← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2021:869

Parketnummer : 20-002750-18 Uitspraak : 17 maart 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 21 augustus 2018 in de strafzaak met parketnummer 96-012013-18 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans uit anderen hoofde verblijvende in Huis van Bewaring De Torentijd te Middelburg. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (295 Ugl) (feit 1) en overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal zal bevestigen. Namens verdachte is geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring van de politierechter maar is uitsluitend een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust met uitzondering van de de strafoplegging. Daarnaast verstaat het hof de kwalificatie van het bewezenverklaarde onder 1 als: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (295 microgram). Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een strafmaatverweer gevoerd. Namens de verdachte is verzocht om een taakstraf aan de verdachte op te leggen, al dan niet in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft op 9 januari 2018 een personenauto bestuurd na het gebruik van alcoholhoudende drank en terwijl het op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard De verdachte heeft tegenover de politie en ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hij na het nuttigen van alcoholhoudende drank als bestuurder is opgetreden. Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op: de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; de omstandigheid dat de verdachte zich door het plegen van de onderhavige strafbare feiten onvoldoende rekenschap heeft gegeven van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op: de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 december 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld waaronder voor verkeersdelicten; de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op het feit dat de verdachte zich na 2018 niet meer schuldig heeft gemaakt aan verkeersdelicten, ziet het hof aanleiding om de verdachte geen deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met een taakstraf voor de duur van 30 uren. De gedingstukken geven het hof in het kader van de straftoemeting aanleiding ambtshalve te onderzoeken of in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn in hoger beroep geschonden omdat het hof niet binnen twee jaren nadat appel is ingesteld (te weten op 22 augustus 2018) tot een einduitspraak komt, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen. Gezien echter de duur van de op te leggen straf bestaat er geen aanleiding om daaraan enig rechtsgevolg te verbinden. Het hof zal daarom met deze constatering volstaan. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het voorgaande. Aldus gewezen door: mr. C.M. Hilverda, voorzitter, mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen en mr. S.V. Pelsser, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. L.J.M.M. Dielesen, griffier, en op 17 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. S.V. Pelsser is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.