← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2021:3025

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.288.104/01 arrest van 5 oktober 2021 gewezen in het incident ex artikel 843a Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. J.J.Th. van Stiphout te Helmond, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat: mr. T. Delmée te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 24 december 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 oktober 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8334874 / CV EXPL 20-863) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven, tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 843a Rv; de memorie van antwoord, tevens houdende antwoordmemorie in het incident. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald in het incident. 3De beoordeling In het incident 3.

  1. Het hof gaat in dit incident uit van de volgende feiten: 3.1.
  2. In de nacht van 4 maart 2019 heeft [appellant] met zijn voertuig schade veroorzaakt aan het pand, gelegen aan de [adres] tot en met [huisnummer] te [plaats], dat in eigendom toebehoort aan [geïntimeerde] . 3.1.
  3. [geïntimeerde] heeft [appellant] bij gewone en aangetekende brief van 18 december 2019 gesommeerd de door hem geleden schade ter hoogte van € 11.671,37 aan hem te vergoeden. [geïntimeerde] heeft [appellant] bij die brief ook de buitengerechtelijke incassokosten aangezegd. 3.1.
  4. [geïntimeerde] heeft geen betaling van [appellant] ontvangen. 3.
  5. Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van het door hem gevorderde schadebedrag van € 11.671,37, vermeerderd met de wettelijke rente. [appellant] is ook veroordeeld in de proceskosten. 3.
  6. [appellant] is van dat vonnis in hoger beroep gekomen en vordert in dit incident [geïntimeerde] te veroordelen tot overlegging van de door hem betaalde facturen met betrekking tot het repareren van de schade aan de glazen pui op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,
  7. [appellant] stelt in dat verband dat hij zich niet kan voorstellen dat er daadwerkelijk een bedrag van € 11.671,37 is voldaan voor de reparatie van een beschadigde glazen pui en er daarom een rechtmatig belang bij te hebben om de facturen te zien die bij [geïntimeerde] in rekening zijn gebracht en door hem zijn betaald met betrekking tot het herstel van de glazen pui. 3.
  8. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] bij memorie van antwoord, tevens antwoordmemorie in het incident, de gevraagde stukken in het geding heeft gebracht: een factuur van een bouwbedrijf van 21 juni 2021 ter zake van reparatie van aanrijschade ter hoogte van € 11.139,14 en een betaalbevestiging van dat bedrag. Dit betekent dat [appellant] geen belang heeft bij zijn incidentele vordering. Deze zal dan ook worden afgewezen. 3.
  9. De proceskosten van dit incident zullen worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. In de hoofdzaak 3.
  10. De zaak wordt naar de rol verwezen voor 2 november 2021 voor beraad partijen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing Het hof: in het incident: wijst de incidentele vordering van [appellant] af; houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 2 november 2021 voor beraad partijen; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 oktober
  11. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.