GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 20/00783 en 20/00784 Uitspraak op de hoger beroepen van [belanghebbende 1] , wonend in [woonplaats 1] , hierna: belanghebbende 1, en [belanghebbende 2] , wonend in [woonplaats 2] , hierna: belanghebbende 2, hierna samen aangeduid als belanghebbenden, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 november 2020, nummers BRE 20/188 en 20/189, in het geding tussen belanghebbenden en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende 1 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2014 opgelegd. 1.1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende 2 een navorderingsaanslag IB/PVV 2015 opgelegd (hierna samen: de navorderingsaanslagen). 1.2. Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbenden hebben tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , gemachtigde van belanghebbenden en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2Feiten 2.1. Belanghebbende 1 heeft van 2012 tot en met 2015 de initiële politieopleiding gevolgd aan de politieacademie. In het arbeidsvoorwaardenakkoord van de politie van 2 maart 2010 is overeengekomen dat het inkomen van aspiranten met 50% tijdens de leerkwartielen wordt verminderd. Als gevolg daarvan is belanghebbende 1 in 2014 voor een bedrag van € 5.321 gekort op het brutoloon. In 2015 is zij voor een bedrag van € 4.035 gekort op het brutoloon. 2.2. Op 14 maart 2015 doet belanghebbende 1 aangifte IB/PVV 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.673. Op 2 mei 2015 wordt de aanslag IB/PVV 2014 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld. 2.3. Op 10 maart 2016 doet belanghebbende 2 aangifte IB/PVV 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.647. Op 14 mei 2016 wordt de aanslag IB/PVV 2015 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld. 2.4. Belanghebbende 2 is in het jaar 2015 gedurende een deel van het jaar de fiscale partner van belanghebbende 1. Belanghebbenden hebben in hun aangiften IB/PVV 2015 ervoor gekozen om gedurende het gehele jaar 2015 als elkaars fiscale partners te worden aangemerkt. 2.5. Op 6 oktober 2018 hebben belanghebbenden ieder een aangiftebiljet IB/PVV ingediend. Belanghebbende 1 heeft op dit aangiftebiljet over het jaar 2014 een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.602 vermeld. Daarbij heeft zij een bedrag van € 5.071 (rekening houdend met de drempel) als persoonsgebonden aftrekpost aan scholingsuitgaven in aanmerking genomen onder vermelding van “Initiële politieopleiding Allround Politiemedewerker”. Belanghebbende 2 heeft op dit aangiftebiljet over het jaar 2015 een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.862 vermeld en daarbij een bedrag van € 3.785 (rekening houdend met de drempel) als persoonsgebonden aftrek aan scholingsuitgaven voor zijn partner – belanghebbende 1 – in aanmerking genomen onder vermelding van “Initiële politie opleiding”. 2.6. De inspecteur heeft schermprints overgelegd van de website van de Belastingdienst. Daar staat het volgende vermeld: 2.7. De onder 2.2 en 2.3 vermelde aanslagen zijn verminderd overeenkomstig de herziene aangiftebiljetten. De inspecteur heeft daartoe aan ieder van belanghebbenden een brief met dagtekening 6 november 2018 respectievelijk 31 oktober 2018 uitgereikt met de titel ‘uitspraak op bezwaar’. In die brieven staat onder meer het volgende vermeld: “U heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (…). De inspecteur heeft het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn ontvangen. Hij verklaart het bezwaarschrift daarom niet-ontvankelijk. (…) De inspecteur heeft besloten aan uw bezwaar tegemoet te komen. Als gevolg hiervan is de aanslag verminderd (…).” 2.8. Op 3 december 2018 heeft een andere belastingplichtige de Belastingdienst gewezen op een bericht van de Nederlandse Politiebond (hierna: NPB) van 28 november 2018, waarin onder meer staat vermeld: “Onder politiemedewerkers wordt momenteel een mail rondgestuurd waarin ten onrechte wordt beweerd dat collega’s die in de jaren 2010 tot 2013 zijn ingestroomd als aspirant - de jaren van politieminister Ivo ('De Slager') Opstelten - een extra aftrekpost aan studiekosten kunnen opvoeren. Deze aftrekpost zou dan betrekking hebben op de tijdelijke halvering van het salaris tijdens de toenmalige schoolkwartielen.” 2.9. Met dagtekening 29 juni 2019 zijn aan belanghebbenden de navorderingsaanslagen opgelegd, waarbij de aftrek van de scholingsuitgaven is teruggenomen. 2.10. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich daarbij toe op de volgende vragen: 1. Beschikt de inspecteur over een nieuw feit voor navordering of staat een ambtelijk verzuim aan navordering in de weg? 2. Dient navordering op grond van het vertrouwensbeginsel achterwege te blijven? 3.2. Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de navorderingsaanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 3.3. Tussen partijen staat vast dat: - belanghebbenden op grond van de Wet IB 2001 geen recht hebben op de aftrek van de geclaimde scholingsuitgaven; - belanghebbenden niet te kwader trouw zijn en navordering op die grond niet mogelijk is. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Standpunten van partijen 4.1. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen vernietigd moeten worden. De inspecteur had de herziene aangiftebiljetten inhoudelijk moeten beoordelen en de in aanmerking genomen kosten nader moeten onderzoeken. Belanghebbenden verwijzen daarbij naar de omstandigheid dat aan een andere belastingplichtige kennelijk wel vragen zijn gesteld, die in reactie daarop heeft verwezen naar het bericht van de NPB van 28 november 2018. Dat de herziene aangiftebiljetten geruime tijd na het vaststellen van de aanslagen zijn ingediend, was volgens belanghebbenden des te meer reden om die aangiftebiljetten aan een inhoudelijk onderzoek te onderwerpen. Mocht al sprake zijn van nieuwe gegevens die de inspecteur niet bekend waren, dan zijn belanghebbenden van mening dat een ambtelijk verzuim aan navordering in de weg staat. Gelet op de brieven van 6 november 2018 en 31 oktober 2018 heeft de inspecteur de herziene aangiftebiljetten aangemerkt als een bezwaarschrift en een verzoek om ambtshalve vermindering. Door de herziene aangiftebiljetten geautomatiseerd, door middel van een risicotool, af te doen, heeft de inspecteur niet gehandeld conform de wettelijke voorschriften die gelden voor de behandeling van een bezwaarschrift of een verzoek om ambtshalve vermindering. Volgens belanghebbenden is de jurisprudentie, inhoudende dat de inspecteur in beginsel niet tot nader onderzoek is gehouden en dat de inspecteur mag uitgaan van de gegevens die in de aangifte staan vermeld, niet van toepassing. De herziene aangiftebiljetten zijn immers geen aangiften, maar bezwaarschriften respectievelijk verzoeken om ambtshalve vermindering. Tot slot doen belanghebbenden een beroep op het vertrouwensbeginsel. Aan de tekst van de brieven van 6 november 2018 en 31 oktober 2018 mochten belanghebbenden het vertrouwen ontlenen dat de herziene aangiftebiljetten inhoudelijk beoordeeld waren. 4.2. De inspecteur heeft het hof nadrukkelijk verzocht om een oordeel te geven over de kwalificatie van de herziene aangiftebiljetten. Onder verwijzing naar het door de Belastingdienst gehanteerde beleid ‘deformalisering’ (hierna: de deformalisering), stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de gewijzigde aangiftebiljetten geen bezwaarschriften zijn. De gewijzigde aangiftebiljetten zijn buiten de bezwaartermijn en zonder aanvullend schrijven ingediend en dus betreft het verzoeken om ambtshalve vermindering. Voor een verdere onderbouwing van dit standpunt verwijst de inspecteur naar de deformalisering die in de stukken als volgt wordt toegelicht: “3.20 Belanghebbende heeft de gewijzigde aangifte digitaal ingediend. Om digitaal een gewijzigde aangifte te kunnen doen, moet een belanghebbende eerst inloggen in het domein ‘mijnbelastingdienst'. 3.21 Daarbij moeten keuzes worden gemaakt. Deze keuzes worden uitgelegd op de sub-pagina 'Bezwaar, beroep en klacht'. Als je daar klikt op 'niet eens met uw aanslag inkomstenbelasting?' verschijnt er een keuzemogelijkheid. De eerste te beantwoorden vraag is dan 'hebt u een belastingaanslag inkomstenbelasting gekregen?'. Bij een bevestigend antwoord moet daarna de volgende vraag worden beantwoord: 'hebt u een belastingaanslag ontvangen waarin wij afwijken van uw aangifte?' en vervolgens' Bent u het eens met onze aanpassingen?'. Als hier wordt gekozen voor achtereenvolgens de opties 'ja' en 'nee' wordt aangegeven dat de belanghebbende bezwaar kan maken. Als echter de vraag 'hebt u een belastingaanslag ontvangen waarin wij afwijken van uw aangifte?' met nee wordt beantwoord, en vervolgens de vraag `Wilt u uw aanslag aanpassen' met ja, dan wordt aangegeven dat de belanghebbende opnieuw aangifte moet doen. Zie voor prints van de te nemen stappen bijlage 17. Deze werkwijze van de Belastingdienst om (gewijzigde) aangiften die worden ingediend nadat de definitieve aanslag is opgelegd, niet als een bezwaarschrift aan te merken, noemen wij wel 'deformalisering. (…) 3.23 De herziene aangifte (zie onderdeel 2.4) is na binnenkomst gewogen door een zogenaamde risicotool. Hieraan ligt de volgende werkwijze ten grondslag: Indien - zoals in casu - een herzien aangiftebiljet wordt ingediend (zonder begeleidende bezwaarbrief), is sprake van een zogenaamde gestructureerde aangifte. Deze worden na binnenkomst wekelijks gewogen aan de hand van een zogenaamde 'risicotool'. Dit is een automatisch selectieproces. Als de risicotooi geen reden ziet de aangifte uit te werpen, dan gaat zo'n aangifte naar medewerkers van het onderdeel CAP van de Belastingdienst. Zij zorgen er dan voor dat een verminderingsbeschikking wordt verstuurd door in het systeem ABS een en ander te verwerken. Daarbij vindt door hen geen enkele inhoudelijke beoordeling plaats (ook wel ADAF genoemd, dat staat voor administratieve afdoening). De beschikking wordt dus opgelegd conform het ingediende aangiftebiljet ofwel zoals belastingplichtige het heeft aangeleverd. We noemen dit proces deformalisering. 3.24 In het geval van [hof: belanghebbenden] was sprake van een ongestructureerd aangifte waarbij de risicotool geen reden zag om de aangifte uit te werpen. Er is dus geen reden gevonden voor nadere behandeling van de herziene aangifte. De aangifte is daarom bij het CAP aangeboden voor verdere verwerking. 3.25 In bijlage 18 vindt u een verklaring van de collega die de herziene aangifte van belanghebbende heeft verwerkt. Uit die verklaring blijkt dat de aangifte niet inhoudelijk is beoordeeld. In bijlage 19 voeg ik een print uit het systeem ABS waaruit blijkt in welke fase en wanneer CAP de aangifte heeft verwerkt. (…) 7.2.1 De gewijzigde aangifte is een verzoek om ambtshalve vermindering. Ik ben van mening dat de herziene aangifte kwalificeert als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag. Hiervoor heb ik al uitgelegd hoe de werkwijze van de Belastingdienst is met betrekking tot aangiften die door belastingplichtigen zijn ingediend nadat zij al de definitieve aanslag hadden ontvangen. Zie ook onderdeel 3.21 van het verweerschrift. Reeds op 8 maart 2018 communiceerde de Belastingdienst via haar website dat een informele bezwaarbehandeling aanstaande was. Zie voor de tekst op de website van de Belastingdienst: https://over-ons.belastingdienst.ni/bezwaarmaken-gemoderniseerd/ Het bericht begint ermee dat bezwaar maken tegen een aanslag inkomstenbelasting voortaan digitaal kan plaatsvinden. Vervolgens staat er dat de modernisering daarna niet stopt: "Zo wordt, zoals al is aangekondigd in de 19e Halfjaarsrapportage Belastingdienst, gewerkt aan het deformaliseren van bezwaar. Dat betekent dat een aanvulling of wijziging nadat de beschikking definitief is op bijvoorbeeld een vergeten aftrekpost niet meer gezien wordt als bezwaar. Hiermee wordt het proces voor zowel de belastingplichtigen als de Belastingdienst sterk vereenvoudigd." Ook in het onderhavige geval is sprake van een gewijzigde aangifte die is ingediend nadat de aanslag al was opgelegd. De gewijzigde aangifte werd niet vergezeld door een aparte bezwaarbrief van belanghebbende. Nu belanghebbende ermee heeft volstaan enkel een gewijzigde aangifte in te dienen, ligt het voor de hand dat zij de website van de Belastingdienst hierover heeft geraadpleegd. Daar wordt immers aangegeven dat men niet bezwaar moet maken maar enkel een herziene aangifte moet indienen (die dan wordt behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering). Bij de ontvangst van een bezwaarschrift is het bovendien gebruikelijk dat de inspecteur een ontvangstbevestiging stuurt naar een belanghebbende. Omdat de gewijzigde aangifte niet kwalificeert als een bezwaarschrift, is ook geen ontvangstbevestiging gestuurd. Dit in tegenstelling tot de gang van zaken bij het bezwaarschrift van 6 augustus 2019 (zie bijlagen 8 en 9).”. 4.2.2. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een nieuw feit dat navordering mogelijk maakt. De inspecteur is op 3 december 2018 bekend geworden met het bericht van de NPB van 28 november 2018. Dat bericht leverde de inspecteur grond op voor het vermoeden dat er politiemedewerkers waren aan wie ten onrechte of tot een te hoog bedrag een aftrek van scholingsuitgaven is verleend. Verder stelt de inspecteur zich op het standpunt dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim. Belanghebbenden hebben herziene aangiftebiljetten ingediend nadat de aanslagen IB/PVV zijn vastgesteld. Volgens de inspecteur dient de vraag beantwoord te worden of de niet onwaarschijnlijke kans bestond dat die herziene aangiftebiljetten juist waren. Als de niet onwaarschijnlijke kans bestaat dat die juist zijn, hoeft de inspecteur daar geen onderzoek naar te doen. De inspecteur was slechts gehouden om de herziene aangiftebiljetten op dat punt nader te onderzoeken, wanneer het onwaarschijnlijk was dat deze met betrekking tot de scholingsuitgaven juist zijn. Die situatie doet zich hier niet voor, aldus de inspecteur. Met betrekking tot het vertrouwensbeginsel is de inspecteur van mening dat van een in rechte te beschermen vertrouwen geen sprake is. De scholingsuitgaven zijn door belanghebbenden namelijk niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde gesteld. 1. Nieuw feit (of ambtelijk verzuim) 4.3.1. In zijn arrest van 10 januari 1990 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: “4.1. Indien aan een belastingplichtige die heeft verzuimd het hem of haar toegezonden aangiftebiljet tijdig in te leveren, ambtshalve een primitieve aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd en vervolgens binnen de bezwaartermijn alsnog aangifte is gedaan van een lager belastbaar inkomen dan in de aanslag is begrepen, kan de indiening van dat aangiftebiljet in de regel niet anders worden opgevat dan dat de belastingplichtige daarmee aan de inspecteur tijdig kennis geeft bezwaar te maken tegen de opgelegde aanslag.”. Het hof is gelet op voornoemd arrest van oordeel dat de op 6 oktober 2018 ingediende aangiftebiljetten (te laat ingediende) bezwaarschriften zijn. Dat belanghebbenden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.