GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.281.847/01 arrest van 12 juli 2022 in de zaak van [appellant] , woonplaats kiezende te [woonplaats] , appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats te Eindhoven, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.B.Th. van 't Grunewold te Roermond, op het bij exploot van dagvaarding van 7 augustus 2020 ingeleide hoger beroep van het eindvonnis van 13 mei 2020, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/326970 / HA ZA 17-716) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven; - de memorie van antwoord in principaal appel tevens voorwaardelijk incidenteel appel; - de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel; - de akte depot; - de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. 2.2 Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling De feiten 3.1. In dit principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. Op 12 maart 2017 is [geïntimeerde] een kartongeval overkomen op kartbaan [Indoorkarting] [vestigingsplaats] . Deze kartbaan wordt als eenmanszaak gedreven door [appellant] . [geïntimeerde] is op 12 maart 2017 in een kart met nummer 2 ter hoogte van een haarspeldbocht met zijn kart rechtstandig tegen de zijkant van de kartbaan gekomen. Als gevolg hiervan had [geïntimeerde] direct ernstige pijn in zijn rug, schreeuwde hij het uit en kon hij niet meer zelfstandig uit de kart komen. [geïntimeerde] is in de kart met hulp van meerdere personen van de kartbaan afgeduwd en naar buiten gebracht. [geïntimeerde] is vervolgens per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd waar hij acht dagen opgenomen is geweest. [geïntimeerde] heeft ernstig letsel opgelopen als gevolg van het ongeval. Hij is beperkt in zijn werk als zelfstandig ondernemer en sporten is niet mogelijk. Geconstateerd zijn onder meer cervicale beperkingen met hoofdpijn/tinnitus, distorsie van het rechter AC gewricht en beperkingen in mobiliteit met sterk verminderde belastbaarheid bij fracturen L3, MT IV & V links, MT IV rechts en os cuboideum rechts. Verder heeft [geïntimeerde] pijnklachten, beperkingen aan beide voeten en de wervelkolom, concentratie- en slaapproblemen en zeer ernstige vermoeidheidsklachten. Bij brieven van 3 april en 20 april 2017 van zijn gemachtigde van ARAG Rechtsbijstand heeft [geïntimeerde] [appellant] aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval. Bij brief van 20 april 2017 heeft [appellant] aansprakelijkheid afgewezen. Ter verzekering van zijn verhaalsrechten heeft [geïntimeerde] aan de voorzieningenrechter verlof gevraagd en gekregen voor het leggen van conservatoir beslag op roerende zaken van [appellant] . Op 19 september 2017 heeft de deurwaarder beslag gelegd op alle roerende zaken die zich op dat moment bevonden in het pand van [Indoorkarting] . De eerste aanleg 3.2.1. In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden en zal lijden als gevolg van het ongeval op 12 maart 2017; [appellant] veroordeelt tot betaling aan [geïntimeerde] van de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ter zake van het opgelopen letsel als gevolg van het ongeval op 12 maart 2017, nader op te maken bij staat en vermeerderd met wettelijke rente; [appellant] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten. 3.2.2. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellant] aansprakelijk is voor het hem overkomen ongeval op grond van artikel 6:173 BW. Volgens [geïntimeerde] was zowel zijn kart als de kartbaan gebrekkig. Zo functioneerden de remmen van de door hem bestuurde kart niet en ontbraken op de plaats van het ongeval stootbanden en vangrail aan de zijkant van de baan. Daarnaast is [appellant] volgens [geïntimeerde] aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW omdat hij gevaarzettend heeft gehandeld, dan wel zijn zorgplicht als exploitant van de kartbaan voor wat betreft de veiligheid niet is nagekomen. 3.2.3. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [appellant] heeft in reconventie gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden door het conservatoire beslag op zijn bedrijfsmiddelen; [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan hem van deze geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en vermeerderd met de wettelijke rente; het op 19 september 2017 door [geïntimeerde] gelegde beslag op zijn bedrijfsmiddelen opheft; [geïntimeerde] verbiedt nogmaals conservatoir beslag te leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,-- per overtreding, vermeerderd met € 1.000,-- per dag dat de overtreding voortduurt; [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2.4. [geïntimeerde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. 3.2.5. In het tussenvonnis van 21 februari 2018 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie van partijen heeft op 22 mei 2018 plaatsgevonden. 3.2.6. In het tussenvonnis van 4 juli 2018 heeft de rechtbank [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen - dat de remmen van de door [geïntimeerde] bestuurde kart (met nummer 2) ten tijde van het ongeval op 12 maart 2017 niet goed functioneerden en - dat de kartbaan ten tijde van het ongeval op 12 maart 2017 niet voldeed aan de toepasselijke NEN-norm (NEN-EN 162300-2), doordat de barrières ter plaatse van het ongeval niet voorzien waren van autobanden of een vangrail. 3.2.7. In het eindvonnis van 13 mei 2020 heeft de rechtbank [geïntimeerde] in de bewijslevering ten aanzien van de gebrekkige remmen geslaagd geacht en niet geslaagd geacht in de bewijslevering ten aanzien van de gebrekkige inrichting van de baan. Op grond van de bewezenverklaring heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en in reconventie de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten van zowel de conventie als de reconventie. Het principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep 3.3. [appellant] heeft in het principaal hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, tot het afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en tot het toewijzen van zijn vorderingen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 3.4. [geïntimeerde] heeft in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten. 3.5. Het hof stelt voorop dat geen van partijen grieven heeft gericht tegen het tussenvonnis van 4 juli 2018. De daarin opgenomen feitenvaststelling heeft het hof dan ook overgenomen. Voorts is in dat tussenvonnis beslist dat de bewijslast van de stellingen van [geïntimeerde] inhoudende dat: - de remmen van de door hem bestuurde kart ten tijde van het ongeval niet goed functioneerden en dat - de kartbaan ten tijde van het ongeval op 12 maart 2017 niet voldeed aan de toepasselijke NEN-norm (NEN-EN 162300-2), doordat de barrières ter plaatste van het ongeval niet voorzien waren van autobanden of een vangrail op [geïntimeerde] rust. Deze beslissingen worden in hoger beroep door [geïntimeerde] niet bestreden, zodat het hof hiervan uitgaat. Grief 1: de bewijsmiddelen 3.6.1. In grief 1 van het principaal hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de getuigenverklaring van [geïntimeerde] in de beoordeling van de bewezenverklaring heeft betrokken. Tijdens het eerste getuigenverhoor op 29 november 2018 zijn er zes getuigen in het bijzijn van [geïntimeerde] gehoord. Tijdens het tweede getuigenverhoor is [geïntimeerde] , zo stelt [appellant] , naar de gang gestuurd en pas ter zitting verschenen om als laatste getuige in de enquête te worden gehoord. Voorafgaand daaraan heeft hij dus op de gang nog met de getuigen kunnen overleggen. [appellant] stelt dat alle getuigenverklaringen in enquête daarom van onwaarde zijn. 3.6.2. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht wenste te vervullen door het horen van getuigen. De wet, en meer specifiek artikel 179 Rv, bepaalt hierover: “1. De rechter hoort ieder van de getuigen buiten tegenwoordigheid van de mede ter zitting verschenen getuigen die nog niet zijn gehoord, voor zover deze laatste getuigen niet tevens partij zijn. 2. Partijen en hun raadslieden kunnen aan de getuigen vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven. De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een partij getuigen tegenover elkaar of tegenover partijen of een van hen stellen. 3. De rechter kan naar aanleiding van de getuigenverklaringen aan partijen vragen stellen. Indien het betreft het verhoor van een getuige die niet tevens partij is, kunnen ook partijen elkaar zelf of bij monde van hun raadslieden vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven. (…)” Deze bepaling stelt voorop dat getuigen worden gehoord in het bijzijn van partijen. Dit geeft partijen ook de gelegenheid om vragen te stellen. [appellant] heeft aangevoerd dat in de praktijk de partijgetuige vaak als eerste wordt gehoord en zich erop beroepen dat hiermee wordt geborgd dat partijen de eigen verklaringen niet gaan afstemmen op de inhoud van de door de andere getuigen afgelegde verklaringen. 3.6.3. Naar het oordeel van het hof leidt het enkele afwijken van dit gebruik niet tot de conclusie dat de getuigenverklaringen van onwaarde zijn (vgl. ECLI:NL:HR:2019:931). De hoofdregel van artikel 179 lid 1 Rv geldt bovendien niet voor getuigen die tevens partij zijn, zoals in dit geval [geïntimeerde] . Van schending van formaliteiten zoals weergegeven in paragraaf 4 van de negende afdeling in Rv (met nietigheid op grond van het bepaalde in artikel 184 Rv als gevolg) is geen sprake. De verklaringen van alle onder ede gestelde getuigen zijn dus geldige bewijsmiddelen en kunnen als zodanig worden beoordeeld door de rechter. 3.6.4. De grief slaagt dan ook niet. Krachtens artikel 152 Rv kan het bewijs door alle middelen worden geleverd, tenzij de wet anders bepaalt. Het is aan het oordeel van de rechter overgelaten om het bewijs te waarderen. In dat kader zal de rechter de door [appellant] aangevoerde omstandigheden meewegen. De conclusie in deze zaak is dat de bewuste omstandigheden - wat daar verder van zij - geen afbreuk doen aan de bewijswaarde van de getuigenverklaringen waarop het hof zijn bewijsoordelen in het onderstaande (mede) baseert. Grief 2: de waardering van de bewijsmiddelen 3.7.1. In grief 2 betoogt [appellant] dat de rechter ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerde] is geslaagd in het opgedragen bewijs dat de remmen ten tijde van het ongeval niet goed functioneerden. Geen van de getuigen, behoudens [geïntimeerde] , heeft uit eigen wetenschap verklaard of kunnen verklaren dat de remmen van de kart waarin [geïntimeerde] zat, voorafgaand aan het ongeval niet functioneerden. [geïntimeerde] heeft geen technisch onderzoek daarnaar laten uitvoeren. De remmen functioneerden voorafgaand aan het ongeval goed, gelet op de tien rondes die [geïntimeerde] al met de kart had gereden. [appellant] betwist de deskundigheid van de ambulancebroeder [persoon A] , die heeft verklaard dat er geen weerstand was onder het rempedaal. Hij stelt voorts dat de constatering is gedaan na het ongeval en dat dit de mogelijkheid open laat dat de rem als gevolg van het ongeval defect is geraakt of dat de rem nog wel functioneerde maar als gevolg van het door het ongeval verwrongen metaal (de beugel/het frame) niet meer tot aan de weerstand kon worden ingedrukt. Het ongeval kan veroorzaakt zijn door een rijdersfout, aldus [appellant] . De rechtbank heeft bij de beoordeling meegewogen het feit dat [appellant] niet de monteur van de karts of andere personen als getuige heeft opgeroepen die mogelijk iets zouden kunnen verklaren over de staat van de remmen vlak voor en/of na het ongeval. Volgens [appellant] is het echter aan [geïntimeerde] om te bewijzen dat de remmen niet functioneerden. De rechtbank heeft aan [appellant] geen omgekeerde bewijslast opgedragen. De rechtbank gaat dus ten onrechte uit van de aanname dat hij genoemde getuige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.