Parketnummer : 20-000764-20 Uitspraak : 11 maart 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2020 in de strafzaak met parketnummer 96-249139-19 tegen: [verdachte] , geboren te Terneuzen op [geboortedag] 1994, wonende te [adres A] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde, te weten een overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 9 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Meer subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair:hij op of omstreeks 6 mei 2019 te Terneuzen een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en/of alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten alcohol, in combinatie met een of meer andere van deze aangewezen stoffen, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 0,39 milligram ethanol per milliliter bloed en 1,8 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde; subsidiair:hij op of omstreeks 6 mei 2019 te Terneuzen als bestuurder van een voertuig, een personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol en/of cannabis, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep op de in de pleitnota van de raadsman vermelde gronden onder meer bepleit dat hij zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat zijn recht op tegenonderzoek inzake het bloedonderzoek door een foutieve adressering illusoir is gemaakt. Om die reden kan niet gesproken worden van een geldig onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, aldus de raadsman. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is eveneens vrijspraak bepleit, bij gebrek aan bewijs. Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie is van een (bloed)onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 slechts sprake indien de strikte waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot de strikte waarborgen behoort onder meer het recht van de verdachte op een tegenonderzoek. Uit de stukken in het dossier blijkt dat bij de verdachte, in het kader van een controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1994, op 6 mei 2019 bloed is afgenomen conform het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Verdachte heeft toen verklaard dat hij woont op het adres [adres A] . Door de verbalisant is aan de verdachte meegedeeld dat hij het recht op tegenonderzoek heeft indien het onderzoek zou uitwijzen dat de verdachte artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft overtreden. In het formulier “Aanvraag ten behoeve van Toxicologisch onderzoek van bloed” is als adres van verdachte vermeld: [adres B] . Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting en uit de gegevens van de SKDB blijkt evenwel dat dit zijn oude adres is en dat hij daar ten tijde van het tenlastegelegde niet meer woonde. Het toxicologisch onderzoek heeft bij Eurofins pas plaatsgevonden op 22 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.