← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2021:766

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.277.341/01 arrest van 16 maart 2021 gewezen in het incident ex artikel 843a Rv in de zaak van [[ X ]] Totaaltechniek B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, verweerder in het incident, hierna aan te duiden als: [appellante], advocaat: mr. C.S. van den Pauwert te Eindhoven, tegen [[ Y ]] Elektrotechnische Groothandel II B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel, eiseres in het incident, hierna aan te duiden als: [geïntimeerde], advocaat: mr. L.T. van Eyck van Heslinga te Alkmaar, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 juni 2020 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer C/01/344897 / HA ZA 19-237 gewezen vonnis van 8 januari

  1. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 30 juni 2020 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 20 augustus 2020; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens houdende incidentele vordering ex artikel “846a” Rv met producties; de memorie van antwoord in het incident. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest in het incident. 6De beoordeling In het incident 6.
  2. [geïntimeerde] vordert in dit incident dat [appellante] wordt veroordeeld tot het afgeven, overleggen of verschaffen aan haar van een afschrift van: I alle processtukken die in de procedure tussen [appellante] tegen de hoofdaannemer in het Sint Lucas project zijn ingediend door alle betrokken partijen; II alle tussen- en eindvonnissen die in deze procedure zijn gewezen alsmede door de rechtbank opgestelde processen verbaal, een eventuele door de rechtbank in een proces-verbaal vastgelegde minnelijke regeling daaronder uitdrukkelijk begrepen; III te bepalen dat in het geval [appellante] in gebreke blijft binnen een door het hof te bepalen termijn te voldoen zij een ineens opeisbare dwangsom van € 10.000,-- ten gunste van [geïntimeerde] verbeurt, te vermeerderen met € 1.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat zij in verzuim blijft, met een maximum van € 40.000,--. 6.
  3. In de toelichting onder grief D in het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] haar – in het petitum van de memorie opgenomen – incidentele vordering ingeleid, maar een deugdelijke grondslag voor deze vordering heeft [geïntimeerde] niet gesteld. Dit incident betreft volgens [geïntimeerde] zelf “een exhibitieplicht ex artikel 843a Rv”, maar zij heeft nagelaten gemotiveerd te stellen dat en in hoeverre is voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv. Reeds dit betekent dat de vordering in het incident van [geïntimeerde] moet worden afgewezen. 6.
  4. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van het incident. In de hoofdzaak 6.
  5. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor memorie van antwoord in incidenteel appel aan de zijde van [appellante]. 6.
  6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 7De uitspraak Het hof: in het incident: wijst de vordering van [geïntimeerde] af; veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.114,-- aan salaris advocaat (1 punt liquidatietarief II); in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 4 mei 2021 voor het nemen van de memorie van antwoord in incidenteel appel aan de zijde van [appellante]; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 maart
  7. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.