GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.302.486/01 arrest van 26 april 2022 in de zaak van Mazu Ventures B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna: Mazu, advocaat: mr. C. Hellingman te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde 1] , en 2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk), hierna: [geïntimeerde 2] , geïntimeerden, hierna: [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] , gezamenlijk: [geïntimeerden] , advocaat: mr. O. de Wit te Amsterdam, op het bij dagvaardingsexploot van 28 oktober 2021 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen vonnis in kort geding van 30 september 2021 tussen [geïntimeerden] als eisers en Mazu en [persoon A] (hierna: [persoon A] ) als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak C/02/388788/KG ZA 21-395) Hiervoor verwijst het hof naar voornoemd vonnis. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het voornoemde dagvaardingsexploot van Mazu; de memorie van grieven van Mazu met producties; de memorie van antwoord van [geïntimeerden] met producties. 2.2 Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de voornoemde stukken en die van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1 Dit kort geding is een nasleep van de beursgang van World Online en betreft het verschaffen van bescheiden en gegevens op grond van artikel 843a Rv. 3.2 Voor zover Mazu de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter wil corrigeren, kan dat onbesproken blijven omdat het hof de relevante feiten zelf zal onderzoeken. Als gesteld en niet (voldoende) betwist vormen de volgende feiten voor het hof het uitgangspunt. a. [persoon B] (hierna: [persoon B] ) heeft de vennootschap World Online International N.V. (hierna: WOL) opgericht. [persoon B] is bestuursvoorzitter en (via haar persoonlijke holding Kalexer II B.V.) aandeelhouder geweest van WOL. [persoon C] (hierna: [persoon C] ) is commissaris geweest van WOL en directeur van Reggeborgh Participaties B.V. (hierna: Reggeborgh ). [geïntimeerde 1] is CFO van WOL geweest, [geïntimeerde 2] senior vice-president en Reggeborgh (groot)aandeelhouder van WOL. De beursgang van WOL in 2000 is onregelmatig verlopen en heeft tot veel gedupeerden geleid. De op 21 april 2010 opgerichte Stichting Ex Aequo et Bono (hierna: de Stichting) heeft blijkens artikel 2 lid 1 van haar akte van oprichting: “(…) ten doel de behartiging van de belangen van de voormalig bestuurders en "key employees" van World Online International N.V. (…) en haar groepsmaatschappijen, het zuiveren van de namen van de ex leden van de raad van bestuur (…) en het schadeloosstellen van die voormalige bestuurders en "key employees", alsmede het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.” Bij op 15 augustus 2012 gewezen vonnis (ECLI:NL:RBALM:2012:BX6698) heeft de rechtbank Almelo, kort gezegd, afgewezen de verjaard geachte vordering van de Stichting om [persoon C] en Reggeborgh hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 182.681.479,--, met kosten en rente. In het daartegen door de Stichting ingestelde beroep heeft de Stichting haar eis, samengevat, vermeerderd met de vordering om (ook) te verklaren voor recht dat [persoon C] en Reggeborgh aansprakelijk zijn jegens [persoon B] door de zogenaamde IPO-bonus (Initial Public Offering, ter grootte van 1,5% van de waarde van de aandelen WOL op de dag van de beursintroductie) niet correct in de prospectus te vermelden en niet uit te keren. Na een op 27 september 2016 door het hof gewezen tussenarrest (ECLI:NL:GHSHE:2016:4285) en verwerping door de Hoge Raad van het daartegen door [persoon C] en Reggeborgh ingestelde cassatieberoep in het op 22 december 2017 gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2017:3255), heeft het hof bij op 4 februari 2020 gewezen tussenarrest (ECLI:NL:GHSHE:2020:327) bewijs aan de Stichting opgedragen. Meerdere partijen hebben op 25 februari 2020 ter beëindiging van de tussen hen gevoerde juridische procedures en ter oplossing van hun (toekomstige) geschillen een vaststellingsovereenkomst gesloten. De schriftelijke overeenkomst is door onder meer de Stichting, [persoon B] , [persoon C] en Reggeborgh ondertekend en vermeldt: “VASTSTELLINGSOVEREENKOMST (…) OVERWEGENDE DAT: (A) Tussen Kalexer en Brains als appellanten en Reggeborgh Participaties als geïntimeerde is een procedure aanhangig bij het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam (…) d.d. 23 juli 2008 over de zogenaamde up-side vergoeding. Deze procedure wordt hierna genoemd: "Procedure Den Haag". (B) Tussen de Stichting als eiser en [persoon C] en Reggeborgh Participaties als gedaagden is (…) een procedure aanhangig bij het Gerechtshof `s-Hertogenbosch in hoger beroep tegen het vonnis d.d. 15 augustus 2012 van de rechtbank Almelo (…). Deze procedure wordt hierna genoemd: "Procedure `s-Hertogenbosch". (…) KOMEN ALS VOLGT OVEREEN: 1. Reggeborgh Participaties verplicht zich tot betaling aan [persoon B] van € 11.300.000,-- (…). 2. De Procedure Den Haag en de Procedure `s-Hertogenbosch zullen definitief worden doorgehaald nadat de betaling sub 1 heeft plaatsgevonden en zullen niet meer opgebracht kunnen worden. (…)” 3. Onder de opschortende voorwaarde van de ontvangst van het volledige Schikkingsbedrag (…) doen ondergetekenden sub 1 tot en met 5 [hof: onder wie de Stichting en [persoon B] ] (gezamenlijk en ieder voor zich) afstand van al de vorderingen die zij (mochten) hebben jegens de ondergetekenden sub 6 tot en met 16 [hof: onder wie [persoon C] en Reggeborgh ] (gezamenlijk en ieder voor zich), waaronder de vorderingen ingesteld in de Procedure Den Haag en de Procedure `s-Hertogenbosch (…) en verlenen ter zake volledige kwijting. Zij zullen geen nieuwe procedures beginnen tegen de ondergetekenden sub 6 tot en met 16 (gezamenlijk, of één of enkelen van hen) met betrekking tot voornoemde geschillen en vorderingen en met betrekking tot feiten en omstandigheden die hen thans bekend zijn, althans bekend behoren te zijn. (…)” Bij besluit van 17 juni 2020 heeft het toenmalige bestuur de Stichting met onmiddellijke ingang ontbonden en Mazu aangesteld als bewaarder van haar boeken en bescheiden. Een KvK-uittreksel vermeldt over de Stichting: “Uitgeschreven uit het handelsregister per 18-06-2020 Op 18-06-2020 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 17-06-2020. (…) Bewaarder boeken en bescheiden: (…) Mazu Ventures B.V. (…)” Bij op 14 september 2020 gewezen kortgeding(verstek)vonnis (zaak C/13/688283/KG ZA 20-712) heeft de voorzieningenrechter Amsterdam op vordering van [geïntimeerden] , kort gezegd, de Stichting op verbeurte van een dwangsom veroordeeld tot afgifte van (kopieën van): a. de schikkingsovereenkomst die de Stichting met Reggeborgh heeft gesloten en de tussen hen daarover in de periode van 1 januari 2019 tot en met 2020 gevoerde correspondentie; b. de overeenkomsten die de Stichting met derden heeft gesloten waarmee zij haar vordering op [persoon C] en/of Reggeborgh heeft overgedragen (hierna: de cessie) en de tussen hen daarover gevoerde correspondentie; c. de bankafschriften van de door de Stichting aangehouden bankrekeningen voor zover die zien op (deel)betalingen van de schikking en/of de cessie. Bij op 29 april 2021 tussen [geïntimeerden] enerzijds en de Stichting, [persoon A] en Mazu anderzijds gegeven beschikking heeft de rechtbank Amsterdam een door [geïntimeerden] verzocht voorlopig getuigenverhoor toegewezen dat zag op de in het kader van de vordering van € 182.681.479,-- overeengekomen schikking. i. Bij op 21 december 2021 gewezen kortgedingvonnis (zaak C/08/273169/KG ZA 21-249) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op vordering van [geïntimeerden] , kort gezegd: a. [geïntimeerden] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tegen Reggeborgh ; b. Reggeborgh Bestuur N.V. en [[XY]] N.V. hoofdelijk op verbeurte van een dwangsom veroordeeld tot afgifte van (kopieën van): 1. de naar aanleiding van gesprekken tussen echtpaar [persoon B] en [persoon E] gesloten (vaststellings)overeenkomst; 2. alle overeenkomsten die [persoon B] of enige voormalige bestuurder van de Stichting met [persoon C] en/of Reggeborgh heeft gesloten in verband met de beëindiging van gerechtelijke procedures van de Stichting tegen [persoon C] en/of Reggeborgh alsmede alle tussen hen daarover gewisselde correspondentie; 3. alle correspondentie tussen de Stichting enerzijds en [persoon C] en/of Reggeborgh anderzijds in verband met de beëindiging van gerechtelijke procedures van de Stichting tegen [persoon C] en/of Reggeborgh ; 4. alle bankafschriften van door Reggeborgh , [persoon C] of een aan hen gelieerde entiteit of persoon gedane betalingen in verband met de gerechtelijke procedures van de Stichting tegen [persoon C] en/of Reggeborgh . Inzet eerste aanleg: 3.3 In dit met de dagvaarding van 27 augustus 2021 ingeleide geding hebben [geïntimeerden] in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd dat Mazu en [persoon A] op verbeurte van een dwangsom hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot: a. nakoming van het op 14 september 2020 door de voorzieningenrechter Amsterdam gewezen kortgeding(verstek)vonnis; b. afgifte van (kopieën van): 1. de schikkingsovereenkomsten die de Stichting met [persoon C] en/of Reggeborgh heeft gesloten en de tussen hen daarover gevoerde correspondentie; 2. de cessie (van vorderingen op [persoon C] en/of Reggeborgh ) die de Stichting met derden is aangegaan alsmede de tussen hen daarover gewisselde correspondentie; 3. de bankafschriften van de door de Stichting aangehouden bankrekeningen voor zover die zien op (deel)betalingen van die schikkingsbedragen en die cessie. 3.4 Bij het beroepen vonnis heeft de voorzieningenrechter Mazu op vordering van [geïntimeerden] , kort gezegd: I. op verbeurte van een dwangsom veroordeeld tot afgifte van kopieën van: de schikkingsovereenkomsten die de Stichting met [persoon C] en/of Reggeborgh heeft gesloten en de tussen hen daarover gevoerde correspondentie; de cessie (van vorderingen op [persoon C] en/of Reggeborgh ) die de Stichting met derden is aangegaan alsmede de tussen hen daarover gewisselde correspondentie; de bankafschriften van de door de Stichting aangehouden bankrekeningen voor zover die zien op (deel)betalingen van die schikkingsbedragen en die cessie. II. veroordeeld tot betaling van de op € 1.408,21 begrote proceskosten, met nakosten en wettelijke rente. De voorzieningenrechter heeft de vordering tegen [persoon A] afgewezen en Mazu in zoverre veroordeeld tot betaling van de op € 0,-- begrote proceskosten. Inzet hoger beroep: 3.5 In beroep formuleert Mazu acht grieven en concludeert Mazu in de kern dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen en [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen tot - betaling van de proceskosten van de eerste aanleg en het beroep, met nakosten; - terugbetaling van wat Mazu ter uitvoering van het beroepen vonnis heeft betaald, met wettelijke rente. 3.6 [geïntimeerden] weerspreken de grieven en concluderen in hoofdlijn dat het hof het beroep zal verwerpen en Mazu zal veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het beroep. Bevoegdheid Nederlandse rechter: 3.7 Het hof overweegt dat dit geschil internationale aspecten heeft omdat [geïntimeerde 2] in [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk) woont. De voorzieningenrechter heeft terecht en onbestreden de Nederlandse rechter bevoegd geoordeeld. Onbestreden is de toepasselijkheid van Nederlands recht. Bij gebreke van partijdebat hierover behoeft dit verder geen bespreking. Voorliggende rechtsstrijd: 3.8 Dit beroep beperkt zich tot de rechtsverhouding tussen Mazu en [geïntimeerden] De in eerste aanleg als mede-gedaagde betrokken [persoon A] is in beroep geen partij (meer), zodat door de voorzieningenrechter ten aanzien van [persoon A] gegeven beslissingen in beroep niet aan de orde zijn. 3.9 Met de in beroep geformuleerde vorderingen en grieven spitst dit beroep zich verder toe op de bij het beroepen vonnis aan [geïntimeerden] toegewezen vorderingen I.a, I.b en I.c zoals hiervóór onder rov. 3.4 bedoeld. Bij gebreke van daartegen ingesteld (incidenteel) beroep zijn de inleidende vorderingen van [geïntimeerden] in beroep niet aan de orde voor zover de kantonrechter die heeft afgewezen. Grondslag vordering: 3.10 [geïntimeerden] leggen aan de vorderingen I.a, I.b en I.c artikel 843a Rv ten grondslag. [geïntimeerden] betogen in de kern dat zij op 8 oktober 2010 met [persoon B] en (directeur [persoon F] namens) de Stichting een “Schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst” hebben gesloten op basis waarvan zij recht hebben om mee te delen in de inkomsten die de Stichting zal verwerven uit de op 9 oktober 2010 door [persoon B] aan de Stichting gecedeerde schadevorderingen. [geïntimeerden] betogen dat het in dit verband door de Stichting tegen [persoon C] en Reggeborgh aanhangig gemaakte geding, waarin laatstelijk het hofarrest van 4 februari 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:327) is gewezen, is geëindigd met een vaststellingsovereenkomst waaruit de Stichting inkomsten heeft verworven. Omdat die overeenkomst en inkomsten voor hen worden verzwegen althans onbekend worden gehouden, stellen [geïntimeerden] belang te hebben bij de in dat verband gewisselde (met de vorderingen I.a, I.b en I.c verlangde) stukken waarover Mazu als bewaarder van de boeken en bescheiden van de ontbonden Stichting moet beschikken. Spoedeisend belang: 3.11 Voor zover Mazu als verweer met grief 8 opkomt tegen het door de voorzieningenrechter voor kort geding voldoende geachte spoedeisend belang, kan dat onbesproken blijven. Het hof zal het voor kort geding vereiste spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen zelf onderzoeken. 3.12 Het hof oordeelt het voor kort geding vereiste spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen actueel aanwezig. [geïntimeerden] wensen terecht op de kortst mogelijke termijn over de verlangde informatie te beschikken om te kunnen beoordelen wat de bedoelde overeenkomsten precies inhouden, (of
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.