Parketnummer: 20-002552-19 Uitspraak : 11 april 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Maastricht van 29 juli 2019, in de strafzaak met parketnummer 03-106375-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de politierechter ter zake van ‘vernieling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een geldboete ter hoogte van € 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5.064,31 met vermeerdering van de wettelijke rente en met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis. Door de raadsvrouw van de verdachte is op de gronden als weergegeven in de ter terechtzitting van 28 maart 2022 overgelegde pleitnota in hoger beroep een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, subsidiair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en meer subsidiair wordt toegewezen tot een bedrag van € 400,00 en voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Bijgevolg zullen de overwegingen van de politierechter, voor zover die betrekking hebben op de strafoplegging, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel, in hun geheel worden vervangen door hetgeen hierna onder ‘Op te leggen sanctie’, ‘Vordering van de benadeelde partij Politie Regio Zuid Limburg’ en ‘Schadevergoedingsmaatregel’ zal worden overwogen. Het hof zal tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen op de wijze als hierna te melden. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij een intercom en raam toebehorende aan de Nationale Politie, Eenheid Limburg, heeft vernield. Door aldus te handelen heeft de verdachte schade berokkend aan de eigendommen van de politie. Uit het handelen van de verdachte blijkt dat de verdachte slechts oog had voor zijn eigen frustraties, en zich geen rekenschap heeft gegeven van de schade en overlast die hieruit voor anderen ontstond. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 januari 2022, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld. Tevens heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit het European Criminal Records Information System (ECRIS) België, d.d. 3 mei 2019; daaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld in België. De raadsvrouw van de verdachte heeft op de gronden als weergegeven in de ter terechtzitting van 28 maart 2022 overgelegde pleitnota in hoger beroep betoogd dat er aanleiding bestaat om de aan de verdachte op te leggen straf te matigen. Hiertoe heeft de raadsvrouw betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, hetgeen tot strafmatiging zou moeten leiden. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat bij de aanhouding van de verdachte door de politie onrechtmatig, te weten: in strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewone opsporingsambtenaar (hierna: de Ambtsinstructie) gebruik is gemaakt van transportboeien, terwijl hiertoe geen aanleiding bestond en door de verbalisanten niet is onderbouwd en geverbaliseerd waarom de transportboeien zijn aangelegd. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte is aangehouden ter zake van openlijke geweld tegen goederen. De verdachte werd ervan verdacht een intercompaal door een ruit van het politiebureau te hebben gegooid, waardoor de ruit en de intercom zijn vernield. Door de verbalisanten is voorafgaande aan de aanhouding contact opgenomen met het call-centrum van de politie. Het call-centrum heeft de verbalisanten vervolgens geïnformeerd over de achtergrond van het incident en hen medegedeeld dat persoon waarmee via de intercom een gesprek is gevoerd zich zeer agressief gedroeg. In het kader van het transport naar het politiebureau zijn vervolgens bij de verdachte transportboeien aangelegd. Gelet op voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verbalisanten er redelijkerwijs rekening mee konden houden dat het vervoer van de verdachte mogelijk gevaar voor de veiligheid van zowel de inzittenden als van de politieauto zelf zou opleveren. Naar het oordeel van het hof hebben de verbalisanten onder de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van het strafbare feit, alsmede in het bijzonder het gegeven dat de vernieling zich richtte tegen (eigendommen van) de politie de beslissing om bij de verdachte transportboeien aan te leggen, in redelijkheid kunnen nemen. Het strafmaatverweer wordt mitsdien verworpen. Tot slot heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsvrouw in dit verband naar voren gebracht dat de verdachte ten tijde van het delict met ‘zichzelf in de knoop zat’. Alles afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van € 500,00 subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Bij de strafvervolging van de verdachte is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, geschonden. Namens de verdachte is op 8 augustus 2019 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Het hof doet bij arrest van heden – 11 april 2022 – einduitspraak. Aldus is de behandeling in hoger beroep niet afgerond binnen 2 jaren. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding rechtvaardigen. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Gelet op omvang van het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen straffen zal het hof evenwel volstaan met de enkele constatering dat bij de strafvervolging van de verdachte sprake is geweest van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Vordering van de benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Limburg De benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Limburg heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.064,44 (het hof leest: € 5.064,31) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ziet op een bedrag ter hoogte van € 3.470,74 voor het plaatsen van een nieuwe ruit en een bedrag ter hoogte van € 1.593,57 voor het repareren van de intercomzuil. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.064,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.