GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 18 november 2021 Zaaknummer: 200.291.490/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/02/366120 FA RK 19-6254 in de zaak in hoger beroep van: [de stiefvader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de stiefvader, advocaat: mr. W.H.P. de Jongh. In deze zaak zijn als belanghebbenden aangemerkt: [de dochter] , geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] , hierna: [de dochter] ; [de moeder] , de moeder van [de dochter] , hierna: de moeder; [de vader] , de vader van [de dochter] , hierna: de vader. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 december 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 maart 2021, heeft de stiefvader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn verzoek tot adoptie van [de dochter] alsnog toe te wijzen. 2.2. Er is geen verweerschrift ingekomen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de stiefvader, bijgestaan door mr. De Jongh; - [de dochter] ; - de moeder. 2.3.1. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de stiefvader d.d. 9 april 2021; - de ter mondelinge behandeling van het hof door de advocaat van de stiefvader overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen. 3De beoordeling 3.1. Uit de relatie van de moeder en de vader zijn [de dochter] (op [geboortedatum] 1989) en haar jongere broer [de broer] (op [geboortedatum] 1991) geboren.De vader heeft [de dochter] erkend op 18 december 1989. De vader en de moeder zijn uiteengegaan in 1991. De moeder was met het eenhoofdig gezag over [de dochter] belast. 3.2. In 2000 hebben de moeder en stiefvader een relatie gekregen en zijn zij gaan samenwonen. Op 20 maart 2001 zijn de moeder en stiefvader met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 12 oktober 2001 is de stiefvader op grond van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (BW) gezamenlijk met de moeder belast met het gezag over [de dochter] en [de broer] en is hun geslachtsnaam gewijzigd in [geslachtsnaam stiefvader] . 3.3. Op 3 december 2019 heeft de stiefvader bij inleidend verzoekschrift de rechtbank verzocht de adoptie uit te spreken van [de dochter] als zijn dochter. 3.4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, het verzoek van de stiefvader tot adoptie van [de dochter] afgewezen. De rechtbank heeft daarbij – kort samengevat – geoordeeld dat niet aan de voorwaarden van artikel 1:228 lid 1 sub a (voorwaarde van minderjarigheid) en sub c (voorwaarde dat adoptant ten minste achttien jaar ouder is dan het kind) BW is voldaan en dat voorts geen sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden waarmee (met een beroep op artikel 8 EVRM) voorbij kan worden gegaan aan deze twee wettelijke voorwaarden voor adoptie. 3.5. De stiefvader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.6. De stiefvader voert - kort samengevat - het volgende aan. [de dochter] heeft last van de formeel juridische band met de vader, aangezien ze slechts negatieve herinneringen aan hem heeft. Bovendien zou zij de band met de stiefvader juist graag bevestigd zien vanwege de vaderrol die hij in haar leven speelt en de band die zij met hem heeft. De vader berust in de adoptie door de stiefvader. Alle belanghebbenden zijn het dus eens, zodat de adoptie kan plaatsvinden. De stiefvader erkent dat niet aan de wettelijke vereisten voor adoptie is voldaan. Er doen zich echter bijzondere omstandigheden voor. De stiefvader wijst erop dat [de dochter] getuige is geweest van geweld van de vader jegens de moeder en dat de moeder met de kinderen naar een blijf-van-mijn-lijf-huis is gevlucht. De traumatische gebeurtenissen hebben tot psychische en somatische klachten geleid bij [de dochter] . De angst voor de vader is er altijd gebleven, mede vanwege latere gebeurtenissen waarbij de vader zich dreigend uitte richting de moeder. Sinds 2000 woonde [de dochter] in gezinsverband met de stiefvader en onderhouden zij nauwe banden. Zij zien elkaar als vader en dochter en zij dragen dezelfde achternaam. Er is sprake geweest van langdurige en intensieve zorg voor [de dochter] als kind. De stiefvader heeft [de dochter] opgevoed, verzorgd en gevormd tot de persoon die zij nu is en hij heeft [de dochter] gesteund en begeleid in de verwerking van haar trauma’s. De wet weerhoudt de stiefvader ervan volwaardig vader te zijn van [de dochter] , terwijl hij haar altijd als zijn eigen kind heeft beschouwd. [de dochter] heeft van de vader tot deze procedure niets meer vernomen. Bij life-events wordt [de dochter] steeds met haar vader geconfronteerd en dat grijpt diep in. Door te oordelen dat afwijzing van het verzoek geen belemmering oplevert voor de stiefvader om feitelijk een gezinsleven met [de dochter] te onderhouden, wordt miskend dat juist bij belangrijke gebeurtenissen in het leven van [de dochter] steeds weer pijnlijk duidelijk wordt dat niet de stiefvader, maar de vader in officiële documenten wordt genoemd. [de dochter] heeft een kinderwens en het zou zeer belastend zijn voor [de dochter] als de vader op de geboorteakte zou worden vermeld. De stiefvader heeft gewacht met het verzoek tot adoptie omdat hij wilde wachten tot het ook een weloverwogen en bewuste keuze van [de dochter] zou zijn om door de stiefvader te worden geadopteerd. Daarbij komt dat veel energie en aandacht is uitgegaan naar het jarenlange herstel van [de dochter] na een ernstig ongeval van dat zij heeft gehad rond haar achttiende verjaardag. Geen van de betrokkenen was op dat moment opgewassen tegen een confrontatie met de vader in het kader van een adoptieprocedure. Het leeftijdsverschil tussen de vader en [de dochter] is nét geen 18 jaar; het tekort van zestien dagen is verwaarloosbaar. Daarbij komt dat het leeftijdsverschil tussen [de dochter] en de moeder ook slechts zestien jaar is; het is niet vreemd dat de moeder een partner heeft gevonden die ongeveer zo oud is al zij, met een leeftijdsverschil tussen [de dochter] en stiefvader van iets minder dan achttien jaar tot gevolg. [de dochter] en stiefvader hebben van dat relatief kleine leeftijdsverschil nimmer last ondervonden. 3.7. [de dochter] heeft ter mondelinge behandeling van het hof – kort samengevat – (op vragen van het hof) het volgende verklaard. [de dochter] identificeert zich niet met de vader en zij herkent zichzelf niet in het stukje (Turkse) DNA dat zij van de vader heeft gekregen. Zij identificeert zich uitsluitend met het Nederlands-Indonesische DNA dat zij draagt (van de zijde van de moeder) en hetgeen zij in de Nederlandse opvoeding van de stiefvader heeft meegekregen. [de dochter] heeft nooit de behoefte gehad zich te verdiepen in haar Turkse afkomst. [de dochter] heeft er nog dagelijks last van dat zij officieel en juridisch de dochter van de vader is. Zij heeft nooit een normaal leven gehad; altijd ‘over haar schouder’ moeten kijken vanwege de agressieve en obsessieve neigingen van de vader. Nog steeds leeft [de dochter] in angst dat de vader haar komt opzoeken en dat hij haar meeneemt. [de dochter] gelooft niet in hetgeen de vader in eerste aanleg heeft verklaard, dat hij berust in de adoptie, aangezien hij jarenlang bedreigingen heeft geuit en manieren heeft gezocht [de dochter] te raken. Het is voor [de dochter] belangrijk dat zij bij een eventuele dreiging vanuit de vader kan zeggen dat hij een vreemde is, die juridisch niet met haar verbonden is. Anderzijds wil zij kunnen aantonen dat zij onderdeel uitmaakt van een systeem waarin de stiefvader haar vader is. 3.7. Het hof overweegt het volgende. 3.7.1. Ingevolge artikel 1:227, eerste lid BW geschiedt adoptie door een uitspraak van de rechter op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. 3.7.2. Het hof overweegt verder dat het verzoek ingevolge artikel 1:227, derde lid, BW vervolgens slechts alleen kan worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind en op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW, wordt voldaan. In dit geval draait het met name om de voorwaarde van minderjarigheid van het kind (lid 1 aanhef en sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.