Parketnummer : 20-002588-20 Uitspraak : 28 januari 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 november 2020, in de strafzaak met parketnummer 03-721019-18 tegen: [verdachte] , geboren te Venlo op [geboortedag] 1962, thans verblijvende in [PI 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte van de onder 1 primair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag en de onder 1 subsidiair tenlastegelegde doodslag vrijgesproken en ter zake van met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (feit 2 primair); opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft (feit 3 primair) en een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en 6 maanden met aftrek van de tijd die door de verdachte in overleveringsdetentie en voorarrest is doorgebracht. Voorts is bij voormeld vonnis beslist op de vordering van de benadeelde partij [vader van Nicky Verstappen] en [moeder van Nicky Verstappen] (het hof begrijpt: [benadeelde partij]), nabestaanden van Nicky Verstappen. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 5.934,95 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2019 tot aan de dag van volledige voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op een bedrag ter hoogte van € 589,85. Tot slot is bij voormeld vonnis het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen. - - Van de zijde van de verdachte en door de officieren van justitie in het arrondissement Limburg is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd onder 1 primair (de gekwalificeerde doodslag, te weten dat de doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van – kort gezegd – het zedenfeit gemakkelijker te maken, waarbij de geweldshandelingen bestonden uit verstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam van Nicky Verstappen toe te passen); onder 2 primair (het betasten en penetreren van Nicky Verstappen); onder 3 (de wederrechtelijke vrijheidsberoving van Nicky Verstappen) en onder 4 (een gewoonte maken van het bezit van kinderpornografie met betrekking tot de Packard Bell PC en in ieder geval één externe harde schijf in de periode van (het hof begrijpt: 28 april 2016) tot en met 22 januari 2018), waarbij het Openbaar Ministerie wordt geacht ontvankelijk te zijn in de vervolging van dat feit, en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest en overleveringsdetentie heeft doorgebracht. Voorts hebben de advocaten-generaal gevorderd dat het hof de gehele vordering van de benadeelde partij zal toewijzen (het hof begrijpt: tot een bedrag van € 6.823,77), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met de daarbij horende gijzeling en te vermeerderen met de gevorderde proceskosten voor zover die voor vergoeding in aanmerking komen. Tot slot hebben de advocaten-generaal naar voren gebracht dat de inbeslaggenomen voorwerpen in verband met het onderzoek naar kinderporno in beginsel dienen te worden onttrokken aan het verkeer indien op de betreffende voorwerpen (het hof begrijpt: gegevensdragers) strafbare feiten of handelingen staan. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de onder 1 primair en subsidiair, onder 2 primair en subsidiair en onder 3 tenlastegelegde feiten. Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde feit heeft de verdediging primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van dat feit en subsidiair dat het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken. De verdediging heeft expliciet naar voren gebracht geen strafmaatverweer te voeren, maar heeft in het kader van een eventueel op te leggen straf wel enkele opmerkingen gemaakt. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich, indien het hof komt tot een bewezenverklaring (het hof begrijpt: van (een van) de onder 1, 2 en/of 3 tenlastegelegde feiten), met betrekking tot de hoogte van het toe te wijzen bedrag gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot een beslissing op de inbeslaggenomen voorwerpen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de meervoudige kamer van de rechtbank. Partiële nietigheid van de dagvaarding van feit 4 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaten-generaal hebben in hun op schrift gestelde requisitoir met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde feit – voor zover hier relevant – naar voren gebracht dat de rechtbank enkel heeft bewezenverklaard (het hof begrijpt: een gewoonte maken van het in bezit hebben van afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,
- op)de PC. De rechtbank heeft de vrijspraak voor de harde schijven niet gemotiveerd. De advocaten-generaal menen dat een bewezenverklaring dient te volgen voor ook één harde schijf en hebben daarbij opgemerkt dat het niet nodig is dat in de tenlastelegging ook foto’s worden omschreven die van een harde schijf afkomstig zijn. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft – zoals verwoord in de pleitnota en voor zover hier relevant – naar voren gebracht dat zij het niet eens is met het standpunt van het Openbaar Ministerie dat het niet uitmaakt dat de omschrijving van de beelden van de harde schijf/schijven niet is opgenomen in de tenlastelegging. Het oordeel van het hof De geldigheid van de dagvaarding wordt onder andere beoordeeld op de duidelijkheid van de tenlastelegging. Gelet op artikel 258, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), in samenhang met artikel 261, eerste en tweede lid Sv en de artikelen 348 en 350 Sv, welke laatstgenoemde bepalingen krachtens artikel 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn, strekt de tenlastelegging ertoe voor de procesdeelnemers – voor de verdachte, het Openbaar Ministerie en de strafrechter – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen. Met het oog daarop dient ingevolge artikel 261 Sv de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse, alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan. Het gaat er uiteindelijk om of de dagvaarding voldoende duidelijk is in die zin dat voldoende inzichtelijk is wat de beschuldiging inhoudt waartegen de verdachte zich aldus heeft te verdedigen. De tenlastelegging in de onderhavige zaak heeft ter zake van feit 4 betrekking op ‘(telkens) afbeeldingen, te weten foto’s en/of films en/of video’s – en/of gegevensdragers (te weten een Packard Bell PC en/of een of meer (externe) harde schijven), bevattende afbeeldingen –van seksuele gedragingen (…)’, waarna de afbeeldingen van seksuele gedragingen worden verfeitelijkt door vermelding van tien foto’s. Echter, van deze 10 omschreven foto’s zijn geen vermeldingen opgenomen van afbeeldingen van seksuele gedragingen die zich bevinden op één of meer tenlastegelegde (externe) harde schijf/schijven. Ter terechtzitting in hoger beroep is dienaangaande gerequireerd tot bewezenverklaring van het bezit van kinderporno op één harde schijf, zonder nadere specificering welke. In HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1739 en HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1497 zijn enkele uitgangspunten geformuleerd met het oog op de strafrechtelijke beoordeling van het op grote(
- re)schaal voorhanden hebben van kinderporno. Vooropgesteld moet worden dat aan de term ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ in de zin van artikel 240b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Zonder feitelijke omschrijving van die afbeelding in de tenlastelegging voldoet de dagvaarding niet aan de in artikel 261, eerste lid Sv gestelde eis van opgave van het feit. De uitgangspunten met het oog op de strafrechtelijke beoordeling van het op grote(
- re)schaal voorhanden hebben van kinderporno komen hierop neer dat de steller van de tenlastelegging zich bij voorkeur zou moeten beperken tot het beschrijven van een selectie van een gering aantal (representatieve) afbeeldingen – zo mogelijk ten hoogste vijf – zonder in de tenlastelegging zelf enige aanduiding van of verwijzing op te nemen naar een wellicht grotere hoeveelheid waarvan die afbeeldingen deel uitmaken. In geval van bewezenverklaring van het handelen van de verdachte met betrekking tot een of meer van die in de tenlastelegging omschreven afbeeldingen kan vervolgens bij de straftoemeting rekening worden gehouden met het grootschalige karakter van het delict, bijvoorbeeld op grond van de erkenning door de verdachte van het grootschalige karakter, hetgeen betekent dat de concrete afbeeldingen of de exacte hoeveelheid kinderporno niet behoeven te worden besproken, of op grond van de uitkomst van een in het voorbereidend onderzoek uitgevoerde steekproef uit het aangetroffen materiaal, mits de verdachte in de gelegenheid is gesteld de bij de steekproef gehanteerde methode aan de orde te stellen. De onderhavige tenlastelegging heeft betrekking op 10 afbeeldingen die, nader omschreven en onderverdeeld, herleidbaar zijn tot afbeeldingen aangetroffen op de Packard Bell PC in gebruik bij de verdachte (proces-verbaal met nummer 2018-01) en digitale gegevensbestanden afkomstig uit het onderzoek TGO Hei (proces-verbaal met nummer 2018-02), zoals beschreven in het proces-verbaal met nummer 2018-03. De steller van de tenlastelegging heeft zich dus beperkt tot een beperkte selectie van (representatieve) afbeeldingen. Uit de eisen die artikel 261 Sv stelt aan de dagvaarding, vloeit voort dat de tenlastelegging met het oog op de genoemde duidelijkheid voor in het bijzonder de verdachte en de rechter ten aanzien van elk van die afbeeldingen, hetzij een voldoende concrete beschrijving dient te bevatten, hetzij de vindplaats van die beschrijving in het dossier dient te vermelden. De omstandigheid dat de tenlastelegging tevens ziet op afbeeldingen opgenomen op één of meer externe harde schijf/schijven, zonder een nadere verduidelijking of herleidbaarheid tot die afbeeldingen, maakt dat naar het oordeel van het hof de onderhavige tenlastelegging ter zake van dit onderdeel niet voldoet aan de eisen met het oog op de genoemde duidelijkheid. Indien de tenlastelegging niet aan die eisen voldoet en de verdachte daarop beroep doet, kan zulks grond vormen voor nietigverklaring van de dagvaarding. Anders dan van de zijde van Openbaar Ministerie naar voren is gebracht, bestaat er geen grond anders te oordelen in het onderhavige geval en het hof zal de dagvaarding met betrekking tot dit onderdeel, te weten ten aanzien van de woorden ‘en/of een of meer (externe) harde schijven’, dan ook nietig verklaren. (Niet-)ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ter zake van feit 4 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep op de terechtzitting van 17 november 2021 naar voren gebracht dat zij eerder (het hof begrijpt: op de terechtzitting van 6 april 2021) heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van feit 4. De verdediging heeft dit verweer herhaald, nu zij van mening is dat de eerdere beslissing van het hof, zoals kenbaar gemaakt op de terechtzitting van 9 april 2021, op dit punt juridisch onjuist is. Kort gezegd lijkt het standpunt te zijn dat de verdachte mocht worden vervolgd, nu het zwaartepunt van de voorlopige hechtenis lag bij de overige feiten, maar dit standpunt volgt niet uit de jurisprudentie en is juridisch onjuist, aldus de verdediging. De verdediging concludeert dat de vervolging voor een strafbaar feit waarvoor geen toestemming tot overlevering is verleend enkel mag plaatsvinden indien de verdachte voor dit feit geen vrijheidsbeperkende maatregel heeft ondergaan. Dat een verdachte voor andere feiten (waarvoor wel toestemming tot overlevering is verleend) wel vrijheidsbeperking ondergaat, is wel toegestaan. De verdachte heeft echter reeds vrijheidsbeperking ondergaan voor de verdenking van het bezit van kinderporno. In de zaak van de verdachte is ondanks het ontbreken van toestemming de voorlopige hechtenis al in 2018 bevolen voor onder andere het bezit van kinderporno. Op het moment dat de verdachte voor dit feit werd vervolgd en berecht, onderging hij een vrijheidsbeperkende maatregel voor onder andere dit feit. Het specialiteitsbeginsel is hiermee ten onrechte geheel terzijde geschoven, zo stelt de verdediging. Dat er inmiddels wel toestemming is verleend, doet niet af aan het feit dat de vervolging voor dit feit is aangevangen terwijl er geen toestemming was en de verdachte voor dit feit wel reeds een vrijheidsbeperkende maatregel onderging, aldus de verdediging. De verdediging verzoekt om deze reden het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging voor het bezit van kinderporno. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaten-generaal hebben bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdediging dit preliminaire verweer ter terechtzitting van het hof van 6 april 2021 heeft gevoerd en dat het hof heeft beslist dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging voor feit 4. Behalve dat inmiddels de Spaanse rechter heeft besloten tot het instemmen met de uitbreiding van de overlevering, luiden de overwegingen van het hof blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2021 samengevat aldus dat een persoon kan worden vervolgd en berecht ‘voor enig ander vóór de overlevering begaan feit’ dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest. De voorwaarde is dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, tenzij die maatregel wettelijk is gerechtvaardigd door andere tenlasteleggingen in het Europees aanhoudingsbevel. De verdachte is niet overgeleverd voor de kinderpornografie, maar voor feiten begaan tegen Nicky Verstappen. De voorlopige hechtenis voor de kinderpornografie is wettelijk gerechtvaardigd door de feiten in het Europees aanhoudingsbevel, waarmee is voldaan aan de uitspraak van het Hof van Justitie van 1 december 2008, inzake Leymann en Pustovarov. De advocaten-generaal hebben naar voren gebracht dat zij niets aan die beslissing hebben toe te voegen. Het oordeel van het hof Het hof overweegt – onder verwijzing naar zijn reeds ter terechtzitting van 9 april 2021 gegeven beslissing – als volgt. Het specialiteitsbeginsel is opgenomen in artikel 27, tweede lid van het Kaderbesluit van de Raad (van de Europese Unie) van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ), hierna aangeduid met: het kaderbesluit. Het tweede lid houdt in dat, behoudens in de in het eerste en derde lid bedoelde gevallen, een overgeleverd persoon niet wordt vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest. In artikel 14 van de Overleveringswet (Stb. 2004, 195) wordt uitvoering gegeven aan onder andere artikel 27 van het kaderbesluit. In de in artikel 27, derde lid van het kaderbesluit opgenomen gevallen is het specialiteitsbeginsel niet van toepassing. De uitzondering onder artikel 27, derde lid, sub c betreft een situatie waarin artikel 27, tweede lid van het kaderbesluit niet van toepassing is indien de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt (vgl. artikel 14, eerste lid, sub c van de Overleveringswet). In het kader van die uitzondering kan een persoon dus worden vervolgd en berecht voor ‘enig ander vóór de overlevering begaan feit’ dan het feit dat de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend. Onder verwijzing naar de uitleg die het Europese Hof van Justitie aan de uitzondering zoals opgenomen in artikel 27, derde lid, sub c van het kaderbesluit heeft gegeven, dient volgens het hof de genoemde uitzondering aldus te worden uitgelegd dat wanneer sprake is van ‘enig ander vóór de overlevering begaan feit’ dan het feit dat de reden tot de overlevering is geweest, overeenkomstig artikel 27, vierde lid van het kaderbesluit toestemming moet worden gevraagd en verkregen indien een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel ten uitvoer moet worden gelegd. De overgeleverde persoon kan voor dat strafbare feit worden vervolgd en berecht alvorens die toestemming is verkregen, op voorwaarde dat geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd tijdens de vervolging of de berechting van dat feit. De uitzondering van artikel 27, derde lid, sub c van het kaderbesluit staat er echter niet aan in de weg dat de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens de toestemming wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere tenlasteleggingen in het Europees aanhoudingsbevel. Met de rechtbank stelt het hof vast dat het verweten strafbare feit van – kort gezegd – het bezit van kinderporno (feit 4) niet staat vermeld in het Europees arrestatiebevel d.d. 12 juni 2018 of in de aanvulling daarop d.d. 7 september 2018. De toestemming voor de overlevering van de verdachte verleend door de Spaanse rechter is dan ook niet gebaseerd op de verdenking van het bezit van kinderporno; de verdachte is alleen overgeleverd ter zake van de feiten 1 tot en met 3, de misdrijven die volgens de tenlastelegging tegen Nicky Verstappen zijn begaan. De voorlopige hechtenis van de verdachte is naast de feiten 1 tot en met 3 mede gebaseerd op het strafbare verwijt van bezit van kinderporno. De voorlopige hechtenis is aldus wettelijk gerechtvaardigd door de feiten in het Europees aanhoudingsbevel, waarmee overeenkomstig voornoemde uitspraak van het Europese Hof van Justitie is voldaan aan bovengenoemde voorwaarde. Anders dan de verdediging is het hof aldus van oordeel dat in de onderhavige strafzaak sprake is van een gerechtvaardigde uitzondering die het specialiteitsbeginsel doorbreekt. Dat brengt in casu met zich mee dat de verdachte mag worden vervolgd en berecht voor een ander feit dan ter zake waarvan hij is overgeleverd, ondanks de omstandigheid dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt. Dat de voorlopige hechtenis formeel tevens gegrond was op het niet eerder vermelde strafbare feit van – kort gezegd – het bezit van kinderporno (feit 4), doet daaraan niet af. Het hof verklaart derhalve het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging voor feit 4.Daarbij merkt het hof – nogmaals en ten overvloede – op dat de Spaanse magistraat-rechter [naam Spaanse magistraat-rechter] op 14 december 2020 heeft besloten tot het instemmen met de uitbreiding van de overlevering ten gunste van de Nederlandse autoriteiten van de verdachte voor het instellen van een vervolging voor een misdrijf van seksuele uitbuiting en kinderpornografie. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat: 1.hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. Verstappen van het leven heeft beroofd door verstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam van die Verstappen toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde Verstappen is overleden; welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het plegen van een of meer ontuchtige handeling(
- en)met voornoemde Verstappen (geboren op 13 maart 1987), die al dan niet mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van diens lichaam en/of het wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven en/of het onttrekken aan het wettig gezag van die Verstappen en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. Verstappen van het leven heeft beroofd door verstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam van die Verstappen toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde Verstappen is overleden; 2. hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, met N. Verstappen (geboren op 13 maart 1987) die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(
- en)heeft gepleegd die bestond(
- en)uit of mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Verstappen, door met zijn, verdachtes, hand(
- en)de (blote) penis en/of anus, althans de schaamstreek en/of de billen, van die Verstappen te betasten en/of met één of meer van zijn, verdachtes, vingers, althans diens penis, althans met een hard voorwerp, de anus van die Verstappen te penetreren of binnen te dringen; subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, met N. Verstappen, geboren op 13 maart 1987, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt een of meer ontuchtige handeling(
- en)heeft gepleegd, door met zijn, verdachtes, hand(
- en)de (blote) penis en/of anus, althans schaamstreek en/of de billen, van die Verstappen te betasten, (en verder zowel ten aanzien van feit 2 primair als feit 2 subsidiair, indien en voor zover de onder 1 ten laste gelegde feiten niet hebben geleid tot een bewezenverklaring) zulks terwijl voornoemd(
- e)onder feit 2 primair en subsidiair omschreven misdrijven/misdrijf de dood van die Verstappen tot gevolg hebben/heeft gehad; 3. hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. Verstappen wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die Verstappen (op enig moment) tegen diens vrije wil mee te nemen en/of weg te voeren naar een andere plek of plaats dan het tentenkamp op [naam kampeerterrein] en/of die Verstappen gedurende enige tijd tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden; (en verder voor zover de onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten niet hebben geleid tot een bewezenverklaring en de onder feit 2 tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid ‘zulks terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad’ evenmin bewezen is verklaard) zulks terwijl dit feit de dood van die Verstappen ten gevolge heeft gehad; subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten N. Verstappen, geboren op 13 maart 1987, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, zulks terwijl deze Verstappen beneden de twaalf jaren oud was; 4.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 april 2016 tot en met 1 juli 2018 in de gemeente Simpelveld, in elk geval in Nederland, en/of in Frankrijk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto's en/of films en/of video's, – en/of een gegevensdrager (te weten een Packard Bell PC), bevattende afbeeldingen – van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – bestonden uit: het met de/een penis en/of (een) vinger(s)/hand oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de/een penis oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met een voorwerp (te weten een dildo) anaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt o (een foto, nr. 1, met bestandsnaam: [bestandsnaam 1] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of o een foto, nr. 2, met bestandsnaam: [bestandsnaam 2] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of o een foto, nr. 5, met bestandsnaam: [bestandsnaam 3] , p. 5 pv beschrijving kipo en/of o een foto, nr. 6, met bestandsnaam: [bestandsnaam 4] , p. 5 pv beschrijving kipo en/of o een foto, nr. 9, met bestandsnaam: [bestandsnaam 5] , p. 6 pv beschrijving kipo en/of o een foto, nr. 10, met bestandsnaam: [bestandsnaam 6] , p. 6 pv beschrijving kipo en/of o een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 7] , p. 5 pv beschrijving kipo) en/of het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt o (een foto, nr. 3, met bestandsnaam: [bestandsnaam 8] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of o een foto, nr. 4, met bestandsnaam: [bestandsnaam 9] , p. 4 en 5 pv beschrijving kipo) en/of - het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's /film(
- s)nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling o (een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 10] , p. 5 pv beschrijving kipo en/of o een foto, nr. 8, met bestandsnaam: [bestandsnaam 11] , p. 6 pv beschrijving kipo) en/of - spuiten van en/of zichtbaar maken van een op sperma gelijkende substantie op het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt o (een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 12] , p. 5 pv beschrijving kipo) en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten Zoals hierna onder 8.2. en 3.2. zal worden overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte van de onder 1 primair respectievelijk onder 2 primair tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken. Hoewel de vrijspraakoverwegingen voor de leesbaarheid van het arrest in de onderhavige zaak zijn gerubriceerd onder het kopje ‘Bewijsoverwegingen’, zijn deze overwegingen uitdrukkelijk bedoeld als motivering van de vrijspraak van de onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde feiten. Bewijsmiddelen Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage; de bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest. Bewijsoverwegingen 1Voorafgaande bewijsoverwegingen ter zake van de feiten 1, 2 en 3 1.1. Inleiding In de onderhavige strafzaak die de afgelopen jaren veel maatschappelijke aandacht heeft gekregen, is veel discussie geweest over het al dan niet aanwezige bewijs ter zake van de tenlastegelegde feiten – in het bijzonder ter zake van de feiten 1 tot en met 3 – en de waarde die daaraan moet worden gehecht en de betrouwbaarheid die aan het bewijs dient te worden verleend. Daarbij zijn van de zijde van het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot bewezenverklaring van die feiten zouden moeten leiden. Van de zijde van de verdediging zijn daarentegen argumenten aangevoerd die een bewezenverklaring van die feiten in de weg zouden staan. Ter verduidelijking van het oordeel van het hof in deze strafzaak geeft het hof in het navolgende weer op welke juridische gronden, uitgangspunten en redeneringen het oordeel van het hof ter zake van het bewijs in de onderhavige strafzaak is gestoeld. Daarbij wordt eerst ingegaan op de juridische bewijsbeslissing. Vervolgens worden enkele bijzondere aspecten van het bewijs in strafzaken beschreven. Aansluitend zal beknopt worden ingegaan op waarheidsvinding, toerekening en verantwoording van het juridisch bewijs. Ten slotte zal, toegespitst op de onderhavige zaak, bij elk afzonderlijk specifiek tenlastegelegd feit nader op het bewijs worden ingegaan. 1.2. De juridische bewijsbeslissing 1.2.1. Artikel 350 Sv, dat op grond van artikel 415, eerste lid jo artikel 422, tweede lid Sv eveneens als maatstaf geldt in hoger beroep, stelt dat indien beraadslaging niet eindigt met een formele einduitspraak als bedoeld in artikel 349 Sv, de beraadslaging zich ten eerste richt op de vraag of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan. Die vraag dient te worden beantwoord op de grondslag van de door het Openbaar Ministerie opgestelde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. De tenlastelegging geeft weer voor welk strafbaar feit of welke strafbare feiten de verdachte wordt vervolgd. Daarbij wordt in de tenlastelegging, met het oog op (de bestanddelen van) een bepaalde delictsomschrijving, weergegeven welke gedraging tijdens een concreet voorval, omstreeks welk tijdstip of welke tijdsperiode, waar ter plaatse en onder welke omstandigheden door de verdachte feitelijk zou zijn begaan. De tenlastelegging vormt de grondslag van het onderzoek in het strafgeding en bepaalt daardoor de omvang van het strafgeding, in het bijzonder ter zake van hetgeen dient te worden bewezen. De tenlastelegging als grondslag van het onderzoek beperkt ook de strafrechter in zijn beslissingsruimte, omdat de strafrechter volgens bestendige jurisprudentie niet meer of niet iets (wezenlijk) anders mag bewezen verklaren dan is tenlastegelegd. Bij de beantwoording van de bewijsvraag gaat het om de vaststelling van de juistheid van de feiten, zijnde de in de tenlastelegging verwoorde door de verdachte begane gedraging, het gestelde tijdstip of de gestelde tijdsperiode, plaats en omstandigheden van een concreet voorval. Artikel 338 Sv stelt dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de strafrechter slechts kan worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. Deze bepaling verwoordt de wijze waarop de vaststelling van de juistheid van de feiten plaatsvindt en de maatstaf waaraan de inhoud van de bewijsmiddelen wordt getoetst. Aan de hand van de in de artikelen 339-344a jo 301 Sv genoemde bewijsmiddelen en de in de jurisprudentie nader aangegeven uitleg over de toepassing daarvan, dient de strafrechter de aan de verdachte tenlastegelegde feiten ter terechtzitting aan de orde te stellen. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting kan de strafrechter zich dan zelfstandig vergewissen van de bruikbaarheid van de gepresenteerde bewijsmiddelen. 1.2.4. De bewijsmiddelen, die kunnen bestaan uit de eigen waarneming van de strafrechter, uit mondelinge en schriftelijke verklaringen van de verdachte, getuigen en deskundigen en uit schriftelijke bescheiden, vormen de basis waarop de bewijsbeslissing is gestoeld. Daarnaast mag de strafrechter bij de bewijsbeslissing gebruikmaken van feiten en omstandigheden van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels. Van algemene bekendheid zijn die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. Voor algemene ervaringsregels geldt hetzelfde. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. Om tot een bewezenverklaring te komen is het aan de strafrechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal (opgenomen in de bewijsmiddelen) datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Met andere woorden: het uitgangspunt op grond van bestendige jurisprudentie is in dezen dat de selectie en waardering van de beschikbare bewijsmiddelen voorbehouden is aan de feitenrechter. Inhoudelijk dient blijkens artikel 359, derde lid Sv de beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan, te steunen op de inhoud van de in beginsel in het vonnis of arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De strafrechter dient daarbij met het oog op de door de wet getrokken grenzen rekening te houden met de omstandigheid dat de (uitleg van
- de)regeling van de bewijsmiddelen meebrengt dat voor een deugdelijke feitenvaststelling een bewezenverklaring in beginsel dient te berusten op ten minste twee uiteenlopende (ken)bronnen of bewijsgronden (de eis van dubbele bevestiging). Deze eis strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat deze de strafrechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de in een bewijsmiddel opgenomen feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in een ander bewijsmiddel afkomstig van een andere, onafhankelijke (ken)bron. Als nuancering geldt echter dat de eis van dubbele bevestiging bijvoorbeeld op grond van artikel 342, tweede lid Sv – betreffende de omstandigheid dat de strafrechter de bewezenverklaring niet enkel mag baseren op één getuigenverklaring – ziet op de tenlastelegging als geheel en niet op elk van de afzonderlijke onderdelen die daarvan deel uitmaken. Dat betekent dat enkel vereist is dat de tweede bewijsgrond ondersteuning biedt aan het tenlastegelegde feit als geheel, maar de eis van dubbele bevestiging geen betrekking heeft op elk afzonderlijk onderdeel van de tenlastelegging (zoals bijvoorbeeld de betrokkenheid van de verdachte bij de delictsgedraging). De vraag of aan de eis van dubbele bevestiging is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Inhoudelijk wordt daarbij de eis gesteld dat de in het andere bewijsmiddel weergegeven feiten en omstandigheden voldoende steun geven aan de getuigenverklaring of, anders gezegd, tussen de verklaring van de getuige en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Daarbij is de door de strafrechter gehanteerde motivering mede van belang. Dat betekent inhoudelijk dat er een tweede bewijsgrond moet zijn die los van de ene verklaring van de getuige een zodanige betekenis heeft dat de verklaring van de getuige op een of meer onderdelen inhoudelijk wordt ondersteund. Het hof gaat er vanuit dat deze invulling van de eis van dubbele bevestiging in het algemeen niet anders is ter zake van andere bewijsmiddelen. Naast het voorgaande geldt dat indien de strafrechter zich in een nadere bewijsoverweging beroept op feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring maar die niet zijn vermeld in de in het vonnis of arrest opgenomen bewijsmiddelen, de strafrechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging: (
- a)die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en (
- b)het wettige bewijsmiddel dient aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Als het daarbij gaat om feiten of omstandigheden die zijn vermeld in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, moeten die stukken ter terechtzitting zijn voorgelezen of moet daarvan daar de korte inhoud zijn medegedeeld.Op deze wijze kan worden nagegaan of het bewezenverklaarde ook uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het voorgaande geldt echter niet voor feiten of omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan een weerlegging van verweren inzake de betrouwbaarheid van het gebezigde bewijsmateriaal of aan de verwerping van een verweer dat bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen. Zulke feiten of omstandigheden – hoewel bepalend voor de waardering van het bewijs en derhalve wel degelijk van invloed daarop – zijn immers niet redengevend voor de bewezenverklaring dat de verdachte het/de aan hem tenlastegelegde feit(
- en)heeft begaan. 1.2.6. Het bewijs van het tenlastegelegde feit kan via bewijsmiddelen meer direct (bijvoorbeeld gebaseerd op een proces-verbaal van verhoor van de verdachte, een (oog)getuige/slachtoffer of een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar), of meer indirect (bijvoorbeeld ontleend aan schriftelijk bewijs omtrent een omstandigheid van het feit of rapportages van deskundigen over aangetroffen sporen op de plaats delict) plaatsvinden. Inhoudelijk dienen de in deze bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden redengevend te zijn om vast te stellen, dan wel daarop de gevolgtrekking te baseren, dat het tenlastegelegde door de verdachte is begaan. De redengevendheid van de betreffende feiten en omstandigheden betekent dat de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden relevant dienen te zijn, in de zin van een logische en verklarende betekenis hebben, voor het aan de verdachte tenlastegelegde feit. In de tenlastelegging komen ook, zoals eerder aangegeven, de bestanddelen terug van de daaraan ten grondslag liggende delictsomschrijving. Hierdoor bepalen deze ‘rechtsfeiten’ mede de eventuele redengevendheid van de inhoud van de bewijsmiddelen. Redengevend voor het bewijs zijn alleen die feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen en die rechtstreeks aan de bewijsbeslissing ten grondslag worden gelegd. Het geheel aan redengevende bewijsmiddelen dient uiteindelijk de bewezenverklaring te kunnen dragen. Daarbij worden die bewijsmiddelen in de regel in onderlinge samenhang beschouwd. 1.2.7. Ten slotte mag de strafrechter pas tot een bewezenverklaring beslissen indien hij tevens de overtuiging heeft dat de verdachte het/de tenlastegelegde feit(
- en)heeft begaan. De maatstaf van de overtuiging is niet heel scherp, maar algemeen wordt erkend dat het daarbij gaat om de maatstaf dat, gezien de in de bewijsmiddelen opgenomen redengevende feiten en omstandigheden, het buiten redelijke twijfel wordt geacht dat de verdachte het/de tenlastegelegde feit(
- en)heeft begaan. Bij redelijke twijfel dient, gezien het in het strafrecht geldende uitgangspunt ‘in dubio pro reo’, in het voordeel van de verdachte te worden geoordeeld en dient vrijspraak van het tenlastegelegde te volgen. 1.2.8. Uiteindelijk dient de bewijsbeslissing te leiden tot het oordeel dat de strafrechter op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, bevattende daartoe redengevende feiten en omstandigheden, al dan niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het hem verweten feit heeft begaan. Daartoe wordt de tenlastelegging indien bewezen tekstueel binnen de grenzen van de grondslag van de tenlastelegging aangepast tot de bewezenverklaring. 1.3. Enkele bijzondere bewijsaspecten Zoals reeds aangegeven, dient de vaststelling van de juistheid van de feiten zoals aan de verdachte tenlastegelegd via bewijsmiddelen plaats te vinden, waarbij de daarin opgenomen feiten en omstandigheden redengevend dienen te zijn om vast te stellen, dan wel daarop de gevolgtrekking te baseren, dat het tenlastegelegde door de verdachte is begaan. In dat verband wordt op deze plaats gewezen op het volgende. In de regel is het voor de in artikel 359, derde lid Sv verwoorde eis voldoende dat de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, de redengevendheid van in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden kenbaar maakt. Echter, bij het gebruik van enkele indirecte bewijsmiddelen wordt in de jurisprudentie nadrukkelijk een nadere motivering vereist. Voorbeelden daarvan zijn het gebruik van schakelbewijs en het gebruik van het zwijgen van de verdachte. 1.3.1. Indien geen direct bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten is aangevoerd, is een bewezenverklaring desalniettemin mogelijk indien op grond van zogenoemd ‘schakelbewijs’ tot wettig en overtuigend bewijs van het tenlastegelegde wordt geconcludeerd. Voor het bewijs van het tenlastegelegde strafbare feit mag de strafrechter de bewezenverklaring immers mede doen steunen op één of meer bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van een ander, soortgelijk strafbaar feit dat door de verdachte is begaan; dit wordt omschreven als zogenoemd ‘schakelbewijs’. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont en het duidelijk is dat de verdachte bij beide feiten betrokken is geweest. Voor wat betreft het overeenkomen van essentiële punten tussen beide ‘geschakelde’ feiten wordt in de regel in het bijzonder gekeken naar de (werk)wijze waarop de onderscheidene feiten zijn gepleegd, de modus operandi. Daarbij kan ook de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten meewegen, waaronder de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Hieruit zou een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kunnen worden opgemaakt. Inhoudelijk geldt ter zake van het schakelbewijs niet dat daarvan alleen gebruik mag worden gemaakt indien de ontleende modus operandi steunt op de bewijsmiddelen van meer dan één ‘geschakeld’ feit. Ook is geen voorwaarde voor het gebruik van schakelbewijs dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. Met andere woorden: het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdergaand is het gebruik van schakelbewijs dat niet is gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling van de verdachte voor het ‘geschakelde’ feit. Ook getuigenverklaringen en verklaringen van de verdachte die betrekking hebben op strafbare feiten waarvoor de verdachte niet strafrechtelijk is vervolgd en die dus niet eerder door een strafrechter bewezen zijn verklaard, kunnen als mogelijk schakelbewijs dienen. In dat geval geldt naar het oordeel van het hof dat bij gebruik van dergelijk schakelbewijs de vraag naar de redengevendheid van de betreffende ‘geschakelde’ feiten en omstandigheden nadrukkelijk dient te worden gemotiveerd in het licht van de gehele bewijsvoering. 1.3.2. De verklaring van de verdachte, zijnde zijn bij het onderzoek ter terechtzitting gedane opgave van feiten en omstandigheden uit eigen wetenschap bekend, dan wel zodanige opgave elders gedaan, kan op grond van artikel 341 Sv als bewijsmiddel worden gebruikt. Het gebruik daarvan wordt in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot het Wetboek van Strafvordering als volgt toegelicht: “Iedere verklaring van den verdachte in den zin van dit artikel moet aan den rechter de bouwstof voor het bewijs kunnen leveren. De vraag of die verklaring inhoudt eene algeheele bekentenis van schuld, eene ontkenning of slechts erkenning van sommige feiten en omstandigheden die met het te laste gelegde feit in een meer of minder verwijderd verband staan, betreft de beoordeling van den inhoud der verklaring, eene beoordeling waarin de rechter geheel vrij is”. Op deze plaats is van belang dat ook het niet-verklaren door de verdachte een rol kan spelen bij het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit. In het Nederlandse recht is niet een onvoorwaardelijk recht of beginsel verankerd dat een verdachte op geen enkele wijze kan worden verplicht tot het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal. In artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) ligt besloten dat, indien ten aanzien van een verdachte sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van die bepaling, deze het recht heeft ‘to remain silent’ en ‘not to incriminate oneself’. Het eerstgenoemde recht, het zwijgrecht, vormt de kern van het recht om jezelf niet te hoeven belasten (het nemo tenetur-beginsel) en heeft, in tegenstelling tot het nemo tenetur-beginsel, wel een wettelijke grondslag in het Nederlandse strafprocesrecht (artikelen 29, 271, eerste lid en 273, tweede lid Sv). De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden mag op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de strafrechter, indien een verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke of redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken of daarbij in aanmerking mag nemen. Daarbij geldt dat de opvatting dat een strafrechter eerst dan pas conclusies uit het uitblijven van een aannemelijke of redelijke verklaring van de verdachte mag trekken indien de betreffende strafzaak bewijsbaar zou zijn zonder rekening te houden met het stilzwijgen van de verdachte en de strafrechter daarbij expliciet moet vaststellen dat aan die voorwaarde is voldaan, geen steun vindt in het recht. In verband met de door de Hoge Raad voorgestane uitleg van het bovenstaande wordt gewezen op het volgende. Het hof acht in de eerste plaats ‘een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit’, een feitelijke omstandigheid die in het onderzoek naar voren is gekomen en die, tegen de achtergrond van het aan de verdachte tenlastegelegde feit, op zichzelf het vermoeden lijkt te kunnen dragen dat sprake is van betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit en derhalve ‘clearly calls for an explanation’ van de verdachte. Dat kunnen bijvoorbeeld vragen zijn omtrent de aanwezigheid van de verdachte of over aangetroffen sporen van de verdachte op de plaats delict. In de tweede plaats houdt de omstandigheid dat een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat hij niet schuldig is aan het tenlastegelegde strafbare feit. Bij de beoordeling van de door de verdachte gegeven verklaring spelen naar het oordeel van het hof de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden aan de hand van een uitleg van de feitelijke omstandigheid of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Indien de verdachte in het geheel geen verklaring geeft of een verklaring aflegt die niet als aannemelijke of redelijke, de redengevendheid van de betreffende omstandigheid, ontzenuwende verklaring kan worden bestempeld, mag de strafrechter dat in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken of daarbij in aanmerking nemen. Dat betekent naar het oordeel van het hof dat onder omstandigheden, zoals het gewicht van andere bewijsmiddelen, het door de verdachte niet of niet aannemelijk of redelijk verklaren omtrent een belastende feitelijke omstandigheid uit het onderzoek, van invloed kan zijn op de bewijswaardering, meer bepaald ter zake van de overtuiging dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. 1.3.3. Het gebruik van schakelbewijs en het in de overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken dat de verdachte onder omstandigheden geen aannemelijke of redelijke, de redengevendheid van de betreffende omstandigheid, ontzenuwende verklaring heeft gegeven, kan voor de bewijsbeslissing verstrekkende gevolgen hebben en brengt onder omstandigheden het risico met zich dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit in haar gehele omvang op onvoldoende grondslag is gestoeld en derhalve ontoereikend moet worden geacht. De omstandigheid dat van dergelijk indirect bewijs gebruik mag worden gemaakt, maakt dat naar het oordeel van het hof bij gebruik van beide mogelijkheden ter zake van de bewijsbeslissing met grote voorzichtigheid dient te worden omgegaan. Indien desalniettemin daarvan gebruik wordt gemaakt, dient nadrukkelijk in het geheel van de voorliggende wettige bewijsmiddelen te worden gemotiveerd op welke wijze het gebruik daarvan redengevend wordt geacht, dan wel de overtuiging heeft geschraagd dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. 1.4. Juridisch bewijs: waarheidsvinding, toerekening en verantwoording 1.4.1. Uit het voorgaande wordt onder andere duidelijk dat in juridische zin de vraag of bewezen is dat het/de feit(
- en)door de verdachte is/zijn begaan, dient te worden beantwoord op de grondslag van de door het Openbaar Ministerie opgestelde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. De taak van de strafrechter is daarbij om aan de hand van de tenlastelegging te toetsen of de beschuldiging van de verdachte feitelijk juist is. Het gaat uiteindelijk om de vaststelling van het daderschap van de verdachte van het tenlastegelegde, dat wil zeggen dat het gedrag van de verdachte beantwoordt aan de delictsomschrijving. In meer formeelrechtelijke/processuele zin wordt daartoe de tenlastelegging door de strafrechter getoetst waarbij aan de hand van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting wordt getracht na te gaan wat de precieze gang van zaken was ten tijde van het voorval. Die vaststelling van de juistheid van de feiten is een normatieve kwestie waarbij de strafrechter rechtsregels en feiten in onderling verband interpreteert en het begaan van het tenlastegelegde feit al dan niet toerekent aan de (verantwoordelijke) verdachte. Daarbij is het uitgangspunt het verkrijgen van een bepaalde mate van gekwalificeerde waarschijnlijkheid van de feiten van het voorval; absolute zekerheid is daarover – zowel in kentheoretische als juridisch-processuele zin – niet te verkrijgen. De als juist beoordeelde feiten worden in onderling verband als voldoende corresponderend of coherent met andere feiten en omstandigheden beoordeeld om daaraan het rechtsgevolg van een bewezenverklaring te verbinden. 1.4.2. Het uitgangspunt in de strafrechtelijke procedure bij de vaststelling van de juistheid van de feiten is dat wordt gezocht naar de zogenoemde ‘materiële waarheid’. Dat houdt in dat de strafrechter bij de vaststelling van de feiten niet wordt beperkt tot datgene wat door het Openbaar Ministerie of de verdachte ter zake van de voorliggende tenlastelegging wordt voorgelegd als mogelijk scenario of mogelijke gang van zaken. Zo kan de verdachte zich beroepen op een ander scenario ter zake van het aan hem tenlastegelegde dan het Openbaar Ministerie. Ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, geldt als uitgangspunt dat de strafrechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft. In hoger beroep brengt de materiële waarheidsvinding mee dat de strafrechter – met uitzondering van een bij appelakte aangebrachte beperking of door een latere partiële intrekking van het hoger beroep – bij de beoordeling van de tenlastelegging van de voorliggende strafzaak niet gebonden is aan beslissingen uit eerste aanleg die hij onjuist acht of die gegrond zijn op feiten waarvan hij niet overtuigd is. 1.4.3. Het uitgangspunt van de materiële waarheidsvinding moet echter worden gezien tegen de achtergrond van het doel van het strafproces, zijnde het verzekeren van een juiste toepassing van het materiële strafrecht waarbij dient te worden voorkomen dat onschuldigen worden gestraft en waarbij dient te worden nagestreefd dat enkel schuldigen worden gestraft. Waarheidsvinding vormt daardoor geen zelfstandig, maar een afgeleid doel van het strafproces, dat gericht is op de beslissingen die de strafrechter moet nemen op grond van de tenlastelegging van de voorliggende strafzaak. Aan de hand daarvan wordt, zoals eerder beschreven, uiteindelijk beslist over de (on)schuld van de verdachte. 1.4.4. De uitkomst van de bewijsbeslissing kan enkel maatschappelijk aanvaardbaar of legitiem worden geacht indien er een voldoende mate van zekerheid is ontstaan omtrent de feiten die de beslissing door de strafrechter hebben bepaald. Naar het oordeel van het hof bieden de hiervoor beknopt beschreven wettelijke regelingen en jurisprudentie van het strafrechtelijke bewijsrecht, de ruime mogelijkheden tot tegenspraak en de rechtswaarborgen binnen het strafproces voldoende waarborgen voor een adequate en correcte feitenvaststelling binnen het strafproces. Bijzondere bewijsoverwegingen met betrekking tot feiten 1, 2 en 3 In aansluiting op de voorafgaande bewijsoverwegingen zal het hof per feit bijzondere overwegingen formuleren en de in dat verband ingenomen standpunten bespreken. 2Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1: (gekwalificeerde) doodslag 2.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat deskundigen in de onderhavige zaak geen doodsoorzaak hebben kunnen vaststellen. Er bestaan geen aanwijzingen voor een toxicologische doodsoorzaak, hartafwijkingen/-ritmestoornissen en het QT-tijdsyndroom, een ziekelijke afwijking zoals astma of epilepsie, een hartstilstand door stress en angst of onderkoeling. Daarentegen zijn er wel aanwijzingen voor verstikking. De advocaten-generaal hebben naar voren gebracht dat [gemeentelijk lijkschouwer] heeft verklaard dat Nicky Verstappen dubieuze plekken (bruine verkleuringen) in zijn hals had die kunnen zijn ontstaan door drukken en Soerdjbalie-Maikoe heeft gewezen op bruine verkleuringen naast het linker neusgat en aan de linker mondhoek. De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat ondanks dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze letsels zijn veroorzaakt door verstikking, het wel letsels zijn die bij verstikking passen. Alles overwegende hebben de advocaten-generaal geconcludeerd dat sprake is van een niet-natuurlijk overlijden door een misdrijf en wel door verstikking. Zoals gezegd, bestaan voor geen van de doodsoorzaken aanwijzingen, behalve voor verstikking, en dit alles dient te worden afgezet tegen de verwaarloosbare kans dat een gezond kind plotseling dood gaat. De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat een grote hoeveelheid aan feiten en omstandigheden de gevolgtrekking kan en moet dragen dat Nicky Verstappen van het leven is beroofd door verstikking, zoals opgenomen in de tenlastelegging. 2.2. Het standpunt van de verdediging De raadslieden van de verdachte hebben ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat er in deze zaak geen discussie bestaat over het feit dat geen doodsoorzaak is aangetoond. Voorts hebben zij aangevoerd dat door middel van uitsluiten nooit een doodsoorzaak kan worden gevonden. In het kader van de in de literatuur genoemde methode of toets van ‘Homicide by Unspecified Means’ moet sprake zijn van objectieve, verdachte omstandigheden om tot de conclusie te komen dat sprake is van doding door een onbekend middel. Dergelijke omstandigheden spelen niet in deze zaak. Of er sprake is geweest van een niet-natuurlijk overlijden kan niet met zekerheid uit de omstandigheden in deze zaak worden afgeleid. Uit de plek in het kerstbomenperceel (het hof begrijpt: waar Nicky Verstappen is gevonden) en de toestand van de kleding kan niet (met zekerheid) de betrokkenheid van een dader worden afgeleid. Ook de houding van het lichaam wordt niet genoemd als omstandigheid waaruit een niet-natuurlijk overlijden kan worden afgeleid. De verdediging heeft in dat kader de betrouwbaarheid en deugdelijkheid van het onderzoek van [bewegingsdeskundige] , waarin wordt geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat de houding het gevolg is van (bewuste) manipulatie, betwist. Met betrekking tot de duur van de vermissing heeft de verdediging opgemerkt dat over het moment van overlijden te veel onduidelijk is om daaraan ook maar enige conclusie te kunnen verbinden, laat staan daaraan de conclusie te verbinden dat er sprake moet zijn geweest van een dader. De methode van ‘Homicide by Unspecified Means’ staat er aan ten doel om het gevaarlijke pad van doodsoorzaak-confabulatie (onbewust liegen) te vermijden, zoals bijvoorbeeld met behulp van specifieke diagnoses zoals verstikking, die worden aangevoerd als diagnose van uitsluiting. Er is sprake van doodsoorzaak-confabulatie door de diagnose verstikking vast te stellen, terwijl de aspecifieke verschijnselen voor verstikking ontbreken. Aan de bevindingen aan de hals van Nicky Verstappen kunnen geen conclusies worden verbonden. Er kunnen alleszins geen (voor geweldpleging) betekenisvolle letsels worden gevonden. Indien wordt aangenomen dat er letsels voor het overlijden zijn ontstaan, dan dient in ogenschouw te worden genomen dat er een fikse vechtpartij is geweest tussen de jongens in de tent, voorafgaand aan het verdwijnen van Nicky Verstappen. De letsels ontstaan voor het overlijden kunnen ook het gevolg zijn van die vechtpartij. 2.3. Het oordeel van het hof 2.3.1. De vermissing van Nicky Verstappen en het aantreffen van zijn lichaam Op maandag 10 augustus 1998, omstreeks 09.30 uur, werd bij de basiseenheid Brunssum-Onderbanken van de politie Limburg-Zuid gemeld dat Nicky Verstappen, geboren op 13 maart 1987, werd vermist. Nicky Verstappen maakte deel uit van een groep van 37 kinderen uit Heibloem en omstreken, die van zaterdag 8 augustus 1998 tot en met vrijdag 14 augustus 1998 zou verblijven op kampeerterrein ‘ [naam kampeerterrein] ’, gelegen op de Brunssummerheide te Brunssum. De kinderen sliepen in zelf samengestelde groepen in tenten. Nicky Verstappen maakte samen met [tentgenoot 1] , [tentgenoot 2] , [tentgenoot 3] en [tentgenoot 4] deel uit van een groep. In de ochtend van maandag 10 augustus 1998 was Nicky Verstappen verdwenen van het kampeerterrein ‘ [naam kampeerterrein] ’ op de Brunssummerheide. Omstreeks 05.30 uur werd hij voor het laatst gezien door zijn tentgenoot [tentgenoot 4] . Na een zoektocht werd Nicky Verstappen op dinsdagavond 11 augustus 1998 tussen 20.50 uur en 21.00 uur levenloos aangetroffen in een sparrenperceel op de Brunssummerheide. Na het aantreffen van het lichaam werden de ter plaatse aanwezige vrijwilligers weggestuurd. In afwachting van het verdere onderzoek werd de plaats van aantreffen bewaakt, totdat de Technische Recherche ter plaatse arriveerde. Vanaf dinsdag 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, werd door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van de Technische Recherche een sporenonderzoek ingesteld op en rond de plaats waar het slachtoffer werd gevonden. Het slachtoffer werd aangetroffen in een dennenbosje (het hof: elders in het digitale einddossier ook wel aangeduid als sparrenperceel), dat zich bevond in een omheind perceel. Het slachtoffer lag op zijn rug. Zijn hoofd lag met de rechterzijde nagenoeg op de grond dicht naast de stam van een dennenboom. Zijn beide benen waren vrijwel geheel gestrekt, waarbij het rechterbeen tegen en deels op het linkerbeen lag. De beide voeten lagen op de linkerkant dicht naast elkaar. Op die plaats was de begroeiing verschoven en was de aarde onder zijn hakken iets verschoven. De linkerarm van het lichaam lag geheel gestrekt in het verlengde van zijn linkerschouder. De rechterarm lag naast het lichaam waarbij zijn rechterhand en rechterpols onder zijn zitvlak lagen. Het slachtoffer droeg een rode stoffen pyjamabroek. Onder deze pyjamabroek droeg hij een donkerblauwe onderbroek. Beide broeken waren binnenstebuiten gekeerd. Het etiket in de onderbroek was duidelijk zichtbaar. Uitgaande van de positie waarin het slachtoffer lag, bevonden de achterzijden van beide broeken zich aan de voorzijde. Verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben gerelateerd dat bij de navel een lichtgroene verkleuring aanwezig was. Voorts hebben voornoemde verbalisanten gerelateerd dat in de hals van het slachtoffer ter hoogte van de adamsappel een duidelijke, ongeveer 4,5 centimeter lange en ongeveer 1,5 centimeter brede rode verkleuring zichtbaar was. 2.3.2. De schouw Verkorte schouw Op 11 augustus 1998 heeft [gemeentelijk lijkschouwer] samen met de Technische Recherche op de plaats van aantreffen een verkorte schouw gedaan. Er waren lijkvlekken op laagst gelegen delen en er was een groene verkleuring rond de navel zichtbaar. Uitgebreide schouw Op woensdag 12 augustus 1998, omstreeks 12.45 uur, heeft voornoemde [gemeentelijk lijkschouwer] , in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis te Maastricht, in het bijzijn van verbalisanten [verbalisant 4] en voornoemde [verbalisant 1] , een uitgebreide lijkschouw verricht op het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen. Tijdens deze lijkschouw bleek dat het ontbindingsproces reeds vergevorderd was. [gemeentelijk lijkschouwer] heeft in zijn verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d. 12 augustus 1998 – voor zover hier relevant – gerapporteerd dat aan de linkerzijde van de neus en aan de buitenzijde van het linker ooglid een groene verkleuring zichtbaar was. De rechter gelaatshelft was gezwollen en asymmetrisch met de linkerzijde (met name het oog en de wang). Verder was de rechterzijde van het gelaat en de behaarde hoofdhuid fors bebloed. Aan de achterzijde van de behaarde hoofdhuid waren in een gele massa waarschijnlijk maden aanwezig en voorts waren maden in meerdere stadia, van verschillende grootte, in ogen en mond zichtbaar. De ogen waren vanwege ontbinding verder niet te beoordelen. Op de buik was een uitgebreide groene verkleuring met loslating van de huid zichtbaar. Ook de voorzijde van de hals had een groene verkleuring en daar was uitgebreide vaattekening zichtbaar. Aan de rechtervoorzijde van de hals heeft [gemeentelijk lijkschouwer] meerdere bruine verkleuringen, een tweetal rond 1-2 centimeter, één lijnvormig met huidloslating, mogelijk een drukplek, waargenomen. Verder heeft hij een felrode verkleuring, waarvan hij aangeeft dat dit geen lijkvlekken zijn, niet scherp begrensd op met name de rechterbovenarm buitenzijde en binnenzijde onderarm waargenomen. Op basis van de uitgebreide lijkschouw verricht op het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen heeft [gemeentelijk lijkschouwer] in zijn verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d. 12 augustus 1998 geconcludeerd dat de doodsoorzaak vooralsnog onduidelijk was. [gemeentelijk lijkschouwer] heeft in zijn verhoor als getuige bij de politie d.d. 13 mei 2014 over de felrode verkleuring verklaard dat het enige dat hij zich daarbij kan voorstellen is dat daar druk op is uitgeoefend. Hoewel de verkleuring ook zou kunnen zijn veroorzaakt door de wijze waarop Nicky op zijn rechterzij werd aangetroffen, is dat volgens [gemeentelijk lijkschouwer] wel suggestief omdat hij bij het opmaken van het verslag uitdrukkelijk heeft gezegd dat het geen lijkvlekken waren. Over de plekken in de hals heeft hij verklaard dat hij niet weet hoe deze plekken anders dan door drukken kunnen zijn ontstaan. Voorts heeft hij verklaard dat de dubieuze plekken in de hals mogelijk in relatie staan tot de in het kader van de doodsoorzaak in het verslag genoteerde asfyxie. Vanwege de drukplekken in de hals heeft [gemeentelijk lijkschouwer] als differentiële diagnose, waarmee wordt bedoeld dat dit een mogelijkheid is, asfyxie (verstikking, wurging) in het schouwverslag genoteerd. Voorts is inwendig hoofdletsel als differentiële diagnose in het verslag opgenomen, waarbij [gemeentelijk lijkschouwer] zich heeft gebaseerd op de zwelling van de rechter gelaatshelft en de asymmetrie met de linkerhelft en het bloed dat op de rechter gelaatshelft was te zien. W. van de Voorde, arts en forensisch patholoog, heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 gerapporteerd dat de beschreven zwelling gezien de positie waarin het slachtoffer is aangetroffen (hoofd naar rechts gedraaid) en de vastgestelde ontbindingsverschijnselen eerder kadert (het hof begrijpt: beter past) binnen het ontbindingsproces dan dat sprake is van (inwendig) (hoofd)letsel. Nu bij de latere sectie in het geheel niet is gebleken van (inwendig) hoofdletsel, kan dit als mogelijke oorzaak van de dood van Nicky Verstappen reeds hier worden uitgesloten. Tot slot heeft [gemeentelijk lijkschouwer] in zijn verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d. 12 augustus 1998 geadviseerd een gerechtelijke sectie te laten plaatsvinden. Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat bij de uitgebreide schouw van het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen is gebleken dat asfyxie (verstikking, wurging) een mogelijke doodsoorzaak is. 2.3.3. De sectie Op 13 augustus 1998, omstreeks 14.15 uur, heeft G. van Ingen, arts en patholoog, als beëdigd deskundige, in samenwerking met A. Maes en in aanwezigheid van verbalisant [verbalisant 1] , in het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie te Rijswijk, de uit- en inwendige schouwing verricht van het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen, teneinde na te gaan de oorzaak van zijn dood en hetgeen verder van belang mocht blijken. In het sectieverslag d.d. 21 december 1998 zijn bevindingen genoteerd; de conclusie luidde dat bij Nicky Verstappen geen doodsoorzaak aanwijsbaar was. Over het sectieverslag heeft Van Ingen ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 oktober 2021 verklaard dat hij de door hem waargenomen ontbindingsverschijnselen heeft genoteerd. Voorts heeft Van Ingen ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 oktober 2021 verklaard dat als er geen doodsoorzaak wordt gevonden, dit niet betekent dat er geen doodsoorzaak is. Er kan alleen geen doodsoorzaak worden aangetoond. Wanneer aan de deskundige wordt voorgehouden dat de waarnemingen op achtereenvolgende tijdstippen (op 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur en 22.45 uur, 12 augustus 1998, omstreeks 12.45 uur, en 13 augustus 1998, omstreeks 14.15 uur) de indruk geven van een voortgaand proces van ontbinding, verklaart de deskundige dat dit goed mogelijk is. Wanneer vervolgens aan de hand van zich in het dossier bevindende foto’s aan Van Ingen de vraag wordt voorgelegd of het gebied waar hij drie huidloslatingen in de hals heeft waargenomen, ook het gebied is waar de Technische Recherche de streep over de adamsappel heeft waargenomen, verklaart hij dat dit inderdaad ongeveer hetzelfde gebied betreft. Het komt de deskundige niet onwaarschijnlijk voor dat de waarnemingen van de schouwarts en van hemzelf wanneer ze in tijd achter elkaar worden geplaatst het proces van voortgaande ontbinding laten zien. 2.3.4. Doodsoorzaken Het hof stelt – overeenkomstig het sectieverslag d.d. 21 december 1998 en de brief van V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en forensisch (kinder)patholoog, d.d. 10 februari 2015 – vast dat bij sectie (inclusief aanvullend lichtmicroscopisch onderzoek) en toxicologisch onderzoek geen doodsoorzaak is gebleken. Uit deze onderzoeken is evenmin een bijdrage aan het overlijden gebleken. Daarbij wordt opgemerkt dat het lichtmicroscopisch onderzoek was bemoeilijkt vanwege postmortale veranderingen. In het kader van de sectie is aandacht besteed aan de mogelijkheid van een toxicologische doodsoorzaak, zoals hierna onder 2.3.4.1. aan de orde zal komen. De resultaten van de sectie zijn verder van belang voor andere mogelijke doodsoorzaken, namelijk uitdroging (overweging 2.3.4.2.) en het bestaan van ziekelijke afwijkingen (overweging 2.3.4.4.). Daarnaast zijn er mogelijke doodsoorzaken die geen objectiveerbare letsels/verschijnselen hoeven achter te laten aan een lichaam en dus niet aantoonbaar zijn bij een sectie. Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat het dan gaat om: onderkoeling (ook wel hypothermie genoemd; overweging 2.3.4.3.), enkele ziekelijke afwijkingen (zoals epilepsie, astma) die kunnen leiden tot een kritieke toestand (status epilepticus, status asthmaticus; overweging 2.3.4.4.), fatale hartritmestoornissen door een cardio-genetische afwijking (overweging 2.3.4.5.), verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukken van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) en verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging), zoals onder 2.3.4.7 zal worden besproken. Daarbij concludeert het hof dat eventuele cardio-genetische afwijkingen en ziekten, zoals astma en epilepsie, met plotse dood tot gevolg als natuurlijke oorzaken van overlijden zijn aan te merken. Het hof zal hieronder motiveren op welke gronden bovengenoemde doodsoorzaken mogelijk zijn dan wel kunnen worden uitgesloten. Voorts zal stress en/of angst, eventueel in combinatie met hartfalen, onder 2.3.4.6. als mogelijke doodsoorzaak worden besproken. Tot slot zal onder 2.3.4.8. de vraag aan de orde komen of het geweld dat in een ruzie met een tentgenoot jegens Nicky Verstappen is toegepast, als mogelijke doodsoorzaak is aan te merken dan wel heeft bijgedragen aan zijn overlijden. 2.3.4.1. Toxicologische doodsoorzaak Door [apotheker] , werd toxicologisch onderzoek verricht, waarbij in de lijkdelen van het slachtoffer geen geneesmiddelen en/of drugs werden aangetoond. In het bloed van het slachtoffer werd ethanol (alcohol) aangetoond in een concentratie van 0,12 milligram per milliliter bloed, waarvan een onbekend deel postmortaal ten gevolge van rottingsprocessen kan zijn ontstaan. In het dossier is geen enkele aanwijzing te vinden voor het feit dat Nicky Verstappen alcohol zou hebben ingenomen. Het hof gaat er om die reden vanuit dat de aangetroffen concentratie alcohol het uitsluitende gevolg is van postmortale rotting. Soerdjbalie-Maikoe heeft op basis van bovenstaande toxicologische bevindingen geconcludeerd dat het overlijden van Nicky Verstappen niet op toxicologische gronden kan worden verklaard. Een bijdrage aan het overlijden is op grond van de toxicologische bevindingen niet gebleken. Ook eerdergenoemde Van de Voorde heeft naar voren gebracht dat geen sprake is van een toxicologische doodsoorzaak. Hij heeft overwogen dat een kleine hoeveelheid alcohol is gevonden en dat die verklaarbaar is door de ontbinding van het lichaam. Vergiftiging als mogelijke doodsoorzaak is daarmee uitgesloten. Ook R.A.C. Bilo, forensisch arts, heeft naar voren gebracht dat gezien het ontbreken van positieve resultaten bij toxicologische screening, vergiftiging lijkt uitgesloten. Het hof schaart zich achter bovenstaande bevindingen van de deskundigen en neemt de daaraan verbonden conclusies over, inhoudende dat geen sprake is van een toxicologische oorzaak van het overlijden van Nicky Verstappen. Het hof sluit deze oorzaak van het overlijden van Nicky dan ook uit. Voorts is een bijdrage aan het overlijden op grond van de toxicologische bevindingen niet gebleken. 2.3.4.2. Uitdroging Voor wat betreft uitdroging als mogelijke doodsoorzaak geldt dat uitdrogingsverschijnselen bij sectie waarneembaar kunnen zijn als ingezakte oogbollen en een verlaagde huidturgor. Deze (aspecifieke) verschijnselen zijn bij sectie niet gebleken. Ook bij bestudering van de sectiefoto’s worden deze (voor zover op basis van de foto’s kan worden beoordeeld) niet gezien. Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat mogelijk aanvullende informatie van de personen die Nicky Verstappen de laatste dag of dagen voor zijn vermissing hebben meegemaakt, ook relevante informatie kan geven omtrent de inname van vocht (door middel van drinken) in die laatste uren/dagen. Als hij heeft gedronken, lijkt uitdroging haar zeer onwaarschijnlijk, mede gezien het ontbreken van bevindingen passend bij uitdroging. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot uitdroging afgezet tegen vochtinname d.d. 18 november 2019, welk de hierboven bedoelde relevantie informatie bevat omtrent de inname van vocht (door middel van drinken) in de laatste uren/dagen voor de vermissing van Nicky Verstappen. Door [verbalisant 5] is onderzoek verricht met betrekking tot de vragen op welke momenten en wat er door de kinderen van het kamp waaraan Nicky Verstappen heeft deelgenomen op zaterdag 8 en zondag 9 augustus 1998 werd gegeten en gedronken en welke bijzonderheden er waren met betrekking tot het eten en drinken. Uit het dossier blijkt dat er drie keer per dag werd gegeten, te weten omstreeks 09.00 uur, 13.00 uur en 18.00 uur. De kinderen kregen ’s morgens brood, ’s middags als het warm was kregen zij ook brood en als het niet warm was, kregen zij ’s middags warm eten. De voeding werd op het kamp volledig verzorgd, uitgezonderd de eerste kampdag. De kinderen kwamen op zaterdag 8 augustus 1998 in de loop van de ochtend, omstreeks 10.15 uur, aan op het kampterrein en hebben die dag dus geen ontbijt genoten op het kamp. De kinderen hadden voor zaterdag 8 augustus 1998, de eerste dag van het kamp, een eigen lunch moeten meenemen. Na de rondleiding werd tussen de middag het eigen lunchpakket genuttigd. Vervolgens waren de kinderen die middag gaan zwemmen en hadden zij bij het zwembad omstreeks 16.30 uur een ijsje gekregen. Een jongen van ongeveer 15 à 16 jaar oud had in het zwembad het groepje van Nicky Verstappen benaderd en hen iets te drinken aangeboden. De jongen had een flesje drinken aan [tentgenoot 1] gegeven, [kampgenoot 1] had ook een slok uit het flesje gedronken en Nicky Verstappen had het flesje leeggedronken. Na het middagprogramma kregen de kinderen ’s avonds in het kamp een warme maaltijd. Op zondagavond 9 augustus 1998, omstreeks 18.00-19.00 uur, werd een broodmaaltijd gegeten. Bij de broodmaaltijd werd als drinken melk, chocomelk en water aangeboden. Nicky Verstappen werd bij het eten aan tafel gezien. Er werd door iedereen brood gegeten. Na het avondspel, omstreeks 21.45 uur, werden nog ranja en koek aangeboden. Op het moment dat [kampgenoot 2] op zondagavond na het wassen naar de tent liep, stond Nicky Verstappen voor de tent iets te drinken. Verder had hij chips en suikerpinda’s, die hij van thuis had meegekregen, gegeten. Er werden gedurende het kamp flessen drinken uitgedeeld die de kinderen onderling moesten verdelen. Iedere groep had de beschikking over een jerrycan water; ook voor de tent waarin Nicky Verstappen sliep, stond een jerrycan. Er zou dagelijks water worden rondgebracht en iedere dag frisdrank worden verstrekt. Ook Van de Voorde heeft zich in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 op het standpunt gesteld dat hij uitdroging als doodsoorzaak uitermate onwaarschijnlijk acht. Ernstige uitdroging kan eventueel leiden tot overlijden of hiertoe bijdragen, maar Van de Voorde ziet in casu geen aanwijzingen voor uitdroging als doodsoorzaak. Ook de tijdsduur tussen de verdwijning en het vermoedelijke tijdstip van overlijden is te kort om, zelfs bij volledige onthouding van drank, tot een fatale uitdroging te kunnen leiden. Van de Voorde heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 verklaard dat je bij dodelijke uitdroging onder meer een ingevallen buik ziet, een huid die rimpels vertoont en slijmvliezen die heel droog zijn en dat deze elementen ontbreken. Verder vergt een fatale uitdroging, gecombineerd met voedselonthouding, acht tot twaalf dagen om fataal te zijn. In de onderhavige zaak is de tijdspanne daarvoor te kort en zijn er geen sectiebevindingen die daarop zouden wijzen. Verder was er nog urine in de blaas, zodat daarvoor geen enkele aanwijzing bestaat. Van de Voorde acht een fatale uitdroging dan ook uitgesloten. Het hof stelt op basis van bovenstaande bevindingen vast dat Nicky Verstappen in de uren/dagen voor zijn vermissing heeft gedronken. Mede gezien het ontbreken van bevindingen passend bij uitdroging komt het hof tot de conclusie dat fatale uitdroging als mogelijke oorzaak van of uitdroging als bijdrage aan het overlijden van Nicky Verstappen wordt uitgesloten. 2.3.4.3. Onderkoeling c.q. hypothermie Gezien de omstandigheden waaronder Nicky Verstappen is gevonden, namelijk blootgesteld aan buitentemperaturen en in gewone kleding (zonder jas), acht Soerdjbalie-Maikoe onderkoeling als oorzaak van of bijdrage aan zijn overlijden niet uitgesloten. Uit de documentatie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (hierna telkens: KNMI) zou de temperatuur destijds tussen 14 en 33 graden Celsius zijn geweest. Onderkoeling hoeft geen zichtbare verschijnselen achter te laten aan het lichaam. Soms worden in het geval van onderkoeling puntvormige bloedinkjes in het maagslijmvlies gezien, maar de interpretatie daarvan wordt bemoeilijkt door postmortale veranderingen zoals bij Nicky Verstappen het geval was. Bovendien is in het sectierapport geen melding gemaakt van puntvormige bloedingen in het slijmvlies. In het sectierapport staat immers vermeld: “het slijmvlies was gaaf”. Het ontbreken van dit aspecifieke verschijnsel in de maag sluit onderkoeling echter niet uit, aldus Soerdjbalie-Maikoe. Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 naar voren gebracht dat hij het zeer onwaarschijnlijk acht dat onderkoeling de doodsoorzaak is geweest of dat onderkoeling heeft bijgedragen aan het overlijden van Nicky Verstappen. Van de Voorde heeft in dit verband gewezen op de temperatuurgegevens van het KNMI, zoals gemeten in het weerstation te Maastricht. Temperatuurmetingen van het KNMI station in Maastricht zijn het meest representatief voor Brunssum. Nicky Verstappen zou op zijn vroegst op 10 augustus 1998, omstreeks 05.30 uur, zijn verdwenen en zijn lichaam werd de volgende dag, 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, aangetroffen. Blijkens de temperatuurgegevens van het KNMI station in Maastricht bedroeg de gemiddelde temperatuur in deze periode 26,7 graden Celsius. De laagst gemeten temperatuur in de nacht van 10 op 11 augustus 1998 was 17,9 graden Celsius (meting om 04.00 uur). Gedurende de rest van de nacht schommelde de temperatuur rond de 20 graden Celsius. Uit nader onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna telkens: NFI) is gebleken dat de temperatuur op de vindplaats 0,8 graden Celsius hoger is dan gemeten in het KNMI meetstation te Maastricht. Van de Voorde heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 verklaard dat hij hypothermie in de zomer uiterst onwaarschijnlijk acht. Gevallen van hypothermie zijn alle wintergevallen en gaan gepaard met rode koudevlekken op knieën en soms op de ellebogen. In een deel van de gevallen zijn er ook puntvormige bloedingen in het maagslijmvlies te zien. Die verschijnselen ontbreken bij Nicky Verstappen allemaal. Om die reden zijn geen aanwijzingen te vinden voor onderkoeling en kan dit als mogelijke oorzaak van het overlijden van Nicky Verstappen worden uitgesloten. Het hof sluit zich aan bij de conclusie van Van de Voorde en sluit uit dat Nicky Verstappen ten gevolge van onderkoeling is komen te overlijden dan wel dat onderkoeling heeft bijgedragen aan zijn overlijden. 2.3.4.4. Ziekelijke afwijkingen (zoals epilepsie, astma) Het hof stelt voorop dat de mogelijkheid van (een) ziekelijke afwijking(
- en)als oorzaak van het overlijden van Nicky Verstappen dient te worden beschouwd tegen de achtergrond van een bevinding van patholoog Van Ingen zoals die in het sectieverslag d.d. 21 december 1998 staat vermeld. Onder de epicrise wordt immers vermeld dat er geen ziekelijke orgaanveranderingen aanwijsbaar waren die de dood zouden kunnen verklaren. Er zijn enkele ziekelijke afwijkingen (zoals epilepsie, astma) die kunnen leiden tot een kritieke toestand (status epilepticus, status asthmaticus) met plotse dood tot gevolg. Uit het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het verhoor van de huisartsen van Nicky Verstappen, [huisarts 1] en [huisarts 2] , d.d. 3 juni 2014 blijkt dat hij bij hen bekend stond als een normaal gezond kind zonder bijzonderheden. Er was bij hen niets bekend dat zijn dood zou kunnen verklaren of daaraan zou kunnen hebben bijgedragen. Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat zij om die reden de mogelijke doodsoorzaken op ziekelijke gronden niet waarschijnlijk acht. Ook Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 te kennen gegeven dat hij geen objectieve (morfologische) aanwijzingen ziet voor overlijden als gevolg van astmatisch lijden of epilepsie. Meer specifiek ten aanzien van een epileptische aanval als doodsoorzaak heeft Van de Voorde in zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 verklaard dat er bijzonder weinig tot nu toe aangetoonde gevallen zijn waarbij kinderen van de leeftijd van Nicky Verstappen daaraan zijn overleden, nu je dit meestal pas op oudere leeftijd ziet. De plaats waar het kind is gevonden en de houding van zijn lichaam maken dat geen sprake is van een plotse dood door een epileptische aanval. In het geval van een epileptische aanval stuikt men in elkaar (het hof begrijpt dat met het Vlaamse woord ‘stuiken’ wordt bedoeld: in elkaar zakken) en zou men op een andere manier hebben moeten liggen. De houding van het lichaam van Nicky Verstappen zou dan anders zijn geweest. Van de Voorde stelt zich dan ook op het standpunt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het kind is komen te overlijden aan een natuurlijke oorzaak. Op grond van het bovenstaande sluit het hof uit dat bij Nicky Verstappen sprake was van (een of meer) ziekelijke afwijking(
- en)(zoals epilepsie, astma), die heeft/hebben geleid tot een kritieke toestand met plotse dood tot gevolg dan wel daaraan heeft/hebben bijgedragen. 2.3.4.5. Fatale hartritmestoornissen door een cardio-genetische afwijking Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat fatale hartritmestoornissen door een cardio-genetische afwijking aandoeningen zijn die niet gepaard hoeven te gaan met een pathologisch substraat en deze hoeven dus bij sectie (en aanvullend lichtmicroscopisch onderzoek) niet te worden gediagnosticeerd. Bovendien is het met het aantonen van een cardio-genetische afwijking niet vanzelfsprekend dat een persoon daaraan is overleden. Het QT-tijdsyndroom is een zeer zeldzaam voorkomende hartziekte. Het is een erfelijke aandoening, die in principe in de familie bekend moet zijn. Indien deze ziekte niet in de familie voorkomt, is het onwaarschijnlijk dat Nicky Verstappen aan het QT-syndroom leed. Uit de brief van Van Ingen, die als patholoog de sectie op het lichaam van Nicky Verstappen heeft verricht, blijkt dat [cardioloog 1] , cardioloog in het LUMC, in een telefonisch overleg op 22 januari 2001 heeft aangeraden een hartfilmpje (ECG) bij familieleden te laten maken. Indien bij familieleden afwijkingen (zoals het QT-tijdsyndroom) zouden voorkomen, zou dit overigens niet automatisch betekenen dat Nicky Verstappen die afwijkingen ook had. In het geval bij de ouders geen afwijkingen in de ECG worden geconstateerd, dan is het voor 99,9% zeker dat Nicky Verstappen geen QT-syndroom had. Een andere mogelijke hartafwijking die het plotselinge overlijden zou kunnen verklaren is de aortaklepstenose. Bij een regelmatig bezoek aan het consultatiebureau, de peuterarts en de schoolarts zou deze ziekte moeten zijn geconstateerd. Er is dan namelijk een duidelijke ruis hoorbaar rondom het hart. Degenen die aan deze ziekte lijden, worden meestal vrij snel doorgestuurd naar de cardioloog. Een andere plotselinge dood door een hartafwijking kan voornoemde [cardioloog 1] niet benoemen. Uit de verklaringen van de moeder van het slachtoffer, [moeder van Nicky Verstappen] , blijkt dat haar vader in het verleden twee hartoperaties heeft ondergaan en dat 7 van de 9 broers/zussen van haar vader hartproblemen kennen. Deze problemen bestaan uit het dichtslibben van (slag)aders van het hart. De moeder van Nicky Verstappen zelf heeft nog nooit hartproblemen ondervonden. Bij de bloedverwanten van [vader van Nicky Verstappen] , de vader van het slachtoffer, komen geen hartproblemen voor, althans voor zover bekend. De vader van het slachtoffer heeft wel eens pijn op de borst gehad, maar bij onderzoek zijn geen hartafwijkingen geconstateerd. Op 7 februari 2001 is een cardioloog in het Laurentius Ziekenhuis te Roermond, [cardioloog 2] , geconsulteerd om bij de ouders van Nicky Verstappen een hartfilmpje te vervaardigen om eventuele hartafwijkingen te diagnosticeren. Volgens de rapportage van deze cardioloog toonden de hartfilmpjes (elektrocardiogrammen) van zowel de vader als moeder van Nicky Verstappen geen afwijkingen, met name geen aanwijzingen voor een verlengde QT-interval. Er is daarna geen overige consultatie bij een cardioloog geweest ten behoeve van cardio-genetisch onderzoek. Bij cardio-genetisch onderzoek dient te worden gezocht naar een bepaalde genetische afwijking. Aangezien er bij Nicky Verstappen en zijn ouders geen medisch belastbare voorgeschiedenis was ten aanzien van cardio-genetische afwijkingen (voor zover bekend), is het ondoenlijk om cardio-genetisch onderzoek in te zetten omdat men niet weet waar men naar op zoek moet gaan. Nadat [cardioloog 1] was ingelicht dat de ECG’s van de ouders van het slachtoffer geen verlengde QT-intervallen vertoonden en was geïnformeerd over de hartkwalen bij de bloedverwanten van de moeder van Nicky Verstappen (het dichtslibben van (slag)aders van het hart), concludeerde hij dat het niet noodzakelijk was nog nader onderzoek te verrichten. Het dichtslibben van (slag)aders van het hart heeft met leef-, eet- en drinkgewoontes te maken. Dit soort hartkwalen openbaart zich pas op zijn vroegst bij jonge volwassenen. Er kan derhalve vanuit worden gegaan dat Nicky Verstappen nog geen last had van dichtgeslibde (slag)aders. Op basis hiervan kan een doodsoorzaak als gevolg van een QT-tijdsyndroom worden uitgesloten. Ook Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 geconcludeerd dat er geen objectieve (morfologische) aanwijzingen zijn voor een overlijden als gevolg van genetische hartproblemen. Van de Voorde heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 verklaard dat er bijzonder weinig tot nu toe aangetoonde gevallen zijn waarbij kinderen van de leeftijd van Nicky Verstappen zijn overleden aan een plotse hartritmestoornis. De plaats waar het kind is gevonden en de houding van het lichaam maken dat geen sprake is van een plotselinge dood door een plotse hartritmestoornis. Evenals bij een epileptische aanval, stuikt men in het geval van een plotselinge hartritmestoornis in elkaar (het hof begrijpt dat met het Vlaamse woord ‘stuiken’ wordt bedoeld: in elkaar zakken) en dan zou men op een andere manier liggen. De houding van het lichaam van Nicky Verstappen zou dan anders zijn geweest. Van de Voorde stelt zich dan ook op het standpunt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het kind is komen te overlijden aan een natuurlijke oorzaak. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat kan worden uitgesloten dat Nicky Verstappen is komen te overlijden als gevolg van fatale hartritmestoornissen door een cardio-genetische afwijking. 2.3.4.6. Stress en/of angst Voorts is in het onderzoek naar het overlijden van Nicky Verstappen naar voren gekomen dat ernstig schrikken ten gevolge van een schokkende gebeurtenis en/of voorval, eventueel in combinatie met het QT-tijdsyndroom, een doodsoorzaak kan zijn. Bij kinderen is hier echter geen gedegen onderzoek naar verricht; het doodschrikken van een kind is heel extreem. In het rapport van Bilo d.d. 29 mei 2019 komt naar voren dat een plotselinge hartdood in relatie tot extreme emotionele opwinding (met name angst en pijn) goed gedocumenteerd is beschreven in de forensische en cardiologische literatuur. Hoewel de meeste patiënten een reeds bestaande hartafwijking hadden, werd in sommige gevallen vastgesteld dat het ook kan gebeuren zonder voorafgaande aanwijzingen voor een cardiale aandoening (hartafwijking). Waarschijnlijk is het overlijden dan een gevolg van een endogene hormonale reactie (‘catechol’) in relatie tot een vecht- of vluchtreactie. Onbekend is of dit fenomeen ook bij kinderen is beschreven, anders dan bij kinderen met een reeds aanwezige en bekende cardiale aandoening, bijvoorbeeld het verlengd QT-tijdsyndroom. Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan een doodsoorzaak als gevolg van het QT-tijdsyndroom worden uitgesloten. Voorts wordt in de literatuur over drugsgebruik vermeld dat boosheid/opwinding na opvallende inspanning een plotse cardiale dood kan veroorzaken. Een vecht- of vluchtreactie leidend tot de dood is voor zover bekend nooit beschreven bij kinderen. Bilo heeft op basis van het voorgaande geconcludeerd dat een vecht- of vluchtreactie onwaarschijnlijk is, maar niet kan worden uitgesloten. Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 geconcludeerd dat er geen objectieve aanwijzingen zijn (of een plausibele hypothese
- is)voor het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden. Het hof stelt vast dat, hoewel het niet waarschijnlijk wordt geacht, het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden ten gevolge van een schokkende gebeurtenis en/of voorval niet uitgesloten kan worden geacht. 2.3.4.7. Verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukkenvan/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) en verstikking doorgeweld op de hals (zoals bij verwurging) Met betrekking tot verstikking als mogelijke doodsoorzaak memoreert het hof dat patholoog Van Ingen in zijn sectieverslag d.d. 21 december 1998 heeft gerapporteerd dat belemmering van de ademhaling als doodsoorzaak in de onderhavige zaak niet is uitgesloten. Van Ingen heeft in zijn brief d.d. 30 januari 2001, gericht aan regiopolitie Limburg-Zuid, naar voren gebracht: “Verstikking kan, maar hoeft niet, postmortaal tekenen (
- te)geven. In een aantal gevallen zijn na verstikking, postmortaal, noch macroscopisch, noch microscopisch, tekenen van verstikking aanwijsbaar. Zuurstofnood kan in deze gevallen niet worden aangetoond. Dit was ook in het onderhavige geval van toepassing. Uit het bovenstaande volgt ook dat het niet vinden van tekenen van verstikking, verstikking niet uitsluit”. Van Ingen heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 oktober 2021 bevestigd dat verstikking zonder tekenen daarvan mogelijk is. Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 ten aanzien van verstikking door smoren of het (samen)drukken van/op de borstkas als mogelijke doodsoorzaak opgemerkt dat Nicky Verstappen ten tijde van de sectie 11 jaar oud was en dat de praktijk leert dat een kind van die leeftijd bij een normaal bewustzijn zich doorgaans niet laat smoren zonder daar weerstand tegen te bieden en daardoor letsels aan de mond/neus te ontwikkelen (tenzij er door bijvoorbeeld fixatie geen weerstand mogelijk was). Dit sluit smoren echter niet uit, aldus Soerdjbalie-Maikoe. Daarbij heeft zij erop gewezen dat er bij de sectie twee bruine vlekken aan het gelaat (één aan de linker mondhoek en één naast het linker neusgat) werden vastgesteld, waarvan patholoog Van Ingen in het sectierapport heeft opgemerkt dat het niet duidelijk was of deze twee letsels bij leven waren ontstaan. De beoordeling van deze letsels was bemoeilijkt door (postmortale) indroging/verandering. Indien deze letsels bij leven waren ontstaan, zouden ze kunnen zijn ontstaan in het kader van belemmering van de mond/neus (smoren), maar ze zijn daar niet bewijzend voor, omdat ze ook anderszins kunnen zijn ontstaan. Met betrekking tot verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging) als mogelijke doodsoorzaak heeft Soerdjbalie-Maikoe opgemerkt dat geweld op de hals in een substantieel aantal gevallen gepaard gaat met aspecifieke begeleidende verschijnselen zoals puntvormige bloeduitstortingen (in de bindvliezen van de oogleden, onderhuids) en letsels aan de hals, welke niet zijn vastgesteld bij de schouw en sectie. Soerdjbalie-Maikoe heeft naar voren gebracht dat zij op de foto’s van de sectie niet kon beoordelen of er wel of geen puntvormige bloedingen waren, omdat er geen detailfoto’s van de oogleden en het gelaat voorhanden waren. Een beoordeling van de letsels aan de hals kon wel, voor zover dit nog mogelijk was wegens postmortale veranderingen. Er werden behoudens de postmortale verschijnselen van marmertekening en huidloslating geen overige bijzonderheden aan de hals gezien, zo heeft Soerdjbalie-Maikoe gerapporteerd. Voorts heeft Van de Voorde in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 naar voren gebracht dat gezien de omstandigheden, waaronder begrepen de plotselinge verdwijning, vindplaats, ligging/houding van het lichaam en leeftijd van het slachtoffer, alsmede de afwezigheid van enige aanwijzing voor een natuurlijke dood moet worden uitgegaan van een niet-natuurlijk overlijden. Hiertoe kunnen bijvoorbeeld een afsluiting van de ademhalingswegen (smoring) en/of belemmering van de ademhalingsbewegingen in aanmerking komen, hetgeen geen sporen (letsels) hoeft achter te laten. Ook dodelijke geweldpleging tegen de hals (wurging) hoeft niet noodzakelijkerwijs letsel tot gevolg te hebben. Bovendien werd de beoordeling in casu bemoeilijkt door ontbindingsverschijnselen.Met betrekking tot de mogelijkheid van smoring, door afsluiting van neus en mond, heeft Van de Voorde in zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 verklaard dat dit kan gebeuren met een plastic zak, door een kussen of een zacht voorwerp of een hand, door het duwen van het gelaat tegen de grond of door iets op het gelaat te duwen. Ook daarvan is bekend dat het geen typische asfyxie tekenen veroorzaakt, dus ook geen puntbloedinkjes in de oogbindvliezen. Ten aanzien van verstikking (zoals bij verwurging) heeft Van de Voorde in datzelfde verhoor verklaard dat er heel wat gevallen van geweld tegen de hals zonder letsels aan de hals zijn. Bovendien zijn inwendige letsels aan de hals bij kinderen uitermate zeldzaam. Zij hebben een zeer soepel keelskelet, de adamsappel en het tongbeen zijn kraakbenig en breken niet of nauwelijks. Van de Voorde kan in zijn 20-25 jaar durende carrière getuigen van verschillende dodingen door strangulatie en wurging, waarin er geen uitwendige wurgsporen of strangulatiesporen aan de hals waren, bijvoorbeeld bij een slachtoffer dat zich niet heeft verweerd of een slachtoffer dat is gestranguleerd met een breed snoer, een sjaal of een arm. Dat kan verlopen zonder sporen achter te laten; de halsspierbloedingen en breuken kunnen ontbreken. Als die er zijn, dan kun je de diagnose stellen en als die er niet zijn, dan kun je het niet uitsluiten. Evenals Soerdjbalie-Maikoe heeft Van de Voorde geconcludeerd dat er geen objectieve argumenten zijn die wijzen op verwurging, maar dat dit verwurging als mogelijke doodsoorzaak ook niet uitsluit. Hoewel Bilo in 2001 verwurging in de onderhavige zaak als mogelijke doodsoorzaak uitgesloten achtte, heeft hij in zijn rapport d.d. 29 mei 2019 naar voren gebracht dat hij nu van mening is dat verwurging niet uitgesloten kan worden geacht vanwege het ontbreken van specifieke lichamelijke afwijkingen, die wijzen op verwurging. Voorts heeft Bilo in datzelfde rapport geconcludeerd dat subtiel smoren niet kan worden uitgesloten. Ook combinaties van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress lijdend tot een lichamelijke reactie bij een reeds bestaande lichamelijke aandoening, kan niet worden uitgesloten (bijvoorbeeld een status asthmaticus als stressreactie bij een CARA-kind). Hierbij behoeft op zich de lichamelijke reactie niet tot overlijden aanleiding te geven. Het overlijden is het gevolg van het niet zoeken van medische hulp. Met betrekking tot eventuele letsels passend bij de doodsoorzaken van verstikking door smoren en verstikking door geweld op de hals overweegt het hof als volgt. In het kader van verstikking door smoren memoreert het hof dat Soerdjbalie-Maikoe in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren heeft gebracht dat de beoordeling van de twee bruine vlekken aan het gelaat, één aan de linker mondhoek en één naast het linker neusgat, was bemoeilijkt door (postmortale) indroging/verandering. Indien deze letsels bij leven waren ontstaan, zijn deze niet bewijzend voor de doodsoorzaak van verstikking door smoren. Daarbij merkt het hof op dat Van Ingen in zijn sectieverslag d.d. 21 december 1998 heeft gerapporteerd dat niet zeker was dat deze verkleuringen bij leven waren opgelopen. Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 13 maart 2017 over de bruinverkleuring ter hoogte van de mond en neus gerapporteerd dat dit postmortale veranderingen betreffen, welke kunnen worden verklaard door (beginnende) madenvraat, al dan niet in combinatie met etsing door postmortale uitvloei van maagzuur. De roodachtige streperige veranderingen kunnen ook passen bij marbrering (zoals ook elders op het lichaam, reeds aanwezig bij de uitwendige schouw aan de linker halsuitsnijding). Ten aanzien van de door [gemeentelijk lijkschouwer] waargenomen dubieuze plekken (bruine verkleuringen) in de hals van Nicky Verstappen overweegt het hof als volgt. In het proces-verbaal van de Technische Recherche d.d. 23 augustus 1998 hebben verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] gerelateerd dat op dinsdag 11 augustus 1998 kort na het aantreffen van het slachtoffer, omstreeks 21.00 uur, in de hals ter hoogte van zijn adamsappel een duidelijke, ongeveer 4,5 centimeter lange en ongeveer 1,5 centimeter brede rode verkleuring zichtbaar was. Gemeentelijk lijkschouwer [gemeentelijk lijkschouwer] heeft in het verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d. 12 augustus 1998 gerapporteerd dat hij op die datum aan de rechtervoorzijde van de hals meerdere bruine verkleuringen, een tweetal rond 1-2 centimeter, één lijnvormig met huidloslating, mogelijk een drukplek, heeft waargenomen. [gemeentelijk lijkschouwer] heeft in zijn verhoor als getuige bij de politie d.d. 13 mei 2014 over de dubieuze plekken in de hals verklaard dat deze mogelijk in relatie staan tot de in het kader van de doodsoorzaak in het verslag genoteerde asfyxie (verstikking, wurging). Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 oktober 2021 is Van Ingen voorgehouden dat op de foto’s waarop het lichaam van het slachtoffer is te zien op de plaats waar het lichaam is aangetroffen, zichtbaar is hetgeen de Technische Recherche heeft beschreven, met name over de streep op de adamsappel. Zoals onder 2.3.3. aan de orde is gekomen, is voorts aan Van Ingen voorgehouden dat de waarnemingen op achtereenvolgende tijdstippen (op 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur en 22.45 uur, 12 augustus 1998, omstreeks 12.45 uur, en 13 augustus 1998, omstreeks 14.15 uur) de indruk geven van een voortgaand proces van ontbinding en heeft hij daarop verklaard dat dit goed mogelijk is. Wanneer vervolgens aan de hand van zich in het dossier bevindende foto’s aan Van Ingen de vraag wordt voorgelegd of het gebied waar hij drie huidloslatingen in de hals heeft waargenomen, ook het gebied is waar de Technische Recherche de streep over de adamsappel heeft waargenomen, verklaart hij dat dit inderdaad ongeveer hetzelfde gebied betreft. Het komt hem niet onwaarschijnlijk voor dat de waarnemingen van de schouwarts en van hemzelf wanneer ze in tijd achter elkaar worden geplaatst het proces van voortgaande ontbinding laten zien. Voorts weegt hof mee dat Soerdjbalie-Maikoe in haar brief d.d. 10 februari 2015, terwijl zij bij de opstelling daarvan het schouwverslag d.d. 12 augustus 1998 en het sectierapport d.d. 21 december 1998 had bestudeerd en waarbij haar is gevraagd acht te slaan op foto’s van die schouw en sectie (en waarbij zij kennelijk niet beschikte over de waarneming van de Technische Recherche van 11 augustus 1998 op de plaats van aantreffen en over de foto’s die daar toen zijn gemaakt), naar voren heeft gebracht dat aan de hals niet meer is te zien dan tekenen van postmortale veranderingen: versterkte vaattekening (hetgeen ook inwendig in de hals is te zien) en tekenen van huidloslating. Er zijn behoudens deze postmortale veranderingen geen letsels (ook geen ronde huidbeschadigingen) aan de hals te zien. Ook Van de Voorde had bij het opstellen van zijn verslagen voormeld schouw- en sectieverslag tot zijn beschikking, alsook het proces-verbaal van bevindingen van de Technische Recherche, waarin de bevindingen met betrekking tot de verkleuringen in de hals waren gerelateerd. Van de Voorde heeft foto’s van de schouw op 12 augustus 1998 en de sectie op 13 augustus 1998 bekeken en in zijn verslagen van 14 juli 2016 en 13 maart 2017 naar voren gebracht dat de ontvellingen op de hals geen zichtbare ombloeding of weefselreactie tonen. Op de hals werden bruine verkleuringen gezien, tevens zichtbaar op de foto’s, welke bijvoorbeeld kunnen passen bij uitdroging van oppervlakkige huidbeschadigingen alsook het gevolg kunnen zijn van het ontbindingsproces. Deze zijn zeer vermoedelijk het gevolg van oppervlakkige madenvraat en postmortale loslating (ten gevolge van ontbinding) van de opperhuid (epidermolyse). De streperige veranderingen staan bekend als marbrering, eveneens een ontbindingsfenomeen. Vele huidveranderingen kunnen worden toegeschreven aan ontbinding (marbrering, epidermolyse) en blootstelling aan natuurelementen (onder andere maden en ‘beestjes’ zoals mieren, eventueel kevers). Er kunnen alleszins geen (voor geweldpleging) betekenisvolle letsels worden gevonden. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 heeft Van de Voorde verklaard dat hij de foto’s heeft teruggezien en dat hij ziet dat de maden daar geconcentreerd zitten, de maden die de oppervlakkige huid losmaken en dat geeft door blootstelling aan lucht uitdrogingsverschijnselen en door uitdroging wordt de huid bruin. Het gaat dus niet om drukplekken; het is duidelijk een post mortem fenomeen. Dit geeft aldus geen steun aan de mogelijke afsluiting of belemmering van de ademhaling of een dodelijke geweldpleging op de hals. Er zijn uitwendig noch inwendig objectieve elementen die de hypothese van een mogelijke samendrukking van de hals objectief onderschrijven. Van de Voorde heeft daarbij verwezen naar de bevindingen van Van Ingen en Soerdjbalie-Maikoe, die daarbij aansluiten. Het hof is van oordeel dat de verkleuring(
- en)die op 11 augustus 1998 door de Technische Recherche kort na het aantreffen van het slachtoffer in zijn hals zijn waargenomen en die door [gemeentelijk lijkschouwer] in zijn schouwverslag van 12 augustus 1998 zijn omschreven als mogelijke drukplekken, zijn aan te merken als ontbindingsverschijnselen. Deze waarnemingen door de Technische Recherche en [gemeentelijk lijkschouwer] en de duiding daarvan als mogelijke drukplekken kunnen derhalve geenszins bijdragen aan de conclusie dat in de onderhavige zaak sprake is van de doodsoorzaak van verstikking. Dat laat onverlet dat, zoals hierboven is overwogen, verstikking mogelijk is zonder tekenen van verstikking. Op grond van het bovenstaande kan verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging) als mogelijke oorzaak van het overlijden van Nicky Verstappen dan ook niet worden uitgesloten. Voorts stelt het hof op grond van het vorenstaande vast dat verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukken van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) alsmede een combinatie van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress lijdend tot een lichamelijke reactie, als mogelijke oorzaken van het overlijden van Nicky Verstappen niet kunnen worden uitgesloten. Het hof merkt daarbij op dat de bij sectie waargenomen bruine vlekken aan de linker mondhoek en naast het linker neusgat niet bijdragen aan het bewijs dat Nicky Verstappen is overleden ten gevolge van verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus), nu Van Ingen reeds in zijn sectierapport naar voren heeft gebracht dat niet zeker was dat deze bij leven waren opgelopen en Van de Voorde deze bruinverkleuringen op basis van de foto’s van de (schouw
- en)sectie heeft aangemerkt als postmortale veranderingen. 2.3.4.8. Vechtpartij in de tent De verdediging heeft naar voren gebracht dat indien wordt aangenomen dat letsels voor het overlijden zijn ontstaan, in ogenschouw dient te worden genomen dat er een fikse vechtpartij is geweest tussen de jongens in de tent, voorafgaand aan het verdwijnen van Nicky Verstappen. De letsels ontstaan voor het overlijden kunnen dan ook daardoor zijn ontstaan, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. In het verslag van de sectie, zoals op 13 augustus 1998 op het lichaam van Nicky Verstappen verricht, d.d. 21 december 1998 heeft patholoog Van Ingen gerapporteerd dat het beenderstelsel gaaf was; bij röntgendoorlichting werden geen fracturen gezien. Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat bij recente herbeoordeling van het radiologisch onderzoek geen grove radiologische afwijkingen zijn aangetoond. Volgens [kindercardioloog] kunnen, gezien de kwaliteit van het radiologisch doorlichtingsonderzoek, meer subtiele fracturen niet meer worden waargenomen. Er zijn dus grofweg geen breuken aan het beenderstelsel aangetoond die een rol van betekenis kunnen hebben gespeeld bij het overlijden of een aanwijzing kunnen vormen voor gebruikt geweld. Dat betekent niet dat er geen geweld kan zijn geweest dat heeft ingewerkt op het lichaam. Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 eveneens naar voren gebracht dat bij röntgenologische doorlichting van het skelet geen botbreuken werden gezien. Bovendien werden bij de inwendige lijkschouwing geen inwendige traumatische afwijkingen met doodsoorzakelijke relevantie vastgesteld. Van de Voorde heeft zich derhalve op het standpunt gesteld dat er geen objectieve aanwijzingen zijn dat de vechtpartij in de tent het overlijden heeft veroorzaakt of hieraan heeft bijgedragen. Op grond van de hiervoor beschreven bevindingen en de daaraan verbonden conclusies van deskundigen Soerdjbalie-Maikoe en Van de Voorde stelt het hof – anders dan de verdediging – vast dat kan worden uitgesloten dat de vechtpartij het overlijden van Nicky Verstappen heeft veroorzaakt of daaraan heeft bijgedragen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is dan ook niet gebleken dat er sprake is geweest van een schokkende gebeurtenis en/of voorval voor het moment waarop Nicky Verstappen op 10 augustus 1998 is verdwenen, zoals bedoeld in 2.3.4.6. 2.4. Tussenconclusie Gelet op de jeugdige leeftijd van het slachtoffer, zijn plotselinge verdwijning en de vindplaats van zijn lichaam zoals onder 2.3.1. beschreven, alsook de afwezigheid van een aanwijzing van natuurlijk overlijden zoals overwogen onder 2.3.4.4. en 2.3.4.5., stelt het hof vast dat Nicky Verstappen een niet-natuurlijke dood is gestorven. Het hof kent daarbij geen betekenis toe aan de houding waarin het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen en zal dan ook geen gebruikmaken van het rapport van [bewegingsdeskundige] . Het hof is – zoals onder 2.3.4.6. is overwogen – van oordeel dat, hoewel het niet waarschijnlijk wordt geacht, het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden ten gevolge van een schokkende gebeurtenis en/of voorval na zijn verdwijning niet uitgesloten kan worden geacht. Voorts heeft het hof onder 2.3.4.7. vastgesteld dat verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukken van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) alsmede een combinatie van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress lijdend tot een lichamelijke reactie, en verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging) als mogelijke oorzaken van het overlijden van Nicky Verstappen niet kunnen worden uitgesloten. Gelet op de doodsoorzaken die niet kunnen worden uitgesloten, is het hof van oordeel dat sprake is van een niet-natuurlijke dood ten gevolge van een misdrijf. 3. Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2 primair en subsidiair: seksueel binnendringen/plegen van ontuchtige handelingen 3.1. ( On)rechtmatig verkregen bewijs 3.1.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 naar aanleiding van hetgeen de verdediging bij appelschriftuur en ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2021 heeft aangevoerd met betrekking tot de verkrijging van het DNA-materiaal van de verdachte naar voren gebracht dat er geen sprake is van een onrechtmatigheid. Hoewel het Openbaar Ministerie niet conform de eerdere beslissing heeft gehandeld om het DNA-onderzoek in de vermissingszaak van de verdachte apart te houden van het DNA-onderzoek in TGO Hei, staat het het Openbaar Ministerie vrij om strafvorderlijk onderzoek te laten verrichten aan stukken van overtuiging, ook als die stukken in het kader van een vermissing door een familielid aan de politie zijn overhandigd. Feitelijk is het volstrekt niet relevant of er wel of geen sprake is van gescheiden trajecten, aldus de advocaten-generaal. Daarbij komt dat de feiten en omstandigheden die belastend waren voor de verdachte steeds zwaarder zijn gaan wegen; alle omstandigheden opgenomen in het proces-verbaal van verdenkingen tegen hem – met uitzondering van de resultaten van het DNA-onderzoek – waren inmiddels bekend en in de strafzaak liep het traject in lijn met de door de rechter-commissaris gegeven machtigingen, waardoor er geen sprake is van een onrechtmatigheid, aldus de advocaten-generaal. Indien het hof van oordeel is dat er sprake is van een onrechtmatigheid en indien en voor zover die onrechtmatigheid zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting, raakt dat niet aan het onderzoeksresultaat verkregen via de twee verwanten van de verdachte. Bewijsuitsluiting van de match in de vermissingszaak met onbekende man 2 (het hof begrijpt: in het onderzoek TGO Hei) heeft geen enkel effect in de strafzaak, aldus de advocaten-generaal. Bij repliek hebben de advocaten-generaal ten aanzien van de grondslag van het onderzoek in de vermissingszaak met betrekking tot de spullen verkregen via de zus van de verdachte gewezen op het besluit van 25 februari 2012 tot wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit politiegegevens. Met betrekking tot het onderzoek in de strafzaak aan de persoonlijke goederen van de verdachte welke onder [betrokkene 1] in beslag zijn genomen, hebben de advocaten-generaal zich bij repliek op het standpunt gesteld dat het onderzoek aan de goederen heeft plaatsgevonden op een moment dat er al ernstige bezwaren jegens de verdachte bestonden. Indien het hof van oordeel is dat er sprake is van een inbreuk en dat een rechtsgevolg is aangewezen, dan is er geen ruimte voor meer dan het vaststellen dat er sprake is van een vormverzuim, aldus de advocaten-generaal. Met betrekking tot het DNA van de verwanten van de verdachte hebben de advocaten-generaal zich bij repliek op het standpunt gesteld dat hoewel artikel 151da Sv niet is genoemd in de machtiging van de rechter-commissaris, deze machtiging zich evident wel uitstrekt over dit artikel en dat de benadering van twee verwanten, die beiden toestemming hebben gegeven voor een Y-chromosomaal DNA-onderzoek, getuigt van zorgvuldigheid. De match met de verwanten, in combinatie met het zedenverleden van de verdachte, zijn aanwezigheid op de Brunssumerheide op 11 augustus 1998 en de omstandigheden rondom zijn verdwijning waren niet alleen voldoende om hem als verdachte aan te merken, maar ook voor het aantonen van ernstige bezwaren tegen de verdachte, waarna op basis van artikel 151b, eerste lid Sv op bevel van de officier van justitie DNA is afgenomen van de verdachte, hetgeen een autosomale één op één match heeft opgeleverd. De advocaten-generaal menen dat het geheel van ingezette opsporingsmiddelen, waarbij de ernst van de verdenking en de ontwikkeling van het onderzoek veel gewicht in de schaal leggen bij de beoordeling of bij de inzet van opsporingsbevoegdheden is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, steun vindt in het recht, dat bij de gang van zaken het legaliteitsbeginsel en artikel 6 EVRM niet zijn geschonden en dat ook geen sprake is van een grove, disproportionele inbreuk op het privéleven van de verdachte. 3.1.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat ten aanzien van het DNA-onderzoek aangaande de verdachte sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Dat vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting en derhalve zou het aangetroffen DNA van de verdachte niet in de bewijsconstructie mogen worden gebruikt. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte nimmer de vereiste schriftelijke toestemming heeft gegeven voor afname van celmateriaal en dat in het kader van artikel 151a Sv van de verdachte zelf geen DNA is afgenomen. Tevens wordt het autosomaal vergelijken van DNA-profielen verkregen van goederen niet gelegitimeerd door de wet en zeker niet wanneer deze goederen in een vermissingszaak in beslag zijn genomen, aldus de verdediging. Er is nooit sprake geweest van een vermoeden van een vermissing als gevolg van een misdrijf en daarnaast zou – al was daar sprake van geweest – alsnog sprake zijn geweest van misbruik van het verkregen DNA door dit DNA te vergelijken met de sporen in het onderzoek naar het overlijden van Nicky Verstappen. Het besluit van 25 februari 2012 tot wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit politiegegevens maakt dit niet anders. Met betrekking tot het Y-chromosomale onderzoek heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris zijn machtiging, zo blijkt uit de genoemde artikelen en de tekst van de machtiging, heeft gebaseerd op artikel 151a Sv en niet op artikel 151da Sv. Dat betekent dat de machtiging strekt tot het verrichten van een autosomaal DNA-onderzoek, waardoor het Y-chromosomale onderzoek zonder machtiging van de rechter-commissaris is uitgevoerd en derhalve onrechtmatig is. Subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat indien wordt gekozen voor Y-chromosomaal DNA-onderzoek, dit slechts bij één mannelijke verwant van de beoogde man had mogen plaatsvinden, terwijl het Y-chromosomale DNA-onderzoek bij twee mannelijke verwanten heeft plaatsgevonden. Bovendien hebben deze verwanten toestemming gegeven voor een autosomaal DNA-onderzoek en niet voor een Y-chromosomaal DNA-onderzoek. De verdediging heeft naar voren geb