GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 20/00549 en 21/00429 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (Frankrijk), hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 september 2020, nummer BRE 19/2337, en op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 januari 2021, nummer BRE 20/4763, in de gedingen tussen belanghebbende en de inspecteur. 1Ontstaan en loop van de gedingen 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor 2015 en 2016 aanslagen inkomstenbelasting (hierna: IB) opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met nummer BRE 19/2337 (aanslag IB 2015) ongegrond verklaard en het beroep met nummer BRE 20/4763 (aanslag IB 2016) gegrond. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op het beroep met nummer BRE 19/2337 hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op het beroep met nummer BRE 20/4763 hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Beide partijen hebben vóór de zitting in beide zaken nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij. 1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2021 in ’s-Hertogenbosch door middel van een tweezijdig audiovisueel elektronisch communicatiemiddel, te weten ‘Skype for Business’. De meervoudige Belastingkamer was tijdens deze zitting samengesteld uit P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, P. Fortuin en L.B.M. Klein Tank. Aan de zitting hebben deelgenomen belanghebbende en zijn gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn beide zaken gelijktijdig behandeld. 1.8. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of stukken in te zenden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden. 1.10. De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde 1] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn beide zaken gelijktijdig behandeld. 1.11 In de uitnodiging voor de nadere zitting zijn partijen erop gewezen dat de meervoudige Belastingkamer tijdens de nadere zitting is samengesteld uit P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en S. van Thiel. Ter zitting zijn partijen erop gewezen dat de zaak wordt voortgezet, gelet op artikel 8:64, lid 3, Awb, in de stand waarin zij zich bevond op 11 november 2021. Partijen hebben daarmee ingestemd. 1.12. Het hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek gesloten. 1.13. Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1938, is alleenstaand, en was in 2015 en 2016 woonachtig in Frankrijk. 2.2. Belanghebbende heeft op 11 mei 2016 de aangifte IB 2015 ingediend en op 22 mei 2017 de aangifte 2016. De aangiften zijn ingediend naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning: 2015 2016 AOW-uitkeringen SVB € 13.341 13.676 Pensioeninkomsten Stichting Pensioenfonds ABP € 31.959 31.959 Eigenwoningforfait € 1.800 1.800 Hypotheekrenteaftrek € -6.706 - 6.483 Onderhoudsverplichtingen (alimentatie) € -4.618 - 4.618 Specifieke zorgkosten € -1.589 - 885 Elders belast € -13.341 - 13.676 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 20.846 21.773 Belanghebbende heeft aangegeven dat hij aangemerkt kan worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. 2.3. De inspecteur heeft de aanslag IB 2015 met dagtekening 21 september 2018 vastgesteld en de aanslag IB 2016 met dagtekening 11 oktober 2019. Bij de vaststelling van de aanslagen is hij afgeweken van de aangiften. De aanslagen zijn vastgesteld naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning: 2015 2016 AOW-uitkeringen SVB € 13.341 13.676 Pensioeninkomsten Stichting Pensioenfonds ABP € 31.959 31.959 Elders belast € - 13.341 - 13.676 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 31.959 31.959 Belanghebbende is niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt. In de aanslag IB 2016 is de algemene heffingskorting voor een bedrag van € 382 in aanmerking genomen. 2.4. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard. 2.5. De rechtbank heeft het beroep betreffende de aanslag IB 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep betreffende aanslag IB 2016 gegrond verklaard en de aanslag IB 2016 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.773, rekening houdend met een algemene heffingskorting van € 382 en met 1.095/14.771e deel van het IB-deel van de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting. 2.6. In Frankrijk is belanghebbende in 2015 en in 2016 geen IB verschuldigd. Belanghebbende heeft in Frankrijk over 2015 en 2016 nihilaanslagen ontvangen. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: a. Kan belanghebbende worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, lid 8, Wet IB 2001 in verbinding met artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001 met als gevolg dat ten aanzien van belanghebbende rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie (hierna ook: persoonlijke tegemoetkomingen)? Heeft belanghebbende (rechtstreeks) recht op persoonlijke tegemoetkomingen op grond van het Unierecht? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag IB 2015. De inspecteur concludeert met betrekking tot de aanslag IB 2015 primair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank, subsidiair tot vermindering van de aanslag. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag IB 2016 overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank en in aanvulling daarop tot verhoging van de algemene heffingskorting tot € 495. De inspecteur concludeert met betrekking tot de aanslag IB 2016 primair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar en subsidiair tot vermindering van de aanslag. 4Gronden Vooraf 4.0. De inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank op het beroep met nummer BRE 20/4763 (zie 1.5). Belanghebbende stelt dat hij incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Tijdens de zitting van 11 november 2021 heeft het hof belanghebbende voorgehouden dat het hof geen incidenteel hoger beroepschrift heeft ontvangen. Het hof heeft belanghebbende toen in de gelegenheid gesteld het geschrift alsnog in te sturen, er daarbij op gewezen dat nog beoordeeld zal worden of belanghebbende het incidentele hoger beroep tijdig heeft ingesteld en voorgehouden dat tijdige verzending van het stuk voor rekening en risico van belanghebbende is. Tijdens de zitting van 25 februari 2022 heeft belanghebbende desgevraagd meegedeeld dat hij het geschrift niet meer heeft toegezonden aan het hof. Nu het hof geen incidenteel hoger beroepschrift heeft ontvangen, moet ervan worden uitgegaan dat geen incidenteel hoger beroep is ingesteld. Overigens zou, zoals hierna in 4.9 zal blijken, een tijdig ingesteld incidenteel hoger beroep geen effect sorteren. Ten aanzien van het geschil 4.1. Niet in geschil is dat belanghebbende niet op grond van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of belanghebbende op grond van artikel 7.8, lid 8, Wet IB 2001 in verbinding met artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001 als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt. Voor het geval belanghebbende niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt, beroept hij zich rechtstreeks op het Unierecht. 4.2. Artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001 is ingevoerd per 1 januari 2015 en luidt sindsdien als volgt: ‘1. Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 van de wet wordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die: a. pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet: b. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet; en c. aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd. 2. Een buitenlandse belastingplichtige die in een kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, zesde lid, van de wet, en die gedurende een deel van dat kalenderjaar als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die staat of op de BES eilanden wordt betrokken, wordt voor dat deel van het kalenderjaar aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. 3. Voor de inkomensverklaring, bedoeld in artikel 7.8, zesde lid, van de wet, wordt gebruikgemaakt van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring.’. 4.3. Niet in geschil is dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 21bis, lid 1, onderdelen a en b, UBIB. Uitsluitend onderdeel c is in geschil. 4.4. Belanghebbende heeft gesteld dat hem in Frankrijk over de jaren 2015 en 2016 nihilaanslagen IB zijn opgelegd, dat hij in Frankrijk dus geen IB is verschuldigd en dat er in Frankrijk geen aftrekposten in aanmerking zijn genomen. De inspecteur heeft gesteld dat het er bij de toepassing van onderdeel c om gaat dat geen IB is verschuldigd in Frankrijk, uitgaande van het wereldinkomen zonder rekening te houden met een tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting. 4.5. In de artikelsgewijze toelichting bij de invoering van artikel 21bis UBIB 2001 (hierna: de Toelichting) is het volgende opgemerkt. ‘Artikel 21bis, eerste lid, van het UBIB 2001 geeft uitvoering aan de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Commissie v. Estland. Omdat de Europese jurisprudentie over de fiscale behandeling van buitenlandse belastingplichtigen die hun inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in een bronstaat verdienen nog niet volledig is uitgekristalliseerd, is er vooralsnog voor gekozen om zo dicht mogelijk bij genoemde uitspraak te blijven. Dit betekent dat de bepaling alleen van toepassing is op gepensioneerde buitenlandse belastingplichtigen met een klein pensioen (of een kleine lijfrente dan wel andere oudedagsvoorziening, zoals een staatspensioen). Indien zij wegens de geringe hoogte van hun inkomen geen belasting verschuldigd zijn in hun woonland, worden zij aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Aan voornoemde eis wordt voldaan indien het wereldwijde inkomen van de buitenlandse belastingplichtige dermate laag is dat in het woonland geen inkomstenbelasting verschuldigd is als gevolg van regelingen van dat land die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een belastingvrije som. Onder de bepaling valt niet de situatie waarin de belastingplichtige in het woonland geen belasting is verschuldigd door de toepassing van regels ter voorkoming van dubbele belasting, terwijl zonder de toepassing van deze regels wel belasting verschuldigd zou zijn.’. 4.6. Artikel 21bis UBIB 2001 moet worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht en, zoals de Wet IB 2001 ook uitdrukkelijk bepaalt, moet een belastingplichtige worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige indien Nederland onder het Unierecht gehouden is om rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. De vraag is dan ook of de wetgever artikel 21bis UBIB 2001, gelezen in samenhang met de Toelichting, het Unierecht wel op de juiste wijze heeft geïmplementeerd. De Wet IB 2001 en het UBIB 2001 moeten worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht en indien het Unierecht noopt tot een verdergaande tegemoetkoming dan is voorzien in de Toelichting, dan dient aan het Unierecht voorrang te worden gegeven en de beperking die volgt uit de Toelichting buiten toepassing te blijven. Belanghebbende stelt zich ook op het standpunt dat sprake is van strijd met het Unierecht. Volgens belanghebbende wordt in Nederland geen rekening gehouden met de door hem geclaimde aftrekposten, terwijl ook in Frankrijk geen rekening kan worden gehouden met aftrekposten gelet op de hoogte van zijn effectief in Frankrijk belastbare inkomen. Belanghebbende heeft in dat kader diverse argumenten aangevoerd. De inspecteur bestrijdt, eveneens onder aanvoering van diverse argumenten, dat het geval van belanghebbende valt onder het bereik van de Schumacker-rechtspraak. De inspecteur heeft verklaard niet te bestrijden dat belanghebbende een beroep kan doen op de Unierechtelijke (verkeers)vrijheden 4.7. Bij het hof zijn diverse zaken aanhangig waarin de reikwijdte van de zogenoemde Schumacker-rechtspraak van het HvJ EU aan de orde is. Bij de behandeling van deze zaken is gebleken dat deze rechtspraak bij de uitwerking vele vragen oproept. Het hof heeft daarom een poging gedaan om deze vragen te benoemen en een lijn uit te zetten waarlangs de vragen kunnen worden beantwoord. In de bijlage geeft het hof een uiteenzetting van de relevante rechtspraak en de vragen die dit oproept. Geschetst wordt welke vragen beantwoord moeten worden, welke keuzes het hof maakt en waarom het hof tot die antwoorden komt. De bijlage maakt integraal onderdeel uit van deze uitspraak. Aan de hand van de bijlage heeft het hof beoordeeld of de aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB 2015 en 2016 in strijd zijn met het Unierecht, waarbij de hierna vermelde stappen overeenkomen met de stappen in onderdeel 29 van de bijlage. Dat leidt tot de volgende conclusies. 4.8. Belanghebbende voldoet niet aan het zogenoemde 90%-criterium (eerste stap). Het hof stelt tevens vast dat belanghebbende in Frankrijk geen belasting is verschuldigd en dat het aldaar in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen (tweede stap). Daarom moet Nederland als werklidstaat de volgens zijn wetgeving geldende tegemoetkomingen deels verlenen aan de hand van de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen. Dat zou met zich brengen dat de aanslag IB 2015 wordt verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.118, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 807, wat resulteert in een bedrag aan IB van € 1.443 (derde stap). De tegemoetkoming wordt echter begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in Nederland verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende (vierde stap). Voor die ingezetene zou in dat geval een aanslag IB 2015 worden vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.187, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 1.090, wat resulteert in een bedrag aan IB van € 2.722. De aanslag IB 2015 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.959 en op een bedrag aan IB van € 3.335. Dat betekent dat deze aanslag te hoog is vastgesteld. Gelet op het vorenstaande zal het hof het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer 20/00549 gegrond verklaren. Het hof zal met betrekking tot de aanslag IB 2015 het bedrag aan IB verminderen van € 3.335 tot € 2.722, en derhalve een bedrag van € 613 als tegemoetkoming in verband met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking nemen. 4.9. Voor de aanslag IB 2016 heeft het volgende te gelden. Ook voor wat betreft de aanslag IB 2016 voldoet belanghebbende niet aan het zogenoemde 90%-criterium (eerste stap). Het hof stelt tevens vast dat belanghebbende in Frankrijk geen belasting is verschuldigd en dat het aldaar in aanmerking te nemen inkomen onvoldoende is om alle in Frankrijk geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen (tweede stap). Daarom moet Nederland als werklidstaat de volgens zijn wetgeving geldende tegemoetkomingen deels verlenen aan de hand van de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen. Dat zou met zich brengen dat de aanslag IB 2016 wordt verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.825, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 835, wat resulteert in een belastingbedrag van € 1.438 (derde stap). De tegemoetkoming wordt echter begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in Nederland verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende (vierde stap). Voor die ingezetene zou in dat geval een aanslag IB 2016 worden vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.449, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 1.075, wat resulteert in een belastingbedrag van € 2.900. De aanslag IB 2016 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.959 en, rekening houdend met heffingskortingen van € 382, op een bedrag aan IB van € 2.765. Dat betekent dat deze aanslag niet te hoog is vastgesteld. Gelet op het vorenstaande zal het hof het hoger beroep van de inspecteur in de zaak met nummer 21/00429 gegrond verklaren. Tussenconclusie 4.10. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende met nummer 20/00549 gegrond is en het hoger beroep van de inspecteur met nummer 21/00429 ook gegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.11. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 47 respectievelijk € 131 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank in de zaak met nummer 19/2337 wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard. Ten aanzien van de proceskosten 4.12. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep met nummer 19/2337 bij de rechtbank en het hoger beroep met nummer 20/00549 bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is. 4.13. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in beroep met nummer 19/2337 bij de rechtbank voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt. 4.14. Het hof stelt de tegemoetkoming voor de behandeling van het hoger beroep met nummer 20/00549 bij het hof op een bedrag aan reiskosten van de gemachtigde van belanghebbende voor het bijwonen van de zittingen van 11 november 2021 van 25 februari 2022 van € 17,42 respectievelijk € 31,64, is in totaal € 49,06. 4.15. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in hoger beroep met nummer 20/00549 bij het hof overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt. 4.16. Met betrekking tot het hoger beroep van de inspecteur met nummer 21/004329 oordeelt het hof dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. 5Beslissing Ten aanzien van het hoger beroep met nummer 20/00549 (aanslag IB 2015) Het hof: verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de aanslag naar een bedrag aan inkomstenbelasting van € 2.722; bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 178 vergoedt; veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 49,06. Ten aanzien van het hoger beroep met nummer 21/00429 (aanslag IB 2016) Het hof: verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en S. van Thiel, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier. De uitspraak is ondertekend door de griffier en door T.A. Gladpootjes, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Bijlage 1. Bij het hof zijn diverse zaken aanhangig waarin de reikwijdte van de zogenoemde Schumacker-rechtspraak van het HvJ EU aan de orde is. Bij de behandeling van deze zaken is gebleken dat deze rechtspraak bij de uitwerking vele vragen oproept. Het hof heeft daarom een poging gedaan om deze vragen te benoemen en een lijn uit te zetten waarlangs deze vragen kunnen worden beantwoord. In deze bijlage, die zal worden gevoegd bij de uitspraken waar dit speelt, zal het hof een uiteenzetting geven van de relevante rechtspraak en de vragen die dit oproept. Geschetst wordt welke vragen beantwoord moeten worden, welke keuzes het hof maakt en waarom het hof tot die antwoorden komt. Het hof spreekt hierna van woonlidstaat en werklidstaat, zoals ook het HvJ EU doet, maar in veel gevallen gaat het om gepensioneerden met inkomen uit Nederland die in een andere lidstaat dan Nederland wonen. Waar dus over werklidstaat wordt gesproken, moet hier ook onder worden verstaan bronlidstaat. 2. In de onder 1 genoemde zaken zijn de belastingplichtigen niet aan te merken als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen volgens de nationale regels. De vraag is echter of de Nederlandse wetgever met deze regelgeving het Unierecht op de juiste wijze heeft geïmplementeerd. De nationale regels moeten immers worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht. Indien het Unierecht noopt tot een verdergaande tegemoetkoming dan de nationale regelgeving voorschrijft, dient aan het Unierecht voorrang te worden gegeven en het nationale recht buiten toepassing te blijven. 3. Voor de directe belastingen geldt dat ingezetenen en niet-ingezetenen zich in de regel niet in vergelijkbare situaties bevinden, aangezien het inkomen dat een niet-ingezetene op het grondgebied van een lidstaat verwerft, meestal slechts een deel is van zijn totale inkomen, waarvan het zwaartepunt zich bevindt op de plaats waar hij woont, en de persoonlijke draagkracht van de niet-ingezetene, die wordt gevormd door zijn totale inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie, het gemakkelijkst kan worden beoordeeld op de plaats waar hij het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft, welke plaats in het algemeen zijn gebruikelijke woonplaats is. 4. In de regel is dus geen sprake van discriminatie indien de niet-ingezetene bepaalde voordelen die te maken hebben met de persoonlijke en gezinssituatie niet krijgt. 5. Er is echter wel sprake van discriminatie wanneer ingezetenen en niet-ingezetenen in een vergelijkbare situatie verkeren en niet-ingezetenen bepaalde voordelen worden onthouden. Dat is met name het geval wanneer een niet-ingezeten belastingplichtige geen inkomsten van betekenis op het grondgebied van de woonlidstaat verwerft en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft uit een in een andere lidstaat uitgeoefende activiteit, zodat de woonlidstaat hem niet de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer met zijn persoonlijke en gezinssituatie rekening wordt gehouden. In een dergelijk geval wordt namelijk nergens met de persoonlijke en gezinssituatie rekening gehouden. Bij de beoordeling van de relevante inkomsten in de betreffende lidstaten gaat het om het belastbare gezinsinkomen. 6. Het gaat er dus om of in de woonlidstaat sprake is van voldoende inkomen om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige. Of dat zo is, hangt ervan af (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.