Parketnummer : 20-002914-20 Uitspraak : 9 mei 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ’s-Hertogenbosch, van 16 december 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-290125-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1 eerste lid van de Wet dieren’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de [benadeelde partij] tot een bedrag van € 2.132,54 toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal primair gevorderd om de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van €1.811,54 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Verder is primair de afwijzing van de vordering van de benadeelde partij bepleit in verband met de bepleitte vrijspraak. Subsidiair is een matiging van de vordering van de benadeelde partij bepleit. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 15 november 2020 te Nuenen, gemeente Nuenen c.a. zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een hond (soort: Cocker Spaniël), pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door met een luchtbuks op/tegen het lichaam van die voornoemde hond te schieten. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij: op 15 november 2020 te Nuenen, gemeente Nuenen c.a. met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een hond (soort: Cocker Spaniël), pijn en letsel heeft veroorzaakt en de gezondheid en het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door met een luchtbuks op/tegen het lichaam van die voornoemde hond te schieten. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte met het schieten op de hond van aangeefster een redelijk doel had, te weten het verjagen van een ‘wilde’ hond op het terrein waar hij werkte. De verdachte heeft in een split second gehandeld om de dieren van de eigenaar waar hij voor werkt en verantwoordelijk was en zijn eigen duiven te beschermen. De hond was op andermans terrein, leek wild en had al twee kippen gedood. Een waarschuwingsschot in de billen lijkt volgens de verdediging het doel voorbij te streven, maar in casu was er geen reëel alternatief nu de verdachte al had geschreeuwd en met zijn armen had gezwaaid. Het alternatief dat hij ook in de lucht had kunnen schieten was niet reëel, omdat het afschieten van de buks geen lawaai maakt. De verdachte kende de hond niet, maar de hond vertoonde dermate agressief jaaggedrag dat hij niet anders kon handelen, dan door te schieten. Het feit dat dit heel ongelukkig heeft uitgepakt is een ongelofelijk nare bijkomstigheid. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De tenlastelegging in de onderhavige zaak is toegesneden op artikel 2.1, eerste lid, van de Wet Dieren, dat voorschrijft dat het verboden is om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. Uit het dossier volgt dat op 15 november 2020 rond het middaguur de Engelse Cocker Spaniël, genaamd [naam hond] , van [benadeelde partij] aan haar ontsnapte en onder de afrastering van de boerderij aan de [adres 2] te Nuenen door schoot. Op het moment dat de hond onder de afrastering door schoot, was de verdachte de duiven in de duiventil aan het voeren. De verdachte hoorde paniek onder de kippen en zag ze overal in de rondte vliegen. De verdachte zag dat er een rode hond liep die twee kippen had gedood. De hond rende op en neer om de kippen te pakken. De hond raakte geobsedeerd door de duiven, rende naar de duiventil en sprong daar tegen op. De verdachte pakte zijn luchtbuks en wilde hem in zijn kont schieten om hem te verjagen. Als gevolg van het schot is een kogeltje in de ruggenwerf van de hond terechtgekomen waardoor deze ernstig gewond is geraakt en als gevolg daarvan uiteindelijk is geëuthanaseerd. Het hof volgt de verdachte in zijn verklaring dat hij heeft geschoten met als doel het verjagen van de hond van het terrein zodat deze de kippen en duiven met rust zou laten. De verdachte was bang dat de hond zijn duiven zou aanvallen nadat de hond eerder twee kippen had doodgebeten. Hoewel de verdachte niet zonder redelijk doel heeft gehandeld is het hof wel van oordeel dat de verdachte de grenzen heeft overschreden van hetgeen ter bereiking van het doel, namelijk het verjagen van de hond, toelaatbaar was. Toen de verdachte de hond zag, stond hij naar eigen zeggen op tien meter afstand. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij eerst met zijn handen heeft gezwaaid en geschreeuwd. Hierna is de verdachte naar de dixie, die bij de duiventil stond, gelopen en heeft hij zijn luchtbuks gepakt. De verdachte heeft toen op korte afstand gericht op de kont van de hond geschoten. Het hof is van oordeel dat het op korte afstand gericht op de hond schieten met een luchtbuks terwijl deze tegen de duiventil opsprong, en de duiven zich in de duiventil bevonden, disproportioneel is geweest. De verdachte, werkzaam op een boerderij, had naar het oordeel van het hof minder ingrijpende middelen moeten en kunnen kiezen. De verdachte heeft dit echter niet gedaan. Dat de verdachte eerst op geruime afstand met zijn armen heeft gezwaaid en geschreeuwd maakt dit niet anders. Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte door aldus te handelen in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1 eerste lid van de Wet Dieren. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan dierenmishandeling. De verdachte heeft met een luchtbuks op een hond geschoten als gevolg waarvan de hond is overleden. Het hof rekent dit de verdachte aan. De verdachte heeft door zijn handelen het gezin waartoe de hond behoorde verdriet gedaan. De verdachte heeft onvoldoende oog gehad voor het op een andere manier oplossen van de situatie. Daarnaast heeft het hof bij de strafoplegging acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.