GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 30 december 2021 Zaaknummer : 200.301.646/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/01/373182 / JE RK 21-1194 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.A. Knopper, tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI). Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] . Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Oost-Brabant, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. In het kort De moeder is het niet eens met de uithuisplaatsing van [minderjarige] . 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 2 september 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift van 25 oktober 2021, met producties, ingekomen bij het hof op 27 oktober 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI ten aanzien van de uithuisplaatsing alsnog af te wijzen als ongegrond en onbewezen. 2.
- De GI heeft op 24 november 2021 een verweerschrift ingediend en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.
- Het hof heeft voorts ontvangen: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, ingekomen bij het hof op 15 november 2021; - het V8 formulier advocaat van de moeder van 23 november 2021, met bijlage, ingekomen bij het hof op diezelfde datum; - het V8-formulier van de advocaat van de moeder van 6 december 2021, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 december
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] . 2.4.
- De raad is - met kennisgeving vooraf - niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 3De beoordeling 3.
- De moeder en de vader zijn de ouders van: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] . 3.
- Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. 3.
- [minderjarige] woont bij de moeder. 3.
- [minderjarige] staat met ingang van 18 januari 2017 onafgebroken onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 18 januari
- 3.
- Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 2 september 2021 tot 18 januari 2022 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. 3.
- De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
- Het hof stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] door de GI niet ten uitvoer is gelegd binnen de daartoe door artikel 1:265c lid 3 BW gestelde termijn van drie maanden. De GI heeft dit bevestigd tijdens de mondelinge behandeling en daarnaast aangegeven dat het niet gelukt is om tijdig een plek voor [minderjarige] te vinden. Dit betekent dat de door de rechtbank in de bestreden beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op grond van artikel 1:265c lid 3 BW is vervallen. 3.
- Gelet op het voorgaande komt het hof aan een inhoudelijke behandeling van de zaak niet toe. 3.
- Het overweegt ten overvloede dat van een rechtmatigheidstoets geen sprake kan zijn. Nog afgezien van het feit dat partijen hier niet om hebben verzocht, wijst het hof in dit verband naar de uitspraak van het hof Den Haag van 10 mei 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:1535), waaruit volgt dat indien de machtiging tot uithuisplaatsing niet ten uitvoer is gelegd en ook niet meer ten uitvoer kan worden gelegd, er geen inbreuk is (of kan worden) gemaakt op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven van de ouder er dus in beginsel geen sprake is van een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen. 3.
- Gelet op het voorgaande zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. Dit leidt tot de volgende beslissing. 4De beslissing Het hof: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep; Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.P. de Beij en E.M.C. Dumoulin en is door mr. C.N.M. Antens op 30 december 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.