GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummers 200.275.831/01 en 200.279.084/01 arrest van 17 mei 2022 in de zaak met zaaknummer 200.275.831/01 van [appellant] pro se en als versterferfgenaam van [persoon A] (hierna: [persoon A] ), wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. G.H.J. Spee te Nijmegen, tegen 1 [geïntimeerde 1] , pro se en als versterferfgenaam van [persoon A] , wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. G.G.J. van Kooten te Veldhoven, 2. [geïntimeerde 2] , pro se en als versterferfgenaam van [persoon A] , wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. J.P.M. Bergmans te Maastricht, 3. [geïntimeerde 3] , pro se en op de voet van artikel 118 Rv opgeroepen als versterferfgenaam van [persoon A] ,wonende te [woonplaats] , niet verschenen, 4. [geïntimeerde 4], pro se en op de voet van artikel 118 Rv opgeroepen als versterferfgenaam van [persoon A] , wonende te [woonplaats] , niet verschenen, geïntimeerden, op het bij exploot van dagvaarding van 31 januari 2020 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 28 augustus 2019 en 15 januari 2020, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellant als (mede)gedaagde (samen met geïntimeerden sub 2, 3 en 4) in conventie, eiser in reconventie en geïntimeerde sub 1 (pro se alsmede in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [persoon A] ) als eiseres in conventie, verweerster in reconventie; in de zaak met zaaknummer 200.279.084/01 van [appellant] , pro se en als versterferfgenaam van [persoon A] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. G.H.J. Spee te Nijmegen, tegen 1. [geïntimeerde 1] pro se en als versterferfgenaam van [persoon A] ,wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [geïntimeerde 1] ; advocaat: mr. G.G.J. van Kooten te Veldhoven, 2. [geïntimeerde 2] , pro se en als versterferfgenaam van [persoon A] ,wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [geïntimeerde 2] , advocaat: mr. J.P.M. Bergmans te Maastricht, 3. [geïntimeerde 3] , pro se en op de voet van artikel 118 Rv opgeroepen als versterferfgenaam van [persoon A]wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [geïntimeerde 3] , niet verschenen, 4. [geïntimeerde 4], pro se en op de voet van artikel 118 Rv opgeroepen als versterferfgenaam van [persoon A] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [geïntimeerde 4] , niet verschenen, geïntimeerden, op het bij exploot van dagvaarding van 18 mei 2020 ingeleide hoger beroep van het (aanvullend) vonnis van 19 februari 2020, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als (mede)gedaagde (samen met [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ) in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde 1] (pro se alsmede in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [persoon A] ) als eiseres in conventie, verweerster in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/255289 / HA ZA 18-491) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. Het aanvullend vonnis van 19 februari 2020 heeft hetzelfde zaak-/rolnummer als de overige vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure in de zaak 200.275.831/01 blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] verleende verstek; de memorie van grieven van [appellant] met producties; de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] met producties; de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] . Het verloop van de procedure in de zaak 200.279.084/01 blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] verleende verstek; de memorie van grieven [appellant] met producties; de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] met producties; de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] . In beide zaken: - heeft mr. Spee bij brief van 26 oktober 2021 producties 3 tot en met 6 toegezonden. - heeft mr. Van Kooten bij brief van 1 november 2021 productie 9 toegezonden; - heeft het hof op 10 november 2021 een mondelinge behandeling gehouden. Beide partijen hebben de genoemde producties bij deze mondelinge behandeling bij akte in het geding gebracht. Tevens heeft de advocaat van [appellant] spreeknotities en een kopie van een e-mail van [X] Makelaardij van 10 november 2021 aan [appellant] (cc aan [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 3] ) overgelegd; - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van beide zaken op 10 november 2021; - de akten na mondelinge behandeling van [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . [appellant] heeft tevens de oproepingsexploten en herstelexploten ex artikel 118 Rv van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] in hun hoedanigheid van versterferfgenaam van [persoon A] in het geding gebracht. Beide zaken zijn door een administratieve rolvoeging gevoegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest in beide zaken bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling In beide zaken: 3.1. In overweging 2 van het bestreden vonnis van 28 augustus 2019 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten. a. Partijen, alsmede de inmiddels overleden [persoon A] , zijn de zes kinderen van [de moeder] (moeder), overleden op [datum] 2012 en [de vader] (vader), overleden op [datum] 2015. Vader en moeder, die in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren, zijn op 8 december 1984 gescheiden, maar de huwelijksgoederengemeenschap is nooit verdeeld. Zij bewoonden tot (kort voor) hun overlijden afzonderlijk de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [postcode] [plaats] (hierna ook: de woning). b. Moeder heeft bij testament van 10 juni 1977 over haar nalatenschap beschikt. In haar nalatenschap zijn alle zes de kinderen tot erfgenaam benoemd, ieder voor 1/6e deel. c. Vader heeft bij testament van 5 maart 2015 beschikt over zijn nalatenschap. Daarin is [geïntimeerde 1] benoemd tot executeur, welke executele zij heeft aanvaard, en is [geïntimeerde 3] onterfd. De overige vijf kinderen zijn tot erfgenaam benoemd. [geïntimeerde 3] heeft aanspraak gemaakt op de legitieme portie. Aldus heeft [geïntimeerde 3] als legitimaris een vordering van 1/12e (gelijk aan 5/60e) deel van de waarde van het vermogen van vader. De overige vijf kinderen zijn ieder voor 11/60e deel gerechtigd in de nalatenschap van vader. d. [appellant] heeft de nalatenschap van moeder op 2 augustus 2017 en van vader op 3 augustus 2017 beneficiair aanvaard. e. [persoon A] is overleden op [datum] 2019. [geïntimeerde 1] was op 19 november 2008 tot bewindvoerder benoemd over de goederen van [persoon A] . Eerste aanleg 3.2.1. In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde 1] – voor zich en in eerste aanleg in haar hoedanigheid als bewindvoerder van [persoon A] - (in conventie) samengevat: de verdeling van de nog onverdeelde goederen van de nalatenschap van moeder en vader vast te stellen, althans de wijze van de verdeling van de nalatenschap van moeder en vader te gelasten als omschreven in randnummers 14 t/m 18 van de dagvaarding en productie 6 en daarbij: 1. [appellant] te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de financiële afwikkeling van de nalatenschappen van moeder en vader (verdeling en opheffing saldi bankrekeningen na aftrek bankkosten en transport van de ouderlijke woning aan [geïntimeerde 1] ), meer in het bijzonder hem te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van een notariële akte waarbij de woning zal worden geleverd aan [geïntimeerde 1] voor een koopprijs van € 100.500,--, op straffe van een dwangsom; 2. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de onder 1. bedoelde te verlenen medewerking indien [appellant] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen zoals bedoeld in artikel 3:300 BW; 3. proces- en nakosten met rente. 3.2.2. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde 1] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De boedels van beide nalatenschappen liggen voor verdeling gereed en de fase van vereffening is gepasseerd omdat er geen schulden zijn van de nalatenschap (anders dan de schuld van [geïntimeerde 1] vanwege het voldoen van kosten voor de boedel en de schuld aan [geïntimeerde 3] in de nalatenschap van vader vanwege zijn beroep op de legitieme portie). [geïntimeerde 1] vordert als deelgenoot verdeling van deze nalatenschappen op grond van artikel 3:178 BW jo 3:185 BW. 3.2.3. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. Daarnaast heeft [appellant] in reconventie – samengevat – gevorderd: I. [geïntimeerde 1] te veroordelen om de administratie van moeder en vader zoals aanwezig c.q. aangetroffen per overlijdensdatum te verstrekken, althans in kopie, althans ter inzage te doen leggen met het recht van [appellant] om daarvan kopieën te maken, zulks op straffe van een dwangsom; II. [geïntimeerde 1] te veroordelen om een overdrachtsnotitie te verstrekken waarin zij (onderbouwd met verificatoire bescheiden) rekening en verantwoording aflegt aan [appellant] over het door haar gevoerde beheer van de nalatenschappen van vader en moeder in de periode vanaf de datum van overlijden van moeder tot heden; III. [geïntimeerde 1] te veroordelen aan de nalatenschap een gebruiksvergoeding te voldoen van € 19.890,46, te vermeerderen met de na december 2018 verstreken termijnen; IV. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde 1] haar aandeel heeft verbeurd in de verzwegen boedelbestanddelen. 3.2.4. [geïntimeerde 2] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.2.5. In het tussenvonnis van 28 augustus 2019 heeft de rechtbank [geïntimeerde 1] in de gelegenheid gesteld om geactualiseerde en inzichtelijke boedelbeschrijvingen in het geding te brengen, uitdrukkelijk rekening houdend met wat in dat vonnis is overwogen en beslist. 3.2.6. Bij rolbeslissing van 6 november 2019 heeft de rechtbank het verzoek van mr. Spee om tussentijds hoger beroep toe te staan, afgewezen. 3.2.7. In het eindvonnis van 15 januari 2020 heeft de rechtbank in conventie en reconventie: 1. de verdeling van de nalatenschap van moeder aldus vastgesteld, dat van het saldo van deze nalatenschap per 22 september 2019 van € 68.876,35 aan alle zes kinderen een bedrag van € 11.479,39 ieder toekomt. De verdeling van de nalatenschap van vader is aldus vastgesteld, dat van het saldo in deze nalatenschap per 22 september 2019 van € 47.891,77 aan [geïntimeerde 1] , [persoon A] , [appellant] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] ieder € 8.780,16 toekomt en aan [geïntimeerde 3] € 3.990,98, met dien verstande dat deze bedragen nog herberekend dienen te worden vanwege de na 22 september 2019 tot de datum van overdracht van de woning doorlopende inkomsten en uitgaven; 2. [appellant] veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de financiële afwikkeling van de nalatenschappen van moeder en vader (verdeling en opheffing saldi bankrekeningen na aftrek bankkosten en transport van de ouderlijke woning aan [geïntimeerde 1] ), meer in het bijzonder om zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van een notariële akte waarbij de woning zal worden geleverd aan [geïntimeerde 1] (waarbij de notariële en kadastrale kosten zullen worden gedragen door [geïntimeerde 1] ) voor een koopprijs van € 100.500,--, zulks op straffe van een dwangsom. De proceskosten zijn gecompenseerd. 3.2.8. De rechtbank heeft vervolgens bij het bestreden vonnis van 19 februari 2020 op verzoek van [geïntimeerde 1] het vonnis van 15 januari 2020 aangevuld in die zin dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het hoger beroep in beide zaken 3.3. [appellant] heeft in hoger beroep in beide zaken een gelijkluidende memorie van grieven ingediend en hierin zeven grieven (genummerd 1, 2, 3, 4, 6, 7, en 8) aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen, tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde 1] en tot het alsnog toewijzen van zijn (reconventionele) vorderingen. Hierbij heeft hij het hof tevens verzocht om te bepalen wat de omvang van de nalatenschappen van moeder én vader is, daarbij rekening houdend met de door [geïntimeerde 1] te betalen gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning. Tot slot heeft hij een proceskostenveroordeling gevorderd. Processuele kwesties 3.4.1. Voordat het hof inhoudelijk op de zaak zal ingaan, stelt het hof voorop dat op grond van artikel 332 Rv de rechter ambtshalve moet beoordelen wie de partijen zijn en of deze in hoger beroep partij kunnen zijn. In de zaak 200.275.831/01 is [geïntimeerde 1] alleen gedagvaard als bewindvoerder van [persoon A] en niet pro se, terwijl zij in de bestreden vonnissen van 28 augustus 2019 en 15 januari 2020 in beide hoedanigheden partij was. [appellant] heeft dit willen herstellen in de appeldagvaarding in de zaak 200.279.084/01, in welke procedure [geïntimeerde 1] zowel pro se als in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [persoon A] is opgeroepen. Tevens heeft het hof geconstateerd dat door het overlijden van [persoon A] op [datum] 2019 het bewind van rechtswege is geëindigd. 3.4.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof deze procesrechtelijke aspecten aan partijen voorgehouden. [geïntimeerde 1] heeft ter zitting aangegeven dat zij ervan uitgegaan was dat [appellant] in de procedure 200.275.831/01 haar ook pro se had willen oproepen en dat zij thans vrijwillig in die procedure is verschenen. Dit heeft zij nadien nog bij akte bevestigd. Partijen hebben in verband met het overlijden van [persoon A] ter zitting aangegeven mede als versterferfgenaam van [persoon A] in deze procedure te willen verschijnen. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om de niet verschenen erfgenamen ( [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ) op de voet van artikel 118 Rv als versterferfgenaam van [persoon A] in het geding te roepen. Nadat [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] op de juiste wijze zijn opgeroepen zijn zij niet in de procedure verschenen. Bij akten na mondelinge behandeling hebben de verschenen partijen bevestigd dat zij thans in de procedure willen verschijnen zoals hierboven aangegeven. 3.4.3. Het hof is van oordeel dat met het bovenstaande geen van partijen onredelijk in zijn of haar belangen wordt geschaad en recht wordt gedaan aan de rechtspositie van de werkelijk belanghebbende partijen bij de rechtsbetrekkingen in het onderhavige geschil. Het hof heeft de tenaamstelling van partijen dan ook dienovereenkomstig aangepast. 3.4.4. Ter zitting heeft het hof nog geprobeerd om de zaak tussen partijen minnelijk te regelen, maar een regeling is niet tot stand gekomen. Vereffening (grief 1) 3.5. [appellant] stelt dat de rechtbank ten onrechte de vereffening heeft overgeslagen omdat [geïntimeerde 1] onvoldoende aangetoond zou hebben dat de nalatenschappen ruimschoots toereikend zijn om de schulden te voldoen. De rechtbank heeft miskend dat alleen het testament van vader was voorzien met een executeursbenoeming. In de nalatenschap van moeder was [geïntimeerde 1] geen executeur. De verklaringen van [geïntimeerde 1] over de nalatenschap van moeder kunnen dan ook niet worden beschouwd als een zogenoemde ‘ruimschoots voldoende’-verklaring als bedoeld in artikel 4:202 lid 1 sub a BW. Omdat de door [geïntimeerde 1] opgestelde boedelbeschrijvingen niet volledig waren, kunnen deze volgens [appellant] niet als een dergelijke verklaring worden gezien. 3.6. [geïntimeerde 1] erkent dat zij alleen tot executeur-testamentair was benoemd in de nalatenschap van vader. Ten aanzien van de nalatenschap van moeder ging [geïntimeerde 1] ervan uit dat de overige erfgenamen ermee hadden ingestemd dat zij de nalatenschap zou afwikkelen, wat ook door [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] is bevestigd. Pas in 2017 werd het voor [geïntimeerde 1] duidelijk dat [appellant] niet had ingestemd. Op het moment dat [appellant] kenbaar had gemaakt betrokken te willen zijn bij de afwikkeling van de nalatenschappen, heeft [geïntimeerde 1] [appellant] alle informatie gegeven. 3.7. Het hof oordeelt als volgt. Ter zitting heeft [appellant] aangegeven dat de nalatenschappen rijp zijn voor verdeling. Beide nalatenschappen zijn door [appellant] beneficiair aanvaard en moeten dus vereffend worden, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen (artikel 4:202 lid 1 BW). In de nalatenschap van vader is [geïntimeerde 1] tot executeur benoemd en kan dus worden volstaan met een zogenoemde ruimschoots toereikend verklaring. Dit is anders in de nalatenschap van moeder. Voor deze nalatenschap geldt dat alle erfgenamen vereffenaar zijn omdat deze nalatenschap door [appellant] beneficiair is aanvaard (zie artikel 4:195 lid 1 BW). Tot de verplichtingen van de vereffenaar behoren onder meer het oproepen van schuldeisers, het deponeren van een lijst van vorderingen als bedoeld in artikel 4:214 leden 1 en 5 BW alsmede het deponeren van een rekening en verantwoording met uitdelingslijst (artikel 4:218 BW). Indien de gezamenlijke erfgenamen overeenkomstig artikel 4:195 BW als vereffenaars optreden, rusten op hen de hiervoor vermelde verplichtingen slechts indien de kantonrechter dit heeft bepaald (artikel 4:221 lid 1 BW). Indien dit niet het geval is, kan volstaan worden met een zogenaamde lichte vereffening. Bij een lichte vereffening zijn de vereffenaars alleen verplicht een boedelbeschrijving op te maken (artikel 4:211 lid 3 BW), dienen zij contact op te nemen met de bekende schuldeisers van de nalatenschap (artikel 4:214 lid 2 BW) en de vorderingen te voldoen. 3.8. Gebleken is dat [geïntimeerde 1] de taak van vereffenaar op zich heeft genomen met instemming van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] . Pas twee jaar na het overlijden van vader bleek dat [appellant] , die in die tijd geen contact had met de overige erfgenamen hoewel hij wel op de hoogte was gesteld van het overlijden van zijn ouders, hiertegen bezwaar maakte en de nalatenschappen van moeder en vader beneficiair heeft aanvaard. In de tussentijd had [geïntimeerde 1] de vorderingen van de schuldeisers al voldaan en heeft zij boedelbeschrijvingen van beide nalatenschappen opgesteld. Ter zitting heeft [geïntimeerde 1] ook verklaard dat er geen (belasting)schulden meer zijn, buiten de schuld van haar in verband met de lopende verplichtingen die zij ten behoeve van de nalatenschap heeft voldaan en de schuld van [geïntimeerde 3] als legitimaris in de nalatenschap van vader. Dit heeft [appellant] niet bestreden. Het hof is dan ook van oordeel dat voor de nalatenschap van moeder [geïntimeerde 1] als vereffenaar heeft voldaan aan de verplichtingen van een lichte vereffening (zoals het opmaken van een boedelbeschrijving en het voldoen van de vorderingen van bekende schuldeisers) heeft voldaan. Het hof ziet geen aanleiding om alsnog de in artikel 4:214 leden 1 en 5 BW en in artikel 4:218 BW genoemde verplichtingen op partijen te laten rusten. 3.9. Voor wat betreft de vereffening van de nalatenschap van vader kon [geïntimeerde 1] volstaan met de door haar opgemaakte boedelbeschrijving. Hieruit is immers af te leiden dat de nalatenschap van vader ruimschoots toereikend is om schulden uit die nalatenschap te voldoen. Het hof acht deze boedelbeschrijving voldoende om te spreken van een afgelegde ‘ruimschoots toereikend verklaring’, aangezien de wet niet bepaalt in welke vorm deze verklaring afgelegd dient te worden. 3.10. [appellant] stelt nog dat [geïntimeerde 1] en de overige erfgenamen op enig moment aan het verdelen zijn geslagen, maar dit is door [geïntimeerde 1] gemotiveerd betwist. Gelet op deze betwisting had van [appellant] mogen worden verwacht zijn stelling op dit punt nader toe te lichten. Dit heeft bij nagelaten. Het hof gaat daarom als onvoldoende onderbouwd aan deze stelling voorbij. 3.11. Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat geen sprake meer kan zijn van benadeling van schuldeisers van de beide nalatenschappen. Dit betekent dat nu over kan worden gegaan tot verdeling daarvan. Grief 1 faalt dan ook. Verdeling 3.12. Het hof stelt voorop dat partijen de verdeling van de nalatenschappen van moeder en vader wensen aangezien zij niet tot overeenstemming kunnen komen hoe de nalatenschappen verdeeld dienen te worden. [geïntimeerde 1] heeft een verdeling van deze nalatenschappen gevorderd als bedoeld in artikel 3:185 BW. Op grond van het bepaalde in artikel 3:185 BW geldt dat voor zover deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming komen, de rechter op verzoek van een van hen de wijze van verdeling gelast, dan wel dat de rechter de verdeling zelf vaststelt. Hij dient hierbij zowel rekening te houden met de belangen van partijen als met het algemeen belang. De betrokken partijen kunnen naar voren brengen hoe deze verdeling naar zijn/haar zienswijze moet plaatsvinden. De rechter is volgens vaste rechtspraak echter niet gebonden aan hetgeen partijen ter zake over en weer hebben verzocht en behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. Voor deze specifieke zaak acht het hof van belang, dat de afwikkeling en verdeling van de twee nalatenschappen een puur interne aangelegenheid is in die zin, dat er buiten partijen geen externe schuldeisers of schuldenaren van de nalatenschappen van vader en/of moeder (meer) zijn. Waarde woning (grief 2) 3.13. In eerste instantie waren partijen het niet eens over de waarde van de woning en de peildata waarop de woning gewaardeerd moet worden. Ter zitting is gebleken dat de woning te koop stond en dat er al diverse biedingen gedaan waren. Het hof heeft vervolgens met partijen afgesproken dat zij zich na de zitting uit zouden laten over de verkoopwaarde van de woning. Uit de akten na mondelinge behandeling volgt dat de woning is verkocht voor een bedrag van € 200.555,- en dat de overdracht op 21 januari 2022 heeft plaatsgevonden. Dit maakt dat de vordering van [geïntimeerde 1] waarin zij toedeling van de woning aan haar en medewerking van [appellant] aan de levering daarvan vordert, is achterhaald. [geïntimeerde 1] heeft daarom geen belang meer bij deze vordering. Bij gebreke daarvan zal deze worden afgewezen. 3.14 De vraag is welke peildata het hof moet hanteren nu de (verkoopwaarde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.