GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.292.972/01 arrest van 7 december 2021 gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats ] , Nigeria , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats ] , 2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats ] , geïntimeerden in de hoofdzaak, verweersters in het incident, hierna te noemen: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , tezamen: [geïntimeerden] , advocaat: mr. A.G.W. van Kessel te Leeuwarden, op het bij exploot van dagvaarding van 16 maart 2021 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 27 maart 2019 en 23 december 2020, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen in de zaak met zaak-/rolnummer C/03/249255 / HA ZA 18-211 tussen [appellant] als eiser in het verzet en [geïntimeerde 1] als gedaagde in het verzet en in de zaak met zaak-/rolnummer C/03/246861 / HA ZA 18-109 tussen [geïntimeerde 2] als eiseres en [appellant] als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummers C/03/249255 / HA ZA 18-211 en C/03/246861 / HA ZA 18-109) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv; de antwoordmemorie in het incident met productie. Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn beiden in dienst geweest van twee in Nederland gevestigde vennootschappen, Consolidated Projects Ltd ( CPL ) en Sea Trucks Netherlands Coöperatie U.A. ( STN ) . Deze vennootschappen zijn gelieerd aan de onderneming Sea Trucks Group , gevestigd te [vestigingsplaats] , Nigeria . [appellant] is enig aandeelhouder van deze laatste onderneming en was bestuurder van CPL . 3.2. Tussen partijen is in geschil in welke hoedanigheid [appellant] een overeenkomst heeft gesloten met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op grond waarvan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij wijze van pensioen/loyaliteitsbonus aanspraak maken op een maandsalaris per gewerkt jaar voor CPL en STN : in privé of namens het bedrijf Sea Trucks Group . 3.3. Bij eindvonnis van 23 december 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] heeft te gelden als de contractspartij van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en persoonlijk aansprakelijk is voor de betaling van het toegekende pensioen/loyaliteitsbonus. De rechtbank heeft dit oordeel gebaseerd op een in haar opdracht opgemaakt rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) ter beantwoording van de vraag op welke wijze overeenkomsten naar Nigeriaans recht worden uitgelegd. Vervolgens heeft de rechtbank in beide zaken voor recht verklaard dat tussen partijen op 11 oktober 2013 een overeenkomst tot stand is gekomen. [appellant] is in de zaak met zaak-/rolnummer C/03/249255 / HA ZA 18-211 veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde 1] van een bedrag van € 158.911,80 aan hoofdsom en tot betaling van de proceskosten, beslagkosten en nakosten. In de zaak met zaak-/rolnummer C/03/246861 / HA ZA 18-109 is [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde 2] van een bedrag van € 45.525,00 en tot betaling van de proceskosten en nakosten. Het vonnis is in beide zaken uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.4. [appellant] komt onder meer van bovengenoemd vonnis in hoger beroep en vordert in incident schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis. [geïntimeerden] voeren hiertegen verweer. 3.5. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende heeft te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.