← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2021:516

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.286.108/01 arrest van 23 februari 2021 in de zaak van [de vennootschap] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, hierna aan te duiden als: [appellante ] , advocaat: mr. R.C.M. Michielsen te Uden, tegen Belastingadvies- en Accountancykantoor [belastingadvies- en accountancykantoor] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] , advocaat: mr. R.L.A. van Buul te Eindhoven, als vervolg op de door het hof gegeven rolbeslissing van 8 december 2020 in de procedure tot vernietiging van de arbitrale vonnissen van 10 december 2019 en 30 juni

  1. 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding tot vernietiging van arbitrale vonnissen van 29 september 2020; het exploot van anticipatie van 16 november 2020; het exploot van 23 november 2020 waarmee eiseres [accountants b.v.] zich heeft teruggetrokken uit de procedure; de rolbeslissing van 8 december 2020; de akte van appellante van 22 december 2020; de akte van geïntimeerde van 5 januari
  2. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. 2De verdere beoordeling 2.
  3. Bij genoemde rolbeslissing is [appellante ] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het ingestelde rechtsmiddel tot vernietiging. 2.
  4. In haar akte stelt [appellante ] zich kort gezegd op het standpunt dat in het herstelvonnis van 30 juni 2020 het eerdere vonnis van 10 december 2019 is herzien, ook wat betreft de datum, zodat de beroepstermijn van drie maanden is te rekenen vanaf 30 juni
  5. [appellante ] wijst er op dat de arbiter niet expliciet heeft bepaald dat de datum van het vonnis van 10 december 2019 ongewijzigd bleef. Verder speelt volgens [appellante ] een rol dat door ziekte van de arbiter de rectificatie onredelijk lang op zich heeft laten wachten. Zou de rectificatie eerder zijn ontvangen, dan zou – afhankelijk van de uitkomst – ook eerder een vernietigingsactie zijn ingesteld. Voor het geval de ontvankelijkheid niet aanstonds wordt toegewezen verzoekt [appellante ] het hof een prejudiciële vraag te stellen over de vraag wanneer de beroepstermijn tegen een arbitragevonnis gaat lopen in het geval het eerste vonnis is hersteld in een tweede vonnis met een nieuwe (en dus gewijzigde) datum. 2.
  6. [geïntimeerde] bestrijdt dat de arbiter de datum van het eerste vonnis heeft gewijzigd. Verder volgt volgens [geïntimeerde] uit artikel 1060 lid 1 en lid 6 Rv dat de verbetering deel wordt van het oorspronkelijke vonnis van 10 december
  7. Gelet op de termijnen van artikel 1064a Rv en de betekening van het vonnis op 14 februari 2020, concludeert [geïntimeerde] dat de bevoegdheid tot het instellen van de vordering tot vernietiging van het vonnis van 10 december 2019 op 15 mei 2020 is vervallen. 2.
  8. Het hof oordeelt als volgt. In het arbitrale vonnis van 10 december 2019 is beslist over de gehele vordering. Dat kwalificeert het vonnis van 10 december 2019 als een eindvonnis. In het vonnis van 30 juni 2020 heeft het scheidsgerecht beslist op het verzoek van [appellante ] om vier fouten te corrigeren. Het scheidsgerecht heeft twee fouten (een kennelijke rekenfout en een kennelijke verschrijving), op de voet van artikel 47 NAI Reglement op 30 juni 2020 gerectificeerd. Voor het overige is het rectificatieverzoek afgewezen. Dit kwalificeert het vonnis van 30 juni 2020 als een herstelvonnis in de zin van artikel 1060 Rv. 2.
  9. Op grond van het bepaalde in artikel 1064a lid 2 Rv is de termijn waarbinnen een vordering tot vernietiging uiterlijk moet worden ingesteld drie maanden. Artikel 1065 lid 7 Rv bepaalt in afwijking van deze regel dat de termijn voor het instellen van een vordering tot vernietiging vervalt drie maanden na de dag van verzending van de verbetering van het vonnis zoals bedoeld in artikel 1060 Rv. 2.
  10. De verbetering van het vonnis dateert van 30 juni
  11. De datum van verzending van deze verbetering is het hof onbekend, maar aangezien de dagvaarding tot vernietiging van arbitrale vonnissen dateert van 29 september 2020 en dus is uitgebracht binnen de termijn van drie maanden na de dag van de verbetering, is de conclusie dat [appellante ] ontvankelijk is in haar vordering tot vernietiging. 2.
  12. De zaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3De uitspraak Het hof: verstaat dat [appellante ] ontvankelijk is in de door haar ingestelde vordering tot vernietiging; verwijst de zaak naar de rol van 6 april 2021 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] ; iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 februari
  13. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.