← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2022:163

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.257.553/02 arrest van 25 januari 2022 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, verder: [appellante] , advocaat: mr. S.A. van Snippenburg te Nijmegen, tegen: Bewindvoerderskantoor [X] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] , geïntimeerde, verder: [geïntimeerde] , advocaat: mr. L.K. de Haan te Rotterdam, als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 19 oktober 2021 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer/rolnummer 6916938 CV EXPL 18-3049 tussen partijen gewezen vonnis van 20 augustus

  1. 5Het verdere verloop van het geding Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 19 oktober 2021; de akte van [appellante] van 16 november 2021 met producties; de antwoordakte van [geïntimeerde] van 14 december
  2. Partijen hebben arrest gevraagd. 6De verdere beoordeling Premies VGZ 6.1 In het tussenarrest van 19 oktober 2021 heeft het hof vastgesteld dat met betrekking tot de kwestie van de premies zorgverzekering VGZ, verwijt 3), nog geen beslissing genomen kon worden en dat de uitkomst met betrekking tot alle overige verwijten is dat er onvoldoende grond bestaat voor toewijzing van de vorderingen van [appellante] . Het hof heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op het verweer en de daarbij behorende producties van [geïntimeerde] in de kwestie van de VGZ premies. Dat verweer komt erop neer dat voor betaling van de premies toen geen middelen beschikbaar waren. 6.2 Het verwijt van [appellante] over de VGZ premies is in rechtsoverweging 3.9 van het tussenarrest van 19 oktober 2021 als volgt omschreven: [geïntimeerde] heeft nagelaten aan VGZ de premies zorgverzekering over de maanden januari t/m mei 2011 te voldoen. [appellante] is in verband daarmee op 12 juli 2018 door VGZ gedagvaard en bij vonnis van 15 februari 2019 veroordeeld tot betaling van € 500,- met rente en proceskosten. Deze kosten bedragen € 364,89 en de rente, tot aan de memorie van grieven, € 39,
  3. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.12 vastgesteld dat het verweer van [geïntimeerde] erop neerkomt dat voor betaling van de premies toen geen middelen beschikbaar waren. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van dit verweer een verkort overzicht van de bankposten op Rabo rekening [rekeningnummer] ten behoeve van [appellante] over de periode oktober 2010 tot en met december 2011 overgelegd. 6.3 Als reactie op dit verweer heeft [appellante] bij akte rekeningafschriften overgelegd van de Rabo Beheerrekening 108748324 van januari 2011 tot en met juni
  4. Volgens [appellante] blijkt hieruit dat er, ondanks de tijdelijke stopzetting van haar bijstandsuitkering in 2011, voldoende middelen waren om de VGZ premies te voldoen. Zij merkt hierbij op dat de betalingen voor de bewindvoering in die periode wel zijn uitgevoerd. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] daarmee, kort gezegd, het belang van [appellante] achtergesteld bij dat van haarzelf. Daarnaast heeft [appellante] een overzicht van de achterstallige premiebetalingen van VGZ overgelegd en een deel van het exploot waarmee het vonnis de procedure met VGZ aan haar is betekend. 6.4 [geïntimeerde] heeft een en ander is haar antwoordakte betwist. Met betrekking tot de betalingen voor de bewindvoering heeft zij aangevoerd dat deze zijn voldaan uit de daarvoor bestemde bijzondere bijstand, die niet voor een ander doel mag worden aangewend. 6.5 Het hof overweegt hierover het volgende. De rekeningafschriften die [appellante] naar aanleiding van het tussenarrest heeft overgelegd, betreffen de beheerrekening waarvan [geïntimeerde] bij memorie van antwoord een overzicht had overgelegd. Door [appellante] is niet toegelicht in welk opzicht deze rekeningafschriften ten opzichte van dat overzicht aanvullende informatie inhouden en op welke concrete punten de afschriften een onderbouwing voor haar standpunt bieden. De enkele opmerking dat uit een productie iets zou blijken, zonder dat ook feitelijk aan te duiden, is in het algemeen onvoldoende. In dit geval is dat niet anders. Voor de enige concrete omstandigheid die [appellante] in dit verband vermeldt, het wel doorgaan van de betalingen voor de bewindvoering, heeft [geïntimeerde] een aannemelijke verklaring gegeven. Voor het overige is het hof van oordeel dat [appellante] met haar akte en de daarbij gevoegde producties het verweer van [geïntimeerde] tegen dit verwijt van [appellante] onvoldoende heeft weerlegd. Dat betekent dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] op dit punt toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar taak als bewindvoerder, zoals omschreven in rechtsoverweging 3.11 van het tussenarrest, zodat ook verwijt 3) niet tot toewijzing van de vorderingen van [appellante] kan leiden. Conclusie 6.6 Een en ander leidt tot de conclusie dat de grief van [appellante] wordt verworpen en dat het eindvonnis van 20 december 2018 zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep met nakosten en wettelijke rente als gevorderd en met afwijzing van het meer of anders gevorderde. 7De uitspraak Het hof: bekrachtigt het eindvonnis van 20 december 2018, waarvan beroep; veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 741,- aan griffierecht, op € 1.671,- aan salaris advocaat en wat betreft de nakosten op € 163,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 248,- indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening; verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, C.B.M. Scholten van Aschat en B.A. Meulenbroek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 januari
  5. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.