← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2022:2087

Parketnummer : 20-001593-21 Uitspraak : 22 juni 2022 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 juni 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-105029-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 ten laste is gelegd. De politierechter heeft het onder feit 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘diefstal’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek van voorarrest. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op te terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Door de raadsman van de verdachte is vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de politierechter van het onder feit 2 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de redengeving waarop dit berust. Het hof ziet in hetgeen door de raadsman bij pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de politierechter ten aanzien van het tenlastegelegde en de aard en omvang van de opgelegde straf. Het hof zal – nu het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. BESLISSING Het hof: verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraakbeslissing ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde; bevestigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door: mr. R. Lonterman, voorzitter, mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. S.V. Pelsser, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven, griffier, en op 22 juni 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. R. Lonterman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.