Parketnummer : 20-001953-21 Uitspraak : 30 juni 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 30 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-228480-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1970, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Hoger beroep De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en deze gekwalificeerd als ‘doodslag’ (feit 1) en ‘handelen in strijd met art. 26 lid 1 van de WWM en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij art. 55 lid 3 onder a van de WWM’ (feit 2). De rechtbank heeft de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is toegewezen tot een bedrag van € 19.582,43, afgewezen tot een bedrag van € 2.500,00 en de benadeelde partij is in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 en voor het overige afgewezen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] is integraal toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00. Deze vorderingen zijn telkens toegewezen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Ook zijn ten behoeve van deze slachtoffers maatregelen van schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ter hoogte van voormelde bedragen opgelegd. De benadeelde partij [benadeelde partij 4] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Tot slot is de onttrekking aan het verkeer bevolen van het inbeslaggenomen pistool met bijbehorend patroonmagazijn en zeven stuks munitie. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de overwegingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (hof: hetgeen, naar het hof aanneemt abusievelijk, niet op de schriftelijke vordering van de advocaat-generaal staat vermeld) en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de door deze benadeelde partij gevorderde vergoeding van de kosten voor een lunchroom ad € 7.026,27 zal toewijzen en voor het overige conform de rechtbank zal beslissen. De raadsman van de verdachte heeft: zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof; bepleit dat de verdachte (het hof begrijpt: ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde) zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep toekomt op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces; subsidiair een strafmaatverweer gevoerd; ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen primair bepleit dat zij hierin niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard en subsidiair inhoudelijke verweren gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 30 augustus 2020 te Uden (op of nabij de [straat 1] ) opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat hij, verdachte, opzettelijk met een vuurwapen meerdere keren, althans één keer, een kogel heeft afgevuurd op/in het lichaam van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] dodelijk werd getroffen; 2.hij op of omstreeks 30 augustus 2020 te Uden een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk Grand Power, kaliber 9 mm kort), voorhanden heeft gehad. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.hij op 30 augustus 2020 te Uden (op de [straat 1] ) opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat hij, verdachte, opzettelijk met een vuurwapen meerdere keren een kogel heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] dodelijk werd getroffen; 2.hij op 30 augustus 2020 te Uden een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk Grand Power, kaliber 9 mm kort), voorhanden heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, zijn opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Bewijsoverweging ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde doodslag Het hof gaat bij de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde uit van andere feiten en omstandigheden dan de rechtbank. Het is (mede) om die reden dat het hof deze hierna zal bespreken. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt van het navolgende: met het vuurwapen dat de verdachte in zijn handen had zijn twee schotverwondingen toegebracht aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ); de verdachte heeft eerst gericht op het been van [slachtoffer] geschoten op het moment dat [slachtoffer] op hem, de verdachte, afkwam; vervolgens is een tweede fatale schot in de borst van [slachtoffer] gelost. De vraag is door wie en wanneer dat tweede schot is gelost. De verdachte heeft verklaard dat het tweede schot is afgegaan tijdens een (minutenlang durende) worsteling met [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] met hem begon te vechten en aan het wapen trok om dit af te pakken. Volgens de verdachte kunnen er vervolgens drie dingen zijn gebeurd: (optie 1) hij heeft per ongeluk geschoten toen [slachtoffer] het vuurwapen wilde afpakken of (opties 2 en 3) [slachtoffer] heeft in die worsteling al dan niet onbewust zelf de trekker overgehaald. Het hof overweegt dat geen van deze drie opties steun vindt in de tot het bewijs gebezigde bevindingen betreffende camerabeelden waarop het schietincident te zien is. Het hof stelt vast dat van een minutenlange worsteling geen sprake is geweest, immers om 19.46.20 uur valt het eerste schot, waarna [slachtoffer] 2 seconden later op de verdachte duikt. Op dat laatste moment lijkt het alsof er een rookwolkje (het mondingsvuur van een vuurwapen) zichtbaar is, wat er op zou duiden dat dan mogelijk een tweede schot wordt gelost/afgaat. Van een worsteling of het door [slachtoffer] trekken aan het wapen dat de verdachte in zijn hand had, is op dat moment geen sprake. Daarna draait de verdachte zich vrijwel meteen onder [slachtoffer] uit en gaat overeind staan, terwijl [slachtoffer] dit kennelijk niet meer kan en niet meer overeind zal komen. Eerst hierna dit vindt een worsteling plaats tussen de verdachte en [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] de handen van de verdachte vasthield en deze niet wilde loslaten. De verdachte stond op dat moment naast [slachtoffer] en probeerde zijn eigen handen – met daarin het wapen – los te trekken. De armen van [slachtoffer] zijn daarbij, terwijl hij ruggelings op de grond ligt, gestrekt boven zijn hoofd. Om 19.46.28 uur heeft [slachtoffer] de handen van de verdachte losgelaten en om 19.46.29 uur staat de verdachte al om en nabij een meter van [slachtoffer] vandaan. Het hof is van oordeel dat vastgesteld kan worden dat het tweede fatale schot door de verdachte is gelost om 19.46.22 uur op het moment dat [slachtoffer] op de verdachte duikt. Dat vindt bevestiging in voornoemde camerabeelden waarop (aldus een verbalisant) mogelijk een rookwolkje zichtbaar is, maar ook in de verklaringen van drie getuigen die de schoten hebben gehoord en hebben verklaard dat er slechts enkele (één of twee) seconden zat tussen de twee schoten. Ook is daarvoor bevestiging te vinden in de beelden van de camera die op het huis van [betrokkene 1] was gericht. Op het moment dat op beelden van de eerste camera te zien is dat het eerste schot valt (hof: de camerabeelden van het schietincident) is op beelden van de tweede camera (hof: de camera die op het huis van [betrokkene 1] was gericht) een seconde later te zien dat [betrokkene 2] omkijkt in de richting van de verdachte en [slachtoffer] . Twee seconden later, derhalve om 19.46.23 uur, is zichtbaar dat [betrokkene 2] ergens van lijkt te schrikken waarop hij reageert met zijn lichaam/hoofd. Het lijkt een soort van bukken. Een seconde later laat [betrokkene 2] [betrokkene 1] los en loopt hij van hem weg. Deze reacties van [betrokkene 2] passen naadloos bij een schrikreactie als gevolg van het horen van een schot. De conclusie van het hof is dan ook dat de verdachte zelf het tweede fatale schot heeft gelost op het moment dat de [slachtoffer] op de verdachte duikt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte de intentie had om [slachtoffer] te doden, zodat er geen sprake is van zogenaamd “boos” opzet. Voorwaardelijk opzet Uitgangspunt is dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft door met een vuurwapen gericht en op zeer korte afstand op [slachtoffer] te schieten, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer] zou raken in vitale delen van diens lichaam, met dodelijk gevolg, en heeft hij klaarblijkelijk bewust die aanmerkelijke kans aanvaard. Van contra-indicaties die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is het hof niet gebleken. Het hof acht de onder 1 tenlastegelegde doodslag derhalve wettig en overtuigend bewezen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: doodslag. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zoals nader verwoord in de pleitnota, bepleit dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij heeft gehandeld uit (putatief) noodweer(exces). Het hof overweegt als volgt. Noodweer Voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat de handeling van de verdachte wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Noodweersituatie Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat [betrokkene 2] en [slachtoffer] de confrontatie zijn aangegaan met de verdachte en [betrokkene 1] . Zij zijn met de Volkswagen Golf van [slachtoffer] naar de woning van [betrokkene 1] gereden en hebben hun auto pal voor de geparkeerde Volvo XC60 tot stilstand gebracht, waarin [betrokkene 1] en de verdachte op dat moment zaten. Hierop is iedereen uit de auto’s gestapt. [slachtoffer] rende vervolgens op de [straat 1] achter de verdachte aan en [betrokkene 2] rende achter [betrokkene 1] aan. Op het trottoir waaraan de woning van [betrokkene 1] grenst, ontstond een treffen tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . [betrokkene 2] had daarbij een klauwhamer in zijn rechterhand en belaagde [betrokkene 1] daarmee. De verdachte, die heeft verklaard dat hij bij [betrokkene 1] was omdat hij was gevraagd om [betrokkene 1] en diens gezin te beschermen, rende weg voor [slachtoffer] en sprong over de lage struiken het trottoir aan de overkant van de straat op, waarop [slachtoffer] de achtervolging staakte. [betrokkene 2] duwde/bewoog op datzelfde moment [betrokkene 1] in de richting van diens voordeur. Uiteindelijk werd [betrokkene 1] klemgezet tegen zijn eigen voordeur, waarbij [betrokkene 2] hem – nog altijd met de klauwhamer in zijn rechterhand – vasthield en [betrokkene 1] geen kant op kon. In de woning van [betrokkene 1] waren op dat moment de vrouw van [betrokkene 1] en hun kinderen aanwezig. Gelet op het voorgaande was naar het oordeel van het hof sprake van een (onmiddellijk dreigend gevaar voor een) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van (in elk geval) eens anders lijf, te weten dat van [betrokkene 1] en dat van de leden van zijn gezin. Subsidiariteit Naar het oordeel van het hof was de situatie dermate bedreigend, dat het zich hieraan onttrekken voor de verdachte geen reëel alternatief was. Dat kon van hem in redelijkheid ook niet worden gevergd. Aan de eis van subsidiariteit is naar het oordeel van het hof dan ook voldaan. Proportionaliteit Was de wijze van verdediging door de verdachte proportioneel? Uit de proportionaliteitseis volgt dat een gedraging niet straffeloos is als deze gedraging – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband - tot terughoudendheid nopende- maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft er bewust voor gekozen om een geladen vuurwapen bij zich te dragen en was ook bereid dit te gebruiken ter bescherming van (het gezin van) [betrokkene 1] tegen voor de verdachte onbekende personen. Hoewel het moment van de aanval door [slachtoffer] en [betrokkene 2] voor de verdachte onverwacht kwam, had hij zich dus wel voorbereid op een mogelijke confrontatie door een potentieel dodelijk en illegaal wapen bij zich te dragen. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn vuurwapen (hof: toen hij zich op het trottoir bevond en omdraaide, p. 1154) heeft doorgeladen, zodat hij daarmee [slachtoffer] en [betrokkene 2] kon afschrikken door in de lucht te schieten. Dit zou naar het oordeel van het hof, vanaf de plek waar hij stond – op het trottoir, op meters afstand van [slachtoffer] – een proportionele reactie kunnen zijn geweest, evenals het vanaf die plek dreigen met het vuurwapen. Het hof stelt echter, evenals de rechtbank, vast dat op de camerabeelden niet is te zien dat de verdachte op enig moment met zijn pistool omhoog heeft gericht. In plaats daarvan is op de camerabeelden te zien dat de verdachte, nadat hij het vuurwapen had doorgeladen, zich resoluut in de richting van [slachtoffer] bewoog, en het vuurwapen daarbij ook richtte op [slachtoffer] . Nadat de verdachte vervolgens uitgleed, rende [slachtoffer] opnieuw op de verdachte af. Op dat moment was er sprake van ook een noodweersituatie voor de verdachte. Dit betekent naar het oordeel van het hof evenwel niet dat het voor de verdachte op dat moment geoorloofd was om ter verdediging van zichzelf dan wel [betrokkene 1] en/of zijn gezin met het vuurwapen gericht op het lichaam van [slachtoffer] te schieten, terwijl [slachtoffer] ongewapend was en er voorts geen aanleiding was om te veronderstellen dat [slachtoffer] een wapen in de richting van de verdachte zou hanteren. De verdachte heeft zelf ook meerdere keren verklaard dat hij geen wapen in de handen van [slachtoffer] heeft gezien. Het onder die omstandigheden met een pistool gericht in het bovenbeen en enkele seconden later in de borststreek van [slachtoffer] schieten, staat als verdedigingsmiddel naar het oordeel van het hof in een onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. De verdachte is door aldus te handelen buiten de grenzen van de noodzakelijke verdediging getreden. De omstandigheid dat [slachtoffer] na het eerste schot niet terugdeinsde maar in plaats daarvan doorliep in de richting van de verdachte leidt niet tot een ander oordeel. Ook acht het hof, anders dan de raadsman, niet van belang dat [betrokkene 2] zich bediende van een klauwhamer. De verdedigingshandelingen van de verdachte waren immers niet gericht tegen [betrokkene 2] . Dat relevantie toe zou komen aan de omstandigheid dat [slachtoffer] een kickbokser was, zoals de raadsman nog heeft betoogd, acht het hof bij de beoordeling in deze evenmin relevant. De verdachte kende [slachtoffer] niet en was derhalve van deze omstandigheid niet op de hoogte. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de verdachte geen argeloze, onvoorbereide en ongewapende burger was die plotseling werd aangevallen en toen naar een wapen greep dat toevallig binnen handbereik was. De verdachte was doelbewust bij [betrokkene 1] aanwezig voor de bescherming van hem en zijn gezin en had zich in dat kader bewapend met een geladen vuurwapen. Door in die hoedanigheid op te treden heeft de verdachte geaccepteerd dat hij in risicovolle, gewelddadige en stressvolle situaties zou kunnen belanden. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij door zijn militaire dienst reeds ervaring had en kundig was met het gebruik van vuurwapens. Gelet op dit alles mocht van de verdachte meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander. Het hof verwerpt daarom het beroep op noodweer. Noodweerexces Voor noodweerexces geldt dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien: a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van (onder andere) zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen en eens anders lijf tegen (het onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het hof wil wel aannemen dat dit gevaar en deze aanranding gevoelens van onveiligheid hebben teweeggebracht bij de verdachte, maar noch uit verdachtes eigen verklaring, noch uit de overige inhoud van het dossier volgt dat deze gevoelens als gevolg van de onmiddellijke vrees voor een ogenblikkelijke aanranding zodanig hevig zijn geweest dat gesproken kan worden van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Hiertoe acht het hof het volgende van belang. Weliswaar heeft de verdachte op 12 september 2020 verklaard dat hij ‘angst voelde’ en ‘onder grote stress stond’, maar hij heeft dit niet nader gespecificeerd of toegelicht, anders dan de bij hem levende vrees dat [betrokkene 2] en [slachtoffer] de woning van [betrokkene 1] binnen zouden gaan. Verder weegt het hof nadrukkelijk mee dat, zoals hiervoor al is overwogen, de verdachte door in te gaan op de vraag om [betrokkene 1] en diens gezin – personen die hij nog nooit had ontmoet – te beschermen, er rekening mee hield en heeft geaccepteerd dat het tot een confrontatie kon komen en hij dus in risicovolle situaties kon belanden. Het hof merkt in dat kader op dat de verdachte in zijn verklaringen bij de politie ook steeds de nadruk heeft gelegd op de noodzaak om zichzelf en/of [betrokkene 1] , zijn vrouw en kinderen te verdedigen en niet op het bestaan van een hevige gemoedsbeweging. De verdachte verklaarde onder meer: ‘Mijn hele gedrag is gericht op de bescherming van [betrokkene 1] , elke stap die ik neem is hierop gericht.’ ‘Ik ben daar geweest om [betrokkene 1] , zijn vrouw en zijn familie te verdedigen. Ik deed wat nodig was. (…) Ik heb niet geschoten tegen de man die niet gevaarlijk voor mij was.’ en ‘Het ging alleen maar om het gevaar te elimineren’ (…) ‘Ze hebben mij gezegd je moet bescherming geven aan zijn vrouw, zijn kinderen (…) Je moet dan alles doen wat je in je kracht hebt en dat is zo een wapen. Als je een bazooka had zou je die ook gebruiken.’. Ook heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard: ‘ [betrokkene 1] en ik hebben gezamenlijke kennissen. Op die manier ben ik via via gevraagd of ik gedurende 2 weken [betrokkene 1] en zijn gezin kon beschermen. (…) [betrokkene 1] en ik hebben besproken dat de mensen die [betrokkene 1] afpersten, ook zijn vrouw en kinderen pijn konden doen. Ik heb beloofd dat ik dat niet zou toelaten. (…) Ik begrijp dat het fout is hoe ik heb gehandeld. Echter, als je te horen krijgt dat een landgenoot van je en haar kinderen worden bedreigd, dan komt die Poolse mentaliteit naar boven. Ik stel dan geen vragen en ga die mensen helpen.’ Uit dergelijke uitlatingen kan niet worden afgeleid dat de verdachte overmand door hevige angst als gevolg van de aanranding tot zijn handelen is gekomen, maar deze wijzen er veeleer op dat hij heeft gehandeld om te doen waarvoor hij was gevraagd. Tot slot is niet aannemelijk geworden dat andere (eerdere) factoren een hevige gemoedsbeweging hebben veroorzaakt of daaraan hebben bijgedragen. De verdachte kende het slachtoffer niet en had [betrokkene 1] pas enkele uren voor het incident voor het eerst ontmoet. De enkele aangevoerde omstandigheid dat de verdachte iets kon hebben gemerkt van de angst die [betrokkene 1] reeds voelde of mededelingen die [betrokkene 1] tegen hem had gedaan over de personen door wie hij werd afgeperst, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande, in combinatie met de verregaande mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, acht het hof niet aannemelijk geworden dat de gedragingen van de verdachte het onmiddellijk gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding. Het hof verwerpt derhalve het beroep op noodweerexces. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor onder 1 bewezenverklaarde. De verdachte is ook strafbaar voor het onder 2 bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft met betrekking tot de op te leggen straf onder meer het volgende overwogen: De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] . De verdachte heeft op [slachtoffer] geschoten op klaarlichte dag, midden in een woonwijk. Vervolgens is de verdachte ervandoor gegaan en heeft hij zich tot zijn aanhouding door de politie schuilgehouden. De door de verdachte gepleegde strafbare feiten hebben grote onrust veroorzaakt in de plaatselijke gemeenschap en hebben ook daarbuiten gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen. Het feit dat de verdachte, met het oog op een eventuele confrontatie, bewust een geladen wapen bij zich droeg, laat zien dat hij er niet voor terugschrikt om geweld tegen andere mensen te gebruiken. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens. De feiten hebben zich afgespeeld in de context van een conflict binnen het drugsmilieu. De verdachte heeft ermee ingestemd als beveiliger/beschermer voor de familie van één van de betrokkenen op te treden. Hij had naar eigen zeggen niets met dit conflict te maken, maar was kennelijk wel bereid zonder gedegen voorbereiding en voorzien van een illegaal vuurwapen deze taak op zich te nemen, met alle gevolgen van dien. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Hij heeft niet alleen [slachtoffer] het leven ontnomen, maar ook de nabestaanden een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht, zoals naar voren is gekomen uit de ter terechtzitting door de dochter en partner van [slachtoffer] afgelegde verklaringen en de door de broer van [slachtoffer] overgelegde schriftelijke slachtofferverklaring. De nabestaanden zullen hun leven lang het verdriet met zich mee moeten dragen. Doodslag is één van de ernstigste delicten die de Nederlands strafwetgeving kent en rechtvaardigt naar zijn aard en ernst op zichzelf oplegging van een langdurige gevangenisstraf. Ook acht de rechtbank vanuit het oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats. Kijkend naar de persoon van de verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte de onderhavige strafbare feiten heeft gepleegd na een eerdere veroordeling in Polen voor een soortgelijk feit waarbij aan hem een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van acht jaar werd opgelegd. De verdachte zat deze straf tot april 2020 uit en slechts korte tijd daarna heeft hij onderhavige feiten gepleegd. In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat het initiatief tot de directe confrontatie tussen de verdachte en [betrokkene 1] enerzijds en [betrokkene 2] en [slachtoffer] anderzijds niet van verdachte is uitgegaan. De verdachte is op dat moment overvallen door de confrontatie en de uiteindelijke doodslag op [slachtoffer] is in reactie daarop gepleegd. Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen van de rechtbank. Het hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne. Het hof weegt de in de laatste cursieve alinea genoemde strafmatigende omstandigheden, nadrukkelijker dan de rechtbank, mee in de hoogte van de op te leggen straf. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof is van oordeel dat deze straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten, de persoon van de verdachte en de overige hiervoor genoemde omstandigheden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] De benadeelde partij [benadeelde partij 1] (echtgenote) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 29.108,70, bestaande uit € 11.608,70 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is, voor zover betrekking hebbend op de materiële schade, als volgt opgebouwd: kostten uittreksel € 19,75; kosten uitvaart (voor zover niet vergoed door DELA) € 1.247,88; bloemwerk € 600,00; urn € 214,80; gedenksieraad € 2.500,00; factuur lunchroom LKKR & ZO € 7.026,27. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 19.582,43 (bestaande uit € 17.500,00 aan immateriële schade en posten 1 tot en met 4), te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is voor een bedrag van € 2.500 afgewezen (post 5) en de benadeelde partij is in het overige gedeelte niet-ontvankelijk verklaard (post 6). De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden. Het hof zal hierna de gevorderde schadeposten afzonderlijk bespreken. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de onder 1, 2, 3 en 4 genoemde posten het rechtstreeks gevolg zijn van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof acht deze gevorderde schade voldoende onderbouwd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Met betrekking tot de gevorderde schade voor het gedenksieraad (post 5) is het hof van oordeel dat thans niet kan worden vastgesteld dat, en zo ja in hoeverre, deze kosten in rechtstreeks verband staan met het geven van de eindbestemming aan het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer] en derhalve als kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108 lid 2 BW toewijsbaar zijn. Het hof zal de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Met betrekking tot de gevorderde schade die ziet op de kosten voor de lunchroom is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de benadeelde partij dit gedeelte van de vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof acht zich thans onvoldoende geïnformeerd om dit gedeelte van de vordering inhoudelijk te kunnen beoordelen. Ook hetgeen namens de benadeelde partij in hoger beroep ter toelichting naar voren is gebracht, geeft naar het oordeel van het hof onvoldoende duidelijkheid over de vraag of en zo ja in hoeverre deze kosten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.