Parketnummer : 20-002000-18 Uitspraak : 24 februari 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-993298-14 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] ( [land] ), [adres] , thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Rijnmond - HvB De IJssel te Krimpen aan den IJssel. Hoger beroep Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof bij arrest de gevangenneming van verdachte zal bevelen. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde sancties en de motivering daarvan, en met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met de navolgende bewijsmiddelen en -overwegingen. Aanvullende bewijsmiddelen Naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de navolgende bewijsmiddelen. Het hof vult het bronnenoverzicht voor de bewijsmiddelen als vermeld op pagina 2 van het vonnis aan met de volgende bron: 6. het proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 23 juli 2020, betreffende het verhoor van de getuige [getuige 1] . In de navolgende aanvullende bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar een van de bronnen genoemd in het overzicht op pagina 2 van het vonnis of naar deze aanvullende bron. Alle te noemen processen-verbaal zijn – tenzij anders is weergegeven – in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. Bron 1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 5 april 2018 Het hierna vermelde bewijsmiddel is afkomstig uit ‘Bron 1’. Er lag een Blackberry in mijn woning. Toen er een bericht binnenkwam op die Blackbery terwijl de politie in mijn woning was, keek ik inderdaad naar die Blackberry. Bron 2. Eindproces-verbaal De hierna vermelde bewijsmiddelen zijn afkomstig uit ‘Bron 2’. - Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 30 maart 2015, V01-010, map 1, p. 222, voor zover dit inhoudt als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] : Vraag verbalisanten: Bij de doorzoeking op 12 augustus 2014 is onder meer een Blackberry telefoon van jou (A.02.04.009) in beslag genomen. (…) Waarom maak je in het mailverkeer middels je Blackberry, gebruik van de alias ‘ [alias] ’? Antwoord gehoorde: Ja, dat is gewoon een emailadres wat ik aangeleverd heb gekregen door mijn provider. (…) Vraag verbalisanten: Bij [verdachte] is tijdens de doorzoeking ook een Blackberry telefoon aangetroffen. Opvallende overeenkomst is dat beide Blackberry’s uitgerust waren met een (Engels) simkaartje van provider O2. Vastgesteld is dat tussen beide Blackberry’s mailverkeer heeft plaatsgevonden. Waarover communiceerden jij en [verdachte] middels dit mailverkeer? Antwoord gehoorde: Ja, dat staat erin in die Blackberry. - Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 februari 2015, V03-008, map 1, p. 377, voor zover dit inhoudt als verklaring van verdachte: Vraag verbalisanten: Tijdens de doorzoeking werd er gebeld op de Blackberry waarna jij deze direct op wilde nemen wat door ons werd verboden, opnemen doet toch alleen iemand van wie de telefoon is? Antwoord gehoorde: Het is mijn huis toch. Ik heb er naar gekeken. - Proces-verbaal van bevindingen Laboratorium Lienden d.d. 8 oktober 2014, AMB-0109, map 4, p. 1576, voor zover inhoudend als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant] : Op 16 juli 2013 omstreeks 18.55 uur meldde [getuige 1] dat hij bij zijn verhuurde loods aan de [adres] te Lienden stond en het vermoeden had van een drugslab. Politie, brandweer en leden van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) van het KLPD kwamen ter plaatse, rond de loods werd een irriterende lucht geroken. In de loods werden op de begane grond een grote aantallen jerrycans aangetroffen gevuld met een mengsel van een sterk zuur en APAAN en/of BMK. Op de verdieping, welke middels een vaste trap bereikbaar is, werden nog meer jerrycans aangetroffen en grotere vaten met schroefdeksel waaraan PVC buizen waren bevestigd. Door de specialisten van het LFO werd aangegeven dat het een laboratorium betrof, waarin de stof APAAN middels sterke zuren werd omgezet in BMK, de precursor voor amfetamine. In totaal werden 237 jerrycans en vaten aangetroffen en afgevoerd. - Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 6 oktober 2014, G11-001, map 1, p. 453-456, voor zover dit inhoudt als verklaring van getuige [getuige 1] : [verdachte] ken ik al heel lang van zien uit de stad. Eind 2012 kwam hij op mijn pad, volgens mij heb ik hem aan het begin van het schooljaar, dat zal dus rond september 2012 geweest zijn, voor het eerst gesproken. Dat was op het schoolkamp van het [school] in Rosmalen, waar zijn dochter en mijn zoon beiden waren. Op een gegeven moment kwam hij bij mij thuis op bezoek. Hij kwam bij me omdat hij een opslag zocht, iedereen weet dat ik onroerend goed verhuur. Hij deed eerst wat wazig over wat hij er op wilde slaan. Ik heb duidelijk gemaakt dat ik geen rottigheid wilde in de loods aan de [adres] in Lienden waar we toen over spraken. Ik was duidelijk dat als hij er wietplantjes of zo in zou zetten dat ik dan de politie zou bellen. Toen ik doorvroeg zei hij dat ik me niet druk moest maken omdat hij er alleen een grondstof zou opslaan die niet op de verboden lijst stond. Die grondstof zou uit China komen. Ik heb [verdachte] toen het adres gegeven en ik heb gezegd ga eerst maar eens kijken, alles staat open. In dit geval was het allemaal anders omdat het ging om een loods die gewoon open stond. Die loods is een oude koelcel van een fruitbedrijf. [verdachte] is toen bij mij vertrokken met het verhaal dat hij dan bij gelegenheid wel eens zou gaan kijken. Daarna heb ik een tijdje niks meer van hem gehoord. Op een gegeven moment kwam ik op het perceel in Lienden en constateerde dat de openslaande deuren van de loods die altijd open stonden afgesloten waren met een slot dat niet van mij was. Ik heb toen eens geïnformeerd bij mijn Poolse huurders die op het zelfde terrein wonen. Op basis van de informatie die ik van hen kreeg was er weinig twijfel meer dat [verdachte] mijn loods had afgesloten. De Polen hadden auto’s gezien bij de loods. Een van deze auto’s koppelde ik aan [verdachte] omdat ik hem daar in had zien rijden. Volgens mij was het een witte [auto] . Op dat moment had ik voor mezelf de balans al opgemaakt. - Mijn loods was afgesloten door [verdachte] ; - Ik had geen idee wat hij er uitspookte; - Ik had geen huurcontract; - Ik had geen telefoonnummer. Het adres dat ik had gevonden bleek zijn adres niet meer te zijn, kortom ik wilde van die vent af. Volgens mij heeft [verdachte] mij toen verteld dat hij de loods nog maar kort nodig had. Ze zouden snel de laatste goederen gaan laden en dan zou hij een paar maanden huur betalen. Dat was maanden voor ik de politie gebeld heb. Ik hoor van jullie dat dat op 16 juli 2013 was. Er gebeurde niks. Mijn loods was en bleef afgesloten en [verdachte] zag ik niet meer. Toen ben ik weer bij de ex van [verdachte] aan de deur geweest. Daarna kwam er een kale vent bij mij uit de straat aan de deur. Die man probeerde me een beetje aan het lijntje te houden net als [verdachte] dat deed. Hij vertelde dat [verdachte] in Duitsland was en het financieel effe lastig had. Het zou allemaal goed komen en ik zou gewoon huur betaald krijgen. Kortom allemaal smoesjes. In de tijd dat dit speelde heb ik een aantal malen briefjes in mijn brievenbus gevonden waarop stond dat [verdachte] binnenkort zou komen betalen. Ze hebben me zo wel een maand of vier aan het lijntje gehouden. Op 16 juli 2013 ben ik eens met mijn vrouw naar de loods in Lienden gereden. Ik rook toen een smerige chemische lucht. Ik heb toen direct de politie gebeld. Die is gekomen met de brandweer. Ik heb gehoord dat in mijn loods toen een drugslab zat. Vraag [verbalisanten]: Hoe lang had [verdachte] de loods/koelcel in Lienden op 16 juli 2013 al in gebruik? Antwoord [getuige]: Ik denk een maand of vijf tot zes. Dat er een slot op heeft gezeten. Hoe lang ze bezig geweest zijn in de loods weet ik natuurlijk niet. Vraag [verbalisanten]: Hoe vaak kwam u ten tijde van de huur door [verdachte] op het perceel in Lienden? Antwoord [getuige]: Volgens mij 4 keer met 16 juli 2013 er bij. Bron 5. Getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris Het hierna vermelde bewijsmiddel is afkomstig uit ‘Bron 5’. - Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 18 juli 2013, gevoegd achter het proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechter-commissaris d.d. 19 oktober 2015 betreffende [getuige 1] , voor zover inhoudend als verklaring van getuige [getuige 1] : De zus van [verdachte] is gehuwd met een broer van een oud-personeelslid van mij. [verdachte] vertelde dat hij poeder uit China had wat niet helemaal goed was maar het was ook niet illegaal. Hij vroeg mij een huurcontract te maken voor € 1.000,- per maand aanvang november 2012, volgens mij. [verdachte] betaalde mij, via een vriend, de eerste 1000 euro cash. In januari 2013 heb ik de CIE Den Bosch gebeld omdat ik dacht dat er iets niet klopte met betrekking tot het verhuren van die loods aan [verdachte] . De loods zat steeds op slot als ik er was. Maart of april 2013 zag ik bij de loods een man in plastic overall. Het was volgens mij een Nederlandse jongen en hij schrok zich rot. [verdachte] was er ook. [verdachte] is een klein manneke. De andere was iets stoerder maar niet langer. Omdat ik verder nog steeds geen huur had ontvangen zei ik tegen [verdachte] dat hij die week bij mij langs moest komen, alle huur moest betalen en de loods moest schoon maken. Ik wilde van hem af dus. [verdachte] kwam echter niet bij mij langs. Ik zat in dubio, wilde de politie bellen maar ook [verdachte] niet verraden. Vier weken geleden heb ik in het [hotel] in Waalwijk contact gehad met een man van de CIE. De man was in gezelschap van een blonde dame. Ik vertelde over de loods en dat deze stonk. Ik was bij de loods geweest om stempels te halen voor een verbouwing elders. Op 16 juli 2013 ging ik met mijn vrouw naar die Loods in Lienden. Ik had een betonschaar bij me. Ik wilde de loods openen en ik rook dat het weer erg stonk bij die loods. Ik belde daarom wederom de politie. Ik heb [verdachte] nooit een sleutel van de loods gegeven want die was niet afgesloten toen hij hem huurde. Van het huurcontract is het helaas nooit gekomen. [verdachte] zou cash betalen. Bron 6. Getuigenverklaringen bij de raadsheer-commissaris Het hierna vermelde bewijsmiddel is afkomstig uit ‘Bron 6’. - De verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd op 23 juli 2020: De huurovereenkomst [het hof begrijpt, gelet op de overige bewijsmiddelen: van de loods in Lienden] is met meneer [verdachte] tot stand gekomen als volgt: de heer [verdachte] is bij mij langs geweest omdat hij een plek nodig had om dingen op te slaan. Toen is hij bij mij langs gekomen en heeft gekeken en er is geen overeenkomst opgemaakt. De heer [verdachte] is een familielid van een oud-werknemer van mij en zijn dochter zat bij mijn zoon in de klas. De heer [verdachte] is bij mij geweest en is daarna zelf bij de loods wezen kijken. Na enkele maanden waren er stankklachten van de buren en ben ik hem gaan opsporen en is hij een aantal keer bij mij aan de deur geweest. Hij kwam pas bij mij aan de deur nadat het al fout is gegaan. Sinds eind 2012 huurde de verdachte de loods tot om en nabij juli 2013. In juli 2013 heb ik de brandweer gebeld om de loods open te breken. De verdachte is meerdere malen bij mij thuis geweest en hij liet briefjes achter waarop stond dat hij de huur kwam betalen of de week daarop de huur kwam betalen. Er is geen twijfel mogelijk dat hij de loods van mij heeft gehuurd en niemand anders. Aanvullende bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in het vonnis en dit arrest opgenomen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De verdediging heeft (primair) vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent iedere vorm van betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen van Opiumwetdelicten. Er is geen direct bewijs tegen hem en van medeplegen is geen sprake. Dat de naam ‘ [verdachte] ’ voorkomt op de in de woning van medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen SD-kaart is niet vreemd, omdat [medeverdachte] verdachte hielp bij het doen van zijn belastingaangiften. Dat betekent echter niet dat verdachte ook de ‘ [verdachte] ’ is die wordt genoemd in overzichten van verrekeningen die op die SD-kaart zijn aangetroffen. Het klopt dat verdachte en [medeverdachte] onderling contact hadden, maar dat had geen betrekking op de handel in chemicaliën voor synthetische drugs. De Blackberry die in de woning van verdachte is aangetroffen, was niet van hem, maar van kennissen die dat toestel daar hadden achtergelaten. De notities die bij verdachte zijn aangetroffen met daarop de letters ‘Z, N, M, F en Zw’ respectievelijk ‘ [transportbedrijf] ’ en ‘ [medeverdachte] ’ zeggen verdachte niets. Verdachte heeft zich niet beziggehouden met illegale activiteiten op het perceel van zijn toenmalige schoonvader [getuige 2] te Maren-Kessel. De paardentrailer die daar is aangetroffen, had verdachte twee jaar daarvóór aan [getuige 2] geschonken. Verdachte weet niets van de restanten van chemicaliën die daarin zijn aangetroffen. [medeverdachte] moest een keer een bus of vrachtwagen lossen en toen heeft verdachte voor hem de sleutel van dat perceel geregeld. Verdachte is zelf echter niet bij het lossen aanwezig geweest en hij weet ook niet wat er is gelost. Verdachte is evenmin betrokken geweest bij de loods in Lienden. De verklaring van [getuige 1] , die bovendien verschillend heeft verklaard, is daarvoor te mager, aldus de verdediging. Het hof overweegt hieromtrent – in aanvulling op hetgeen de rechtbank in haar bewijsoverwegingen heeft overwogen – het volgende. De in de woning van verdachte aangetroffen Blackberry Op 12 augustus 2014 is tijdens een doorzoeking in de woning van medeverdachte [medeverdachte] een Blackberry aangetroffen en inbeslaggenomen. In de gegevens op deze Blackberry werd e-mailverkeer aangetroffen dat via het e-mailadres [e-mailadres 1] werd verstuurd en/of ontvangen. Tijdens een doorzoeking op 2 september 2014 is in de woning van verdachte, op de salontafel, eveneens een Blackberry aangetroffen en inbeslaggenomen. In de gegevens op die Blackberry werd e-mailverkeer aangetroffen dat via het e-mailadres [e-mailadres 2] werd verstuurd en/of ontvangen. Op de Blackberry van [medeverdachte] werd onder meer e-mailverkeer aangetroffen tussen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] . In dat e-mailverkeer wordt gesproken over leveringen van chemicaliën. Verdachte heeft verklaard dat de in zijn woning aangetroffen Blackberry niet van hem was. Bij de FIOD heeft hij op 6 februari 2015 verklaard dat hij dat hij niet weet van wie die telefoon is en dat er zoveel mensen over de vloer komen die hem misschien hebben laten liggen. Op 5 april 2018 heeft verdachte ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat hij niet wil zeggen van wie die Blackberry was en dat die toebehoorde aan iemand die ervoor in zijn woning was geweest. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat dat toestel daar was achtergelaten door ‘kennissen’. Het hof stelt allereerst vast dat verdachte wisselend heeft verklaard op de vraag van wie de in zijn woning aangetroffen Blackberry was. Bij de FIOD wist hij het niet, bij de rechtbank heeft hij het over ‘iemand’ en bij het hof over ‘kennissen’. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte aldus geen aannemelijke, laat staan een verifieerbare verklaring gegeven op de vraag aan wie de in zijn woning, op de salontafel aangetroffen Blackberry toebehoorde. Het hof stelt verder vast dat uit het verhoor van verdachte door de FIOD op 6 februari 2015 blijkt dat er tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op die Blackberry werd gebeld en dat verdachte toen direct wilde opnemen, hetgeen hem door de verbalisanten werd verboden. Verdachte heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Het hof acht het niet aannemelijk dat als de Blackberry inderdaad aan een ander dan aan verdachte zou toebehoren, verdachte die Blackberry direct zou willen opnemen op het moment dat die overging. Voorts overweegt het hof, dat toen medeverdachte [medeverdachte] door de FIOD werd voorgehouden dat tijdens een doorzoeking zowel bij hem als bij verdachte een Blackberry telefoon was aangetroffen, dat beide waren uitgerust met een (Engels) simkaartje van provider O2 en dat vastgesteld is dat tussen beide Blackberry’s mailverkeer heeft plaatsgevonden, [medeverdachte] op de vraag waarover hij en verdachte communiceerden via dat mailverkeer, antwoordde dat dat in die Blackberry staat. [medeverdachte] ontkende dus niet dat hij via de Blackberry met verdachte communiceerde en dat de bij verdachte aangetroffen Blackberry van verdachte was. Tijdens datzelfde verhoor erkende [medeverdachte] dat hij – [medeverdachte] – gebruik maakte van de alias ‘ [alias] ’. Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte] te twijfelen. Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, gaat het hof aan de verklaringen die verdachte heeft gegeven op de vraag aan wie de in zijn woning aangetroffen Blackberry toebehoorde als ongeloofwaardig voorbij. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de Blackberry van verdachte was en dat verdachte de gebruiker was van het e-mailadres [e-mailadres 2] . De op het perceel [adres] te Maren-Kessel aangetroffen paardentrailer Op 15 augustus 2014 werd op het perceel van de toenmalige schoonvader van verdachte, [getuige 2] , aan de [adres] te Maren-Kessel een paardentrailer aangetroffen, waarvan het kenteken op naam van verdachte stond. In die trailer bevond zich een aantal deels gevulde vaten en flessen met het opschrift ‘aceton’, een stof die wordt gebruikt bij de productie van synthetische drugs. De getuige [getuige 2] heeft op 19 oktober 2015 bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte zijn – verdachtes – paardentrailer bij zijn – [getuige 2] – loods had gestald en dat die paardentrailer daar ongeveer twee jaar geleden is gestald. Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 5 april 2018 verklaard dat het kenteken van de paardentrailer op zijn naam stond, dat hij die paardentrailer, die hem toebehoorde, eerder aan de eigenaar van dat perceel had gegeven en dat die paardentrailer op die locatie is neergezet. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij die paardentrailer twee jaar daarvóór aan [getuige 2] had gegeven, dat die trailer daar al twee jaar stond, dat hij er daarna nooit meer bij is geweest, dat hij niet weet waarom het kenteken nog steeds op zijn naam stond en dat hij daar niet aan heeft gedacht. Gelet op het feit dat het kenteken van de paardentrailer op naam van verdachte stond, de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de paardentrailer van verdachte was en verdachte zijn verklaring, dat hij de paardentrailer twee jaar vóór het aantreffen van die trailer op het perceel van [getuige 2] aan die [getuige 2] had gegeven, op geen enkele manier ook maar enigszins aannemelijk heeft gemaakt, acht het hof die verklaring van verdachte ongeloofwaardig, zodat het daaraan voorbijgaat. Het moet er daarom voor worden gehouden dat die paardentrailer en de inhoud ervan, de deels gevulde vaten en flessen met het opschrift ‘aceton’, van verdachte waren. De loods aan de [adres] in Lienden De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zijn loods aan de [adres] te Lienden sinds eind 2012 werd gehuurd door verdachte. Verdachte ontkent dat hij die loods huurde of dat hij anderszins enige betrokkenheid bij die loods heeft gehad. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij een privé-conflict met [getuige 1] heeft gehad, wat iets met diens vrouw te maken had en dat dat misschien de reden is waarom [getuige 1] ten onrechte belastend over hem heeft verklaard. Ook aan deze verklaring van verdachte gaat het hof als ongeloofwaardig voorbij. De getuige [getuige 1] is meermalen gehoord. Hoewel zijn verklaringen niet steeds op alle onderdelen volledig met elkaar overeenkomen, is de kern van zijn verklaringen steeds dezelfde, namelijk dat verdachte de loods in Lienden vanaf eind 2012 van hem huurde. [getuige 1] heeft daar uitgebreid, gedetailleerd en consistent over verklaard, ook over de wijze waarop de (mondelinge) huurovereenkomst tot stand is gekomen, hoe de betalingen van de huurpenningen verliepen, enz. Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] , voor zover die voor het bewijs zijn gebruikt, te twijfelen. Aan de enkele, niet nader toegelichte stelling van verdachte dat [getuige 1] belastend over hem zou verklaren vanwege een privé-conflict tussen beiden gaat het hof als ongeloofwaardig voorbij. Op 16 juli 2013 is in de loods een laboratorium aangetroffen waarin de stof APAAN door middel van sterke zuren werd omgezet in BMK, de precursor voor amfetamine. In totaal werden 237 jerrycans en vaten aangetroffen. De getuige [getuige 1] heeft ook verklaard dat hij in januari 2013 de politie heeft gebeld omdat hij dacht dat er iets niet klopte met betrekking tot de verhuur van de loods aan verdachte; de loods zat steeds op slot als [getuige 1] er was. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij in maart of april 2013 een man in een plastic overall bij de loods had gezien, die schrok en dat verdachte daar ook bij was. Gelet hierop, acht het hof bewezen dat verdachte de loods in Lienden heeft gehuurd en dat hij deze loods met het daarin aangetroffen laboratorium beschikbaar heeft gesteld voor de productie van BMK. (Voorwaardelijk) opzet Uit de gebruikte bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij het bestellen, vervoeren en leveren van chemicaliën die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs, bij het regelen van een losplaats voor die chemicaliën, bij het huren van de loods in Lienden, bij het beschikbaar stellen van die loods en het daarin aangetroffen laboratorium voor de productie van BMK – een precursor van amfetaminen – en bij het voorhanden hebben van IBC’s. Met betrekking tot het opzet overweegt het hof als volgt. Voor de in artikel 10a Opiumwet omschreven gedragingen geldt dat deze pas dan strafbaar zijn, indien bij de dader het opzet heeft bestaan om de in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet bedoelde misdrijven (opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A, B of D van de Opiumwet) voor te bereiden of te bevorderen. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader om de misdrijven, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen en de daaruit voortvloeiende handeling. Bij het vereiste opzet van de daartoe te verrichten gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.