GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.296.225/01 arrest van 24 mei 2022 gewezen in het incident ex artikelen 351 en 235 Rv in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. G.S. de Haas te Geertruidenberg, tegen Maatschap [L] c.s. Advocaten, gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. A.C. van Schaick te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 14 juni 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis in verzet van 18 maart 2021, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven gewezen tussen [appellant] als eiser in verzet en [geïntimeerde] als gedaagde in verzet, en het daaraan voorafgegane verstekvonnis van 28 mei 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven gewezen tussen [geïntimeerde] als oorspronkelijke eiseres en [appellant] als oorspronkelijke gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-rolnummer 8640786, rolnummer 20-4325) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het exploot van anticipatie van [geïntimeerde] ; de memorie van grieven, tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv en, zo begrijpt het hof, subsidiair tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv; de antwoordmemorie in het incident van [geïntimeerde] ; de akte houdende wijziging van eis in het incident van [appellant] ; de antwoordakte van [geïntimeerde] ; de memorie van antwoord van [geïntimeerde] in de hoofdzaak. Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. Het hof gaat in dit incident uit van de volgende feiten. 3.1.1. [appellant] is enig en zelfstandig bevoegd bestuurder van ICCS BV. 3.1.2. ICCS BV heeft zich op 12 december 2018 tot [geïntimeerde] gewend in verband met een arrest van het hof ’s-Hertogenbosch waarover zij ontevreden was en waartegen zij in cassatie wilde gaan. 3.1.3. [geïntimeerde] heeft op 18 december 2018 een negatief cassatieadvies aan ICCS BV uitgebracht. 3.1.4. In verband met de werkzaamheden, verbonden aan dit advies, heeft [geïntimeerde] aan ICCS BV op 18 december 2018 een factuur gestuurd ten bedrage van € 3.591,28 inclusief btw en kantoorkosten. ICCS BV heeft deze factuur niet betaald. 3.1.5. Bij verstekvonnis van 11 april 2019 is ICCS BV op vordering van [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de factuur, vermeerderd met rente en kosten. ICCS BV heeft niet aan deze veroordeling voldaan. 3.1.6. [geïntimeerde] heeft tevergeefs geprobeerd beslag te leggen ten laste van ICCS BV onder de ABN AMRO Bank. Verder onderzoek door de deurwaarder heeft ook geen onroerende zaken, voertuigen of activa op naam van ICCS BV opgeleverd waarop beslag zou kunnen worden gelegd. 3.2. [geïntimeerde] heeft vervolgens [appellant] in rechte betrokken en gevorderd hem uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van een hoofdsom van € 5.043,77, vermeerderd met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Bij het verstekvonnis van 28 mei 2020 heeft de kantonrechter deze vordering toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. 3.3. [appellant] is in verzet gekomen van dat vonnis en heeft gevorderd van de bij dat vonnis tegen hem uitgesproken veroordeling te worden ontheven en de vordering van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het verzet. Bij het vonnis in verzet van 18 maart 2021 heeft de kantonrechter het verstekvonnis van 28 mei 2020 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [appellant] veroordeeld tot betaling van: het bedrag waartoe ICCS BV in het vonnis tussen ICCS BV en [geïntimeerde] is veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente; een bedrag van € 720,66 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten; de kosten van de verstek- en verzetprocedure. De kantonrechter heeft het vonnis ten aanzien van voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.4. [appellant] komt, althans zo begrijpt het hof, in hoger beroep van zowel het vonnis in verzet van 18 maart 2021 als van het daaraan voorafgegane verstekvonnis van 28 mei 2020. Hij heeft gevorderd [geïntimeerde] te bevelen de tenuitvoerlegging van het vonnis in verzet te schorsen, althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dat vonnis de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident. Bij akte heeft [appellant] zijn vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging aldus gewijzigd dat hij tevens vordert dat aan het bevel tot schorsing een dwangsom wordt verbonden van € 100.000,00 per dag(deel) dat [geïntimeerde] dit bevel niet nakomt, met een maximum van € 1.000.000,00. Nu [geïntimeerde] bij antwoordakte te kennen heeft gegeven zich niet te verzetten tegen de eiswijziging en de eiswijziging overigens niet in strijd is met de goede procesorde, zal het hof bij de verdere beoordeling van dit incident hiervan uitgaan. 3.5. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) of zekerheidstelling (artikel 235 Rv) op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende heeft te gelden. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.