← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2021:2956

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.292.396/01 arrest van 28 september 2021 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats], appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg aan de Geul, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat: mr. R.A.G. Smeets te Maastricht, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest in het incident van 22 juni 2021, in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 8415730 CV EXPL 20-1418 gewezen vonnis van 10 maart

  1. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest in het incident van 22 juni 2021 waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor akte aan de zijde van [appellant]; de memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, met producties; de akte in het incident van [appellant]; de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 6De verdere beoordeling in het incident 6.
  2. Bij genoemd tussenarrest is [appellant] in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op de stelling van [geïntimeerde] in diens antwoordmemorie in het incident dat op 1 april 2021 ontruiming van het gehuurde heeft plaatsgevonden en dat [appellant] daarom geen enkel (rechts)belang meer heeft bij zijn vordering in het incident. Die vordering strekt tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Bij dat vonnis is [appellant] op vordering van [geïntimeerde] onder meer veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. 6.
  3. Bij akte heeft [appellant] bevestigd dat het gehuurde op 1 april 2021 feitelijk is ontruimd. [appellant] refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vraag of hij nog belang heeft bij zijn vordering in het incident. [appellant] verzet zich wel tegen een proceskostenveroordeling in het incident ten laste van hem. 6.
  4. Nu door [appellant] in het geheel niet is aangevoerd welk belang hij nu nog heeft bij zijn vordering in het incident, is die vordering niet toewijsbaar. Het hof zal de vordering in het incident daarom afwijzen. 6.
  5. Het hof zal de beslissing over de kosten van het incident aanhouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. In de hoofdzaak 6.
  6. De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing Het hof: in het incident: wijst de vordering af; houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 26 oktober 2021 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 september
  7. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.