GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’ Kenmerk: 20/00245-GHK Tussenuitspraak op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 februari 2020, met de nummers BRE 19/1530 (jaar 2014) en 19/1531 (jaar 2015) (hierna: de rechtbank-uitspraak), in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2014 (hierna: IB/PVV 2014) een bedrag aan onderhoudskosten rijksmonumentenpanden opgenomen, hetgeen heeft geleid tot een aftrekpost. De definitieve aanslag IB/PVV 2014 is opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte. 1.2. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 aan belanghebbende opgelegd. 1.3. De inspecteur heeft het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen over de jaren 2014 en 2015 gelijktijdig behandeld en heeft voor het jaar 2014 (voor zover hier van belang): - het beroep gegrond verklaard, - de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag vernietigd, - de navorderingsaanslag verminderd. 1.5. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de rechtbank-uitspraak over de IB/PVV 2014 (BRE 19/1530). 1.6. In hoger beroep is in geschil of de inspecteur op grond van artikel 16 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen kon navorderen wegens het ten onrechte door belanghebbende in aftrek brengen van (een deel van) de kosten in zijn aangifte. Belanghebbende stelt dat sprake is van een ambtelijk verzuim, dat navordering in de weg staat. De definitieve aanslag had niet zonder vragen van de inspecteur opgelegd mogen worden, nu er vanaf 2015 vragen waren gerezen over het aangiftegedrag van het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende. 1.7. In het kader van het onderzoek naar het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende, heeft de regiocoördinator systeemfraude IH, de heer [A] , een ambtsedige verklaring opgesteld waarin hij de onderzoekswerkzaamheden heeft omschreven. In deze verklaring zijn de bedragen opgenomen waarboven de aftrekposten moesten uitkomen om nader onderzocht te worden door de inspecteur (de ondergrenzen). De inspecteur heeft deze ondergrenzen weggelakt met een beroep op geheimhouding (onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb). Als gewichtige reden voor geheimhouding heeft de inspecteur aangevoerd dat de ondergrenzen deel uitmaken van de controlestrategie. 1.8. Belanghebbende en het hof hebben kennis genomen van het verweerschrift en de geschoonde ambtsedige verklaring van [A] . De ongeschoonde versie van de verklaring is in een afzonderlijke gesloten envelop aan de geheimhoudingskamer gestuurd. 1.9. Gelet op het voorgaande is de hoger beroepszaak in handen gesteld van de geheimhoudingskamer. 1.10. De geheimhoudingskamer heeft aan belanghebbende bij brief van 20 juli 2020 verzocht om te reageren op het verzoek om geheimhouding van de inspecteur van de in de verklaring van [A] genoemde bedragen (de ondergrenzen). 1.11. Belanghebbende heeft bij brief van 4 september 2020, gericht aan het hof, geantwoord er geen bezwaar tegen te hebben dat het hof kennis krijgt van de ongeschoonde ambtsedige verklaring. 1.12. De geheimhoudingskamer heeft een tweede briefaan belanghebbende gestuurd met de volgende inhoud: ‘In uw brief van 4 september 2020 in de zaak van [belanghebbende] (20/00245-GHK) heeft u het volgende aangegeven t.a.v. een verklaring die de inspecteur (deels) geheim wil houden: “Ondergetekende heeft er geen bezwaar tegen dat u kennis krijgt van de ongeschoonde ambtsedige verklaring”. Ik begrijp uit uw brief dat u aan de kamer van het hof die de zaak inhoudelijk behandelt, toestemming geeft om de ongeschoonde verklaring in haar oordeel te betrekken (zie artikel 8:29, lid 5, van de Algemene wet bestuursrecht). U geeft in uw brief niet aan of belanghebbende genoegen neemt met de reeds ontvangen geschoonde verklaring of dat belanghebbende zich verzet tegen geheimhouding van (delen van) de verklaring. Als dat laatste het geval is, ontvang ik graag binnen vier weken uw motivering waarom geheimhouding van (delen van) de verklaring niet terecht is. Als ik uiterlijk vier weken na verzending van deze brief geen reactie van u heb ontvangen, ga ik er van uit dat u de (gedeeltelijke) geheimhouding van de verklaring voor belanghebbende niet bestrijdt en dat de zaak verder inhoudelijk kan worden behandeld.’ 1.13. Belanghebbende heeft niet meer gereageerd op deze brief van de geheimhoudingskamer. 1.14. De door partijen ingediende stukken zijn in afschrift aan de wederpartij verstrekt. Dit geldt niet voor de aan de geheimhoudingskamer (in een gesloten envelop) gerichte (ongeschoonde) verklaring van [A] , ten aanzien waarvan om geheimhouding is verzocht. 2Verzoek Het verzoek van de inspecteur betreft de vraag of de aan de geheimhoudingskamer overgelegde verklaring op grond van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb deels geschoond mag blijven voor belanghebbende (voor wat betreft de in de verklaring genoemde ondergrenzen). 3Beoordeling van het verzoek 3.1. De geheimhoudingskamer heeft belanghebbende bij brief van 21 september 2020 gevraagd of hetgeen in zijn brief van 4 september 2020 staat betekent dat belanghebbende instemt met beperkte kennisneming. 3.2. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is als volgt: a. Geheimhouding: (delen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.