GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.287.350/01 arrest van 19 juli 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna: [appellant] , advocaat: mr. S.X.J. Zuidema te Heerlen, tegen [de vennootschap] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. M.W. van der Heijden te Vught, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 mei 2021 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/270876 / HA ZA 19-576 gewezen vonnis van 28 oktober 2020 tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde. 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 11 mei 2021; de memorie van antwoord van 20 juli 2021; de akte van [appellant] van 7 juni 2022, waarbij producties 20 t/m 25 in het geding zijn gebracht; de mondelinge behandeling van 20 juni 2022, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 6De verdere beoordeling De feiten 6.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. a. [persoon A] (hierna: [persoon A] ) is een neef van [appellant] . [persoon A] heeft in de jaren 2010, 2011 en 2012 op diverse momenten verschillende bedragen aan [appellant] uitgeleend. Deze bedragen heeft [persoon A] aan [appellant] verstrekt ten behoeve van de (verdere) ontwikkeling van een uitvinding van [appellant] over lichtgevende verticale lamellen. Voor de uitvinding van [appellant] is op 25 mei 2011 een Europees octrooi verleend. Op 11 juni 2013 hebben [persoon A] en [appellant] de door hen gemaakte afspraken met betrekking tot de geleende bedragen schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst van geldlening. Deze overeenkomst vermeldt onder meer het volgende: “OVEREENKOMST VAN GELDLENING PARTIJEN: - [appellant] h.o.d.n. Vertical Light (…), en - [persoon A] (…) IN AANMERKING NEMENDE: 1. Partijen zijn in oktober 2010 met elkaar een mondelinge overeenkomst van geldlening aangegaan; 2. Hetgeen zij toen met betrekking tot die geldlening mondeling met elkaar hebben afgesproken wensen partijen thans schriftelijk vast te leggen; (…) Artikel 1 Partijen stellen vast dat [persoon A] in de periode van 1 oktober 2010 tot 31 december 2012 gelden ter leen heeft verstrekt aan [appellant] , uit hoofde waarvan [appellant] per 31 december 2012 inclusief rente aan [persoon A] verschuldigd is de somma van EUR 90.000,00 (“de Lening”). De Lening is voor bepaalde tijd verstrekt met een vaste looptijd tot 31 december 2017 en zij zal tussentijds niet opeisbaar zijn. Artikel 2 2.1. De Lening zal door [appellant] op 31 december 2017 in zijn geheel worden afgelost. 2.2. [appellant] verbindt zich over de Lening aan [persoon A] een rente te betalen van 4% per jaar (…)” Op 11 juni 2013 is [geïntimeerde] opgericht, waarvan [persoon A] enig bestuurder en aandeelhouder is. De akte van oprichting is verleden voor notaris [persoon B] te [vestigingsplaats] . [persoon A] heeft de vordering uit hoofde van de overeenkomst van geldlening aan [geïntimeerde] gecedeerd. Op 11 juni 2013 is Vertical Light Holding B.V. (hierna: VL Holding) opgericht, waarvan [appellant] enig bestuurder en aandeelhouder is. In de akte van oprichting, ook verleden voor notaris [persoon B] te [vestigingsplaats] , staat (onder andere) vermeld: “(…) Namens de bij deze akte opgerichte vennootschap (hierna te noemen de vennootschap) is met de oprichter overeengekomen dat de oprichter de door hem genomen aandelen zal volstorten door inbreng, op voet van artikel 3.65 Wet op de inkomstenbelasting 2001 en de in dat artikel bedoelde nader gestelde voorwaarden, in de vennootschap van de gehele door hem voor eigen rekening onder de naam Vertical Light te [vestigingsplaats] , gedreven onderneming, ingeschreven in het handelsregister onder [nummer] , welke inbreng derhalve omvat alle activa van deze onderneming onder de verplichting voor de vennootschap alle passiva van die onderneming voor haar rekening te nemen, zoals deze vermeld zijn op de hierna sub 3.a gemelde inbrengbalans (…).” Op 11 juni 2013 is [de vennootschap 2] (hierna: [de vennootschap 2] ) opgericht, waarvan VL Holding enig bestuurder en aandeelhouder is. In de akte van oprichting, ook verleden voor notaris [persoon B] te [vestigingsplaats], staat (onder andere) vermeld: “(…) Namens de bij deze akte opgerichte vennootschap (hierna te noemen de vennootschap) is met de oprichter vennootschap (hierna te noemen de oprichter of de inbrenger) afgesproken dat de oprichter de door haar genomen aandelen zal volstorten door inbreng, op de voet van artikel 14 Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 en de in dat artikel bedoelde nader gestelde voorwaarden, in de vennootschap van de gehele door haar voor eigen rekening onder de naam Vertical Light Holding BV te [vestigingsplaats] , gedreven onderneming, welke vennootschap zal worden ingeschreven in het handelsregister, welke inbreng derhalve omvat alle activa van deze onderneming onder de verplichting voor de vennootschap alle passiva van die onderneming voor haar rekening te nemen, zoals deze vermeld zijn op de hierna sub 3.a gemelde inbrengbalans (…).” Op 28 augustus 2013 hebben (onder andere) VL Holding en [geïntimeerde] een participatieovereenkomst inzake B2B Vertical Light Europe B.V. (hierna: B2B) gesloten, waarin (onder meer) staat vermeld: “(…) IN AANMERKING NEMENDE: 1. [appellant] is uitvinder en neemt met ingang van 7 april 2008 als eenmanszaak aan het handelsverkeer deel onder de handelsnaam “Vertical Light”, welke eenmanszaak per 1 januari 2013 door [appellant] (geruisloos) is ingebracht in Vertical Light Holding resp. haar 100% deelneming [de vennootschap 2]” (…)” i. [appellant] heeft het geleende bedrag niet terugbetaald. Het geding in eerste aanleg 6.2.1. [geïntimeerde] heeft in deze procedure gevorderd veroordeling van [appellant] tot betaling van: - een bedrag van € 119.455,22, zijnde de gevorderde hoofdsom, buitengerechtelijke kosten en rente tot en met 24 oktober 2019, - de verdere rente ad 4% per jaar over € 109.498,76 vanaf 25 oktober 2019 tot de dag der algehele voldoening, en - de proceskosten, waaronder beslagkosten. 6.2.2. [geïntimeerde] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd nakoming van de tussen [persoon A] en [appellant] op 11 juni 2013 gesloten overeenkomst van geldlening, welk vorderingsrecht [geïntimeerde] door middel van cessie heeft verkregen. Op grond van deze overeenkomst was [appellant] gehouden het door hem ontvangen bedrag, vermeerderd met de contractuele rente, op 31 december 2017 terug te betalen, hetgeen hij heeft nagelaten, aldus [geïntimeerde] . 6.2.3. Bij eindvonnis van 28 oktober 2020 heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen: - een bedrag van € 117.585,23, zijnde de gevorderde hoofdsom en contractuele rente van 4% per jaar vanaf 1 januari 2013 tot en met 24 oktober 2019, en - de verdere contractuele rente van 4% per jaar over € 109.498,76 vanaf 25 oktober 2019 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten. Het geding in hoger beroep 6.3.1 [appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] . 6.3.2. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. 6.3.3. Bij arrest van 11 mei 2021 heeft het hof de vorderingen van [appellant] in incidenten ex artikel 351 Rv en 843a Rv afgewezen, en de beslissing over de proceskosten van de incidenten aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. 6.4.1. Met grieven I t/m IV bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat [appellant] de contractuele wederpartij is gebleven van [geïntimeerde] , en het oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] heeft ingestemd met overneming van het contract door [de vennootschap 2] waardoor de schuld van [appellant] is overgegaan op [de vennootschap 2] . 6.4.2. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] de stelling van [appellant] dat de rechtsverhouding met betrekking tot de geldlening tussen [persoon A] en [appellant] met wederzijdse instemming is overgedragen aan [geïntimeerde] respectievelijk [de vennootschap 2] , in het licht van de onderbouwing van die stelling door [appellant] , onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het hof overweegt daartoe als volgt. i. Uit het verslag van een bespreking tussen [appellant] en [persoon A] op 18 februari 2013 (productie 7 bij productie 2 bij de conclusie van antwoord), waarbij tevens aanwezig waren de advocaat van [appellant] , [persoon C] , en fiscaal adviseur [persoon D] , kunnen de volgende plannen van partijen worden afgeleid. De vordering van € 90.000,- van [persoon A] op [appellant] zou worden ingebracht in [geïntimeerde] . [appellant] zou zijn eenmanszaak inbrengen in VL Holding en vervolgens in [de vennootschap 2] . Uit de balans die in het verslag is opgenomen volgt dat het octrooi en de schuld uit hoofde van de geldlening van € 90.000,- na inbreng tot het vermogen zouden behoren van VL Holding en daarna van [de vennootschap 2] (“Doorzak van patent en schuld naar SP-Innovation B.V. vindt onmiddellijk daarna plaats”). [geïntimeerde] zou vervolgens van [de vennootschap 2] het recht kopen op de helft van de opbrengsten uit het octrooi, te weten door B2B te betalen royalties, tegen een koopprijs van € 90.000,-. [persoon D] heeft bij e-mail van 1 april 2019 (productie 7 bij productie 2 bij de conclusie van antwoord) verklaard dat [appellant] en [persoon A] in de bespreking van 18 februari 2013 de afspraken hebben gemaakt zoals in het verslag beschreven, en dat de schuld van [de vennootschap 2] uit de geldlening van € 90.000,- zou worden verrekend met de koopprijs van € 90.000,- voor het recht op winstdeling die [geïntimeerde] aan [de vennootschap 2] verschuldigd zou zijn. ii. Uit de akte van oprichting van [geïntimeerde] volgt dat de vordering van € 90.000,- op [appellant] is ingebracht in [geïntimeerde] . Uit de akte van oprichting van VL Holding volgt dat de hele onderneming van [appellant] (Vertical Light), waaronder de passiva, is ingebracht in VL Holding. Vervolgens is deze onderneming ingebracht in [de vennootschap 2] , zo blijkt uit de akte van oprichting van [de vennootschap 2] . iii. Deze rechtshandelingen en transacties vonden alle plaats op 11 juni 2013 ten overstaan van dezelfde notaris. [geïntimeerde] heeft niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat de desbetreffende notariële aktes bij gelegenheid van dezelfde afspraak met partijen en in het bijzijn van hen beiden zijn opgemaakt. Ook de overeenkomst van geldlening is op 11 juni 2013 gedateerd. Het betreft hier klaarblijkelijk (rechts)handelingen die met elkaar samenhangen en op elkaar zijn afgestemd. Ze zijn in lijn met de plannen zoals vermeld in het verslag van de bespreking van 18 februari 2013. Het feit dat de (mondelinge) overeenkomst van geldlening tussen [appellant] en [persoon A] pas (of juist) op 11 juni 2013 op papier is gezet, wekt geen verbazing aangezien daarmee kennelijk werd beoogd duidelijk vast te leggen dát een lening was verstrekt, tussen welke partijen, en tegen welke (zakelijke) condities, alvorens deze lening in te brengen in de op te richten vennootschappen. iv. Uit de e-mail van 16 juli 2013 van [persoon C] aan [persoon D] , met kopie aan onder meer [appellant] en [persoon A] , volgt dat met de (rechts)handelingen van 11 juni 2013 het eerste deel van de door partijen beoogde samenwerking(structuur) is doorgevoerd: “Stap 1 (uitgevoerd op 11 juni 2013): ondertekenen lening [persoon A] privé aan eenmanszaak Roel; inbreng lening in [geïntimeerde] + VL Holding – [de vennootschap 2] -novations. (…) De schuld van [appellant] aan [persoon A] is ingebracht in de op 11 juni 2013 opgerichte Vertical Light Holding en doorgezakt naar [de vennootschap 2] -novations. (…)” (productie 7 bij productie 2 bij de conclusie van antwoord). [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij in deze e-mail slechts in de cc stond en dat de e-mail (dus) niet aan haar was gericht. Het afschrift van deze e-mail (de
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.