GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.295.102/01 arrest van 26 juli 2022 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , Litouwen, appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. T. Vink te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna (in mannelijk enkelvoud) aan te duiden als [geïntimeerden] , advocaat: mr. R.F.P.J. Coppus te Venlo, op het bij exploot van dagvaarding van 22 april 2021 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 11 december 2019 en 10 februari 2021, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/342966 / HA ZA 19-107) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven van 20 juli 2021; de memorie van antwoord van 28 september 2021; de op 20 juni 2022 namens [appellant] bij akte ingediende producties 29 en 30; de mondelinge behandeling van 4 juli 2022, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. a. [geïntimeerde 1] (hierna: [geïntimeerde 1] ), geïntimeerde sub 1, is via een beheer-bv directeur/eigenaar van [Rietdekkersbedrijf] B.V. (hierna: [Rietdekkersbedrijf] ). Dit bedrijf houdt zich bezig met het aanbrengen en onderhouden van rieten daken. [appellant] is directeur/eigenaar van de vennootschap naar Litouws recht UAB Redlita. Ook zijn bedrijf houdt zich bezig met het aanbrengen en onderhouden van rieten daken. [appellant] en [geïntimeerde 1] hebben tussen 2009 en 2018 bedrijfsmatig veelvuldig samengewerkt. [appellant] heeft op 13 mei 2013 onroerend goed in Litouwen gekocht voor een bedrag van omgerekend € 68.000,-. Hij is hiervan de enige eigenaar geworden. Hij heeft dit onroerend goed verbouwd en op 22 oktober 2014 voor een bedrag van omgerekend € 471.326,- weer verkocht. Op 12 november 2014 heeft [appellant] aan [geïntimeerden] een bedrag overgemaakt van € 100.000,- en op 27 november 2014 nog een bedrag van € 50.000,-. Als betalingsomschrijving is bij beide betalingen vermeld: “Sale of the building”. 3.2.1. In deze procedure heeft [appellant] , in conventie, gevorderd: primair: voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] tegen [appellant] een onrechtmatige daad heeft gepleegd, en [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 150.000,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 november 2014; subsidiair: voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellant] en [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 150.000,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 november 2014; meer subsidiair: voor recht te verklaren dat [appellant] hoofdelijk een vordering heeft op [geïntimeerden] van € 150.000,- die direct opeisbaar is, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 november 2014. 3.2.2. [geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. De reconventionele vorderingen zijn in hoger beroep niet meer aan de orde. 3.2.3. In het tussenvonnis van 11 december 2019 heeft de rechtbank [appellant] opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerden] het door [appellant] betaalde bedrag van € 150.000,- heeft verduisterd. 3.2.4. In het eindvonnis van 10 februari 2021 heeft de rechtbank [appellant] niet in de bewijslevering geslaagd geacht. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. 3.3.1. [appellant] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd bestaande uit onderdelen 1a t/m 1f. [appellant] heeft geconcludeerd – zo begrijpt het hof – tot vernietiging van de bestreden vonnissen voor zover daarbij de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen, en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. 3.3.2. [geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente. 3.4.1. Met zijn enige grief zegt [appellant] te verzoeken om een nieuwe belangenafweging en bewijswaardering. Uit de toelichting op (de onderdelen van) deze grief volgt dat [appellant] ook de bewijslastverdeling bestrijdt. 3.4.2. Het hof overweegt dat [appellant] aan zijn primaire vordering ten grondslag heeft gelegd dat [geïntimeerden] onrechtmatig heeft gehandeld door het bedrag van € 150.000,- dat hij van [appellant] heeft ontvangen te verduisteren. Aan zijn subsidiaire vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] ongerechtvaardigd is verrijkt vanwege het ontvangen bedrag van € 150.000,-. De meer subsidiaire vordering is wegens het ontbreken van een deugdelijke grondslag afgewezen, waartegen geen grief is gericht. Ter onderbouwing van zijn primaire en subsidiaire vorderingen heeft [appellant] de stellingen ingenomen zoals door de rechtbank weergegeven in rov. 4.3 en 4.9 van het tussenvonnis. Deze komen er kort gezegd op neer dat [appellant] en [geïntimeerden] het plan hadden opgevat om samen te investeren in onroerend goed in de regio Helmond. De daarvoor benodigde middelen zouden ze samen bijeenbrengen en de winst samen delen. In dit kader heeft [appellant] € 150.000,- aan [geïntimeerden] betaald, maar [geïntimeerden] heeft dit geld vervolgens niet besteed aan de beoogde investering en het bedrag evenmin aan [appellant] teruggegeven. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [appellant] de bewijslast van deze stellingen. De tegen deze bewijslastverdeling gerichte grief faalt. 3.4.3. Anders dan [appellant] stelt heeft de rechtbank in het tussenvonnis niet geoordeeld dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat [geïntimeerden] het bedrag van € 150.000,- heeft verduisterd, maar dat hij daarover voldoende heeft gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten. Op die basis formuleert de rechtbank vervolgens de in het tussenvonnis aan [appellant] gegeven bewijsopdracht. 3.4.4. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat [appellant] het bewijs van genoemde stellingen niet geleverd heeft, en dat zijn vorderingen daarom niet toewijsbaar zijn. Het hof verenigt zich met de overwegingen die de rechtbank ten aanzien van de waardering van de bewijsmiddelen heeft gegeven in rov. 2.6 t/m 2.9 van het eindvonnis. 3.4.5. In aanvulling op wat de rechtbank in rov. 2.7 heeft overwogen, overweegt het hof dat de betalingen die [geïntimeerde 1] (Rietdekkersbedrijf) heeft gedaan
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.