GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.288.180/01 arrest van 30 maart 2021 in de zaak van Achmea Schadeverzekeringen N.V., tevens handelend onder de naam Interpolis, gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
- [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. F.J. van Benthem te Etten-Leur, als vervolg op de door het hof gegeven rolbeslissing van 19 januari 2021 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/361611 / HA ZA 19-480 gewezen vonnissen van 8 april 2020 en 9 december
- 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 29 december 2020; de rolbeslissing van 19 januari 2021; de akte na rolbeslissing van appellante; de akte van geïntimeerden met één productie; de akte overlegging vonnis 10-2-2021 van appellante. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. 2De beoordeling 2.
- Bij genoemde rolbeslissing is appellante in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en over de vraag of [getuige] (hierna: [getuige] ) op de voet van artikel 118 Rv alsnog in het geding zou moeten worden geroepen. 2.
- Uit de door appellante genomen aktes en de bij de tweede akte overgelegde productie (het vonnis van 10 februari 2021) blijkt dat appellante de rechtbank bij faxbericht van 20 januari 2021, dus binnen de appeltermijn, heeft verzocht om alsnog tussentijds hoger beroep toe te staan van het vonnis in het incident van 9 december 2020 en dat de rechtbank vervolgens bij vonnis van 10 februari 2021 heeft bepaald “dat het op 9 december 2020 gewezen vonnis in het incident aldus wordt aangevuld, dat tussentijds hoger beroep daartegen kan worden ingesteld”. Gezien deze toestemming is appellante ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het vonnis in het incident van 9 december
- Omdat volgens vaste jurisprudentie de toestemming om tussentijds tegen een tussenvonnis te appelleren meebrengt dat ook eerdere tussenvonnissen in het hoger beroep kunnen worden betrokken, is het door appellante ingestelde hoger beroep tegen het eerdere tussenvonnis van 8 april 2020 in beginsel eveneens ontvankelijk. 2.
- Wat betreft de getuige [getuige] stelt appellante zich op het standpunt dat deze niet in het hoger beroep hoeft te worden betrokken omdat aangenomen wordt dat [getuige] zijn beroep op het verschoningsrecht zal handhaven en in dit hoger beroep zich achter het oordeel van de rechtbank zal scharen. Omdat echter niet valt uit te sluiten dat het beroep op het verschoningsrecht niet in stand blijft en [getuige] toch een belang zou kunnen hebben, zal appellante [getuige] binnen de termijn van hoger beroep dagvaarden in hoger beroep. 2.
- De getuige die zich in een aanhangig geding beroept op zijn verschoningsrecht, krijgt hierdoor de hoedanigheid van partij in het opgeworpen incident. In het vonnis in het incident van 9 december 2020 heeft de rechtbank beslist over het beroep van [getuige] op zijn verschoningsrecht. Dat betekent dat appellante ook [getuige] , wiens rechten en verplichtingen in het geding zijn, in dit hoger beroep had moeten betrekken. Aangezien zij dit heeft nagelaten, zal het hof appellante ambtshalve de gelegenheid bieden om [getuige] door oproeping op de voet van artikel 118 Rv alsnog in het geding te betrekken. 2.
- Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 3De uitspraak Het hof: stelt appellante in de gelegenheid om [getuige] in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv tegen de rol van 20 april 2021; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 maart
- griffier rolraadsheer