← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2021:3740

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 16 december 2021 Zaaknummer : 200.299.116/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/382169 / JE RK 21-250 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R. Laatsman, tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] . Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt: [de vader] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. A.P.M.A. Laeyendecker. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, locatie: [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 maart 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 augustus 2021, heeft de moeder het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, voormelde beschikking te vernietigen en al dan niet opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen (en de uithuisplaatsing te beëindigen). 2.
  2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 oktober 2021, heeft de GI het hof verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep. 2.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november
  4. Bij die gelegenheid is uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde geweest en zijn gehoord: - mr. Laatsman; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI]; - mr. Laeyendecker; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad]. 2.3.
  5. De moeder en de vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.
  6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 februari 2021; het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 10 september
  7. 3De beoordeling Ontvankelijkheid 3.
  8. Ingevolge artikel 806 lid 1 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. 3.
  9. Het beroepschrift van de moeder is door de griffie van het hof ontvangen op 30 augustus 2021, dus ná het verstrijken van de beroepstermijn. Nu het beroepschrift van de moeder buiten de wettelijke termijn is ingediend en de appeltermijn van openbare orde is, dient het hof ambtshalve te toetsen of het beroep van de moeder niettemin ontvankelijk is. 3.
  10. De moeder voert in haar beroepschrift aan dat zij pas later door toeval op de hoogte is gekomen van de uitspraak van de rechtbank. Zij meent dat nu zij in hoger beroep is gekomen binnen drie maanden nadat de uitspraak haar bekend is geworden, zij ontvankelijk is in haar hoger beroep. Op 23 juli 2021 is door de gezinsvoogd de informatie met betrekking tot het ingediende verzoekschrift met de bijbehorende uitspraak per email verzonden aan de advocaat van de moeder. 3.
  11. De GI meent dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar ingediende hoger beroep nu dit te laat, buiten de termijn van drie maanden, is ingesteld. Zij wijst erop dat de advocaat van de moeder aanwezig was bij de mondelinge behandeling op 2 juni 2021 aangaande de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] en dat toen is besproken dat er sprake was van een uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis op basis van de thans bestreden beslissing. De moeder en haar advocaat wisten dus voor afloop van de beroepstermijn al van het bestaan van de machtiging uithuisplaatsing van 5 maart
  12. 3.
  13. De raad heeft zich ter mondelinge behandeling niet uitgelaten over de ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek in hoger beroep. 3.
  14. Het hof is van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk is in het hoger beroep. Het hof stelt voorop dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt en dat rechtsmiddeltermijnen strikt moeten worden gehandhaafd. Dat het beroepschrift buiten de wettelijke beroepstermijn is ingekomen ter griffie van het hof, is niet betwist. Uit de door het hof ambtshalve bij de rechtbank opgevraagde informatie volgt dat de bestreden beschikking op 5 maart 2021 aan de moeder is verzonden naar het adres waar zij op dat moment volgens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven. Ter mondelinge behandeling heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld hiervan kennis te nemen en hierop te reageren. Partijen hebben zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof constateert op grond van het voorgaande dat de bestreden beschikking op de voet van art. 805 Rv onverwijld en correct aan de moeder is verzonden. Gelet op art. 806 lid 1, sub a, Rv had de moeder binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep moeten instellen. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ook overigens is het hof niet of onvoldoende van bijzondere omstandigheden gebleken die maken dat sprake is van een situatie waarin een uitzondering gerechtvaardigd is. Het hof concludeert dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep. 4De beslissing Het hof: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep van de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 maart
  15. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, H. van Winkel en P.M.M. Mostermans en is op 16 december 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.