Parketnummer : 20-002959-20 Uitspraak : 21 juni 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 november 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-994117-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan hoger beroep is de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen onder aanvulling van de bewijsmiddelen met de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde straf. Geëist is dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren zal worden opgelegd. Namens de verdachte is gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot de bewezenverklaring en is uitsluitend verweer gevoerd met betrekking tot de straftoemeting. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 3 oktober 2017, te Tilburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1 onder b van de Wet op de accijns, opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), namelijk tabaksproducten als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder f van genoemde wet, te weten (ongeveer) 2.331,4 kg rooktabak (AMB-020), althans een (grote) hoeveelheid rooktabak voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 3 oktober 2017 te Tilburg in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1 onder b van de Wet op de accijns, opzettelijk een accijnsgoed, namelijk tabaksproducten als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder f van genoemde wet, te weten 2.331,4 kg rooktabak voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan hem met het oog op zijn persoonlijke omstandigheden een geheel voorwaardelijke straf dan wel, subsidiair, een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf zal worden opgelegd. Daartoe heeft de raadsman gewezen op het arrest van dit hof d.d. 4 maart 2020, gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSHE:2020:771 en aangevoerd dat de verdachte een blanco strafblad heeft, financieel verantwoordelijk is voor vier kinderen en in België een eigen onderneming heeft met personeel. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal niet alleen ingrijpende gevolgen hebben voor de verdachte, maar ook voor zijn gezin en de onderneming. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat niet vaststaat dat met de aangetroffen rooktabak sigaretten zouden worden gemaakt, omdat in het dossier is vermeld dat het eveneens bestemd kon zijn voor shag. Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de becijfering van het potentiële financiële nadeel in deze zaak. Verder is aandacht gevraagd voor het tijdsverloop van ruim 4,5 jaar na 3 oktober 2017 en de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, namelijk het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid niet in de accijnsheffing betrokken rooktabak. Dit handelen van de verdachte staat in directe relatie met de handel in illegale sigaretten en shag, waarbij voor een groot bedrag aan accijns wordt ontdoken waarmee de maatschappij ernstig wordt benadeeld. Bovendien wordt op dergelijke wijze een oneerlijke concurrentiepositie verkregen ten opzichte van producenten van en handelaren in tabaksproducten die de accijnsrechtelijke verplichtingen wel naleven. Wel gaat het inmiddels om een ouder feit, dat werd begaan op 3 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.