GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 21 april 2022 Zaaknummer : 200.303.746/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/01/374402 / JE RK 21-1394 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. W. Kolmans, tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling). Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] ,wonende op een bij het hof bekend geheim adres,hierna te noemen: de moeder. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 oktober 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 december 2021, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor wat betreft de beslissing om de vader als informant en niet als belanghebbende aan te merken, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vader belanghebbende is ten aanzien van het verzoek van de GI. 2.
- Er is geen verweerschrift ingekomen. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 maart
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. Kolmans; - de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI]; - de moeder. 2.3.
- Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is tevens de andere bij dit hof lopende zaak tussen partijen behandeld inzake – kort gezegd – de ontzegging van het recht op omgang van de vader met [minderjarige] en de vastgestelde informatieregeling, bij het hof bekend onder zaaknummer 200.303.733/
- 2.3.
- De raad heeft het hof per brief van 9 februari 2022 kenbaar gemaakt niet op de mondelinge behandeling te verschijnen. 3De beoordeling 3.
- Tijdens de mondelinge behandeling is alleen de ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep behandeld. 3.
- De vader voert – samengevat – het volgende aan. De vader kan zich inhoudelijk vinden in de beslissing van de kinderrechter om de ondertoezichtstelling te verlengen. De kinderrechter heeft de vader in deze beschikking echter ten onrechte als informant aangemerkt. De vader was opgeroepen om tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank te verschijnen. De vader is niet op deze mondelinge behandeling verschenen, maar zijn advocaat wel. De kinderrechter heeft direct op de mondelinge behandeling uitspraak gedaan. Doordat de vader als informant is aangemerkt is hij in zijn procespositie beperkt. Hij heeft geen stukken kunnen indienen en is niet in de gelegenheid gesteld om – anders dan als informant – zijn standpunt naar voren te brengen terwijl het hier evident gaat om een “omgangs-OTS” waardoor de vader wel als belanghebbende moet worden aangemerkt. In dat kader beroept de vader zich op recente jurisprudentie rondom het begrip belanghebbende (ECLI:NL:GHARL:2021:9351). Hierin overwoog het hof dat de ondertoezichtstelling en de verzochte verlenging daarvan het recht van de vader op omgang met het kind raakte. De ondertoezichtstelling is in feite gericht op effectuering van het recht van de vader op gezinsleven met zijn zoon in de zin van artikel 8 EVRM. Dergelijke overwegingen gelden ook in het geval van de vader. Het is van belang dat de vader bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling betrokken blijft, dat hij als belanghebbende zijn mening kan geven en dat hij voor een eventuele verlengingszitting wordt opgeroepen. 3.
- De GI voert - samengevat – aan dat de beslissing van de kinderrechter om de vader als informant aan te merken, een formeel juridische beslissing is die onder meer is gebaseerd op het feit dat de vader geen gezag meer heeft. 3.
- De moeder heeft inhoudelijk niet gereageerd op het verzoek van de vader om hem als belanghebbende aan te merken. 3.
- Het hof overweegt het volgende. 3.5.
- Het hof stelt voorop dat de vader niet in hoger beroep is gekomen tegen de in de bestreden beschikking uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling en geen wijziging verzoekt van het dictum van die beschikking. Uit artikel 3:303 BW volgt dat diegene die hoger beroep heeft ingesteld voldoende belang moet hebben bij het instellen daarvan. In het onderhavige geval heeft de vader naar het oordeel van het hof geen belang bij zijn hoger beroep omdat hij het eens is met de in de bestreden beschikking uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling en geen wijziging van het dictum wenst. Het hof overweegt dat de stelling van de vader dat hij een belang heeft om betrokken te blijven bij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , dat hij als belanghebbende zijn mening kan geven en dat hij voor een eventuele verlengingszitting wordt opgeroepen, dit oordeel niet anders maakt. In het geval van een eventuele toekomstige procedure dient de rechtbank (en in hoger beroep het hof) immers ambtshalve te beoordelen en te beslissen welke personen en/of instanties in die procedure als belanghebbenden dienen te worden aangemerkt. Wat het hof derhalve ook zou beslissen op het verzoek van de vader in deze procedure op basis van de concrete feiten en omstandigheden op dit moment, de rechtbank en/of het hof is in een toekomstige procedure niet aan dat oordeel gebonden en kan dus anders beslissen. 3.
- Het hof komt daarom tot de conclusie dat de vader in de onderhavige zaak geen belang heeft bij zijn hoger beroep en zal hem dus daarin niet-ontvankelijk verklaren. 4De beslissing Het hof: verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, A.M. Bossink en P.M.M. Mostermans en is in het openbaar uitgesproken door mr. H. van Winkel op 21 april 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.