← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2022:1980

Parketnummer : 20-002105-21 Uitspraak : 25 mei 2022 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 1 september 2021, in de strafzaak met parketnummer 02-117269-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, wonende te [adres] . Hoger beroep De verdachte is bij vonnis waarvan beroep door de politierechter ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens is het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.295,- verbeurdverklaard. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen. Namens verdachte is bepleit primair dat verdachte dient te worden vrijgesproken en subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop het berust. Verbetering van de bewijsmiddelen Anders dan de politierechter zal het hof niet tot het bewijs van het bewezenverklaarde feit bezigen: het ambtsedig proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding, opgenomen als pagina's 13 en 14 in het eindproces-verbaal nr. PL2000-2020300166 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm, door de politierechter onder 3.1.3 opgenomen onder de bewijsmiddelen. Aanvulling van de strafmaatoverwegingen In hoger beroep is van de zijde van de verdediging verzocht om geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar om te volstaan met een voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd. Het hof overweegt als volgt. Met de politierechter is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde witwassen een bijdrage levert aan het in stand houden van criminele geldstromen in Nederland. Een taakstraf acht het hof in dit geval niet op zijn plaats. Niet alleen vanwege de ernst van het feit, maar ook vanwege het feit dat ter terechtzitting is gebleken dat verdachte ondertussen langdurig in buitenlandse detentie zit. Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister betreffende verdachte van 25 februari 2022 blijkt dat verdachte op 19 oktober 2021 onherroepelijk veroordeeld werd door de Spaanse rechter tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 1 dag. Deze omstandigheid weegt het hof mee en brengt het hof tot de slotsom dat de door de politierechter opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is. Verbetering van de toepasselijke wettelijke voorschriften De politierechter heeft de beslissing gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 420bis Wetboek van Strafrecht. Anders dan de politierechter zal het hof de beslissing gronden op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door: mr. G.C. Bos, voorzitter, mr. G.J. Schiffers en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Mobach en mr. N. Koop, griffiers, en op 25 mei 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.