen. Dat [geïntimeerden] (voldoende) belang hebben bij opheffing van het beslag op het paard [paard] is dus niet gebleken. Nu niet aannemelijk is, zoals overwogen, dat het beslag [geïntimeerden] met kosten opzadelt, bestaat er evenmin aanleiding te bepalen dat [appellante] daarvoor zekerheid moet stellen. 3.
- Gezien het voorgaande dient naar het oordeel van het hof het belang van [appellante] bij instandhouding van het beslag tot zekerheid van haar vorderingen te prevaleren en bestaat er geen aanleiding te bepalen dat [appellante] zekerheid moet stellen. Ook de vordering onder 2 moet worden afgewezen. 3.
- Het hof zal de beslissing omtrent de proceskosten van het incident aanhouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak. In de hoofdzaak 3.
- De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing Het hof: in het incident: wijst de vorderingen af; houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 9 november voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 september
- griffier rolraadsheer