GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 18 augustus 2022 Zaaknummer : 200.307.904/01 Zaaknummers 1e aanleg: C/03/298424 / JE RK 21-2138 en C/03/298425 / JE RK 21-2139 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. S. Smeets, tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). Deze zaak gaat over: [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] . Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt: [de vader] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 14 december 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 maart 2022, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw rechtdoende: primair: te bepalen dat de kinderen voortaan hun hoofdverblijf bij de moeder zullen hebben en er een zorgregeling tussen de vader en de kinderen wordt vastgesteld waarbij de kinderen één weekend in de veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot maandag voor schooltijd bij de vader verblijven alsmede elke donderdag na schooltijd tot vrijdagochtend voor schooltijd; subsidiair: te bepalen dat er een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen wordt vastgesteld waarbij de kinderen één weekend in de veertien dagen van donderdag na schooltijd tot maandag voor schooltijd bij de moeder verblijven en in de andere week op donderdag na schooltijd tot vrijdagochtend voor schooltijd bij de moeder verblijven; primair en subsidiair: - een onderzoek door de raad te gelasten; - te bepalen dat er ingevolge artikel 1:250 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een bijzondere curator wordt benoemd voor de kinderen, teneinde hun belangen waar te nemen en hun zowel in als buiten rechte te vertegenwoor-digen; - de bepalingen met betrekking tot de uitvoering van de hobby’s en sporten, aldus: “sporten, club, vereniging en feestjes: het aanmelden van de kinderen bij een club of vereniging gebeurt in onderling overleg tussen de ouders eventueel met tussenkomst vanuit BJZ en daarmee met medeweten van beide ouders. Indien de kinderen bij een club of vereniging betrokken zijn conformeren beide ouders zich hier aan en hebben daarmee een inspanningsverplichting en verantwoordelijkheid alles in het werk te stellen, zorg te dragen dat de kinderen ook aanwezig kunnen zijn bij bijeenkomsten van deze club of vereniging ongeacht of dit door de weeks of in het weekend plaatsvindt. Tevens houden beide ouders zich aan de afspraken die vanuit of met betrekking tot deze club of vereniging zijn gemaakt, zoals wassen van sportkleding, meerijden naar een wedstrijd of vervanging of organiseren voor het meerijden. Beide ouders dienen daarom contact te hebben en te onderhouden met de betreffende club of vereniging” te vernietigen. - de bestreden beschikking voor het overige in stand te laten. 2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 april 2022, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, evenals de bestreden beschikking te bekrachtigen onder aanvulling en/of verbetering van de gronden. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 juni 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Smeets; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2]; - de vader; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad]. 2.3.1. Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: productie 3 tot en met 17 ingediend door de advocaat van de moeder op 22 maart 2022; het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 28 maart 2022; het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 14 juni 2022. 2.5. Bij V6-formulier heeft de advocaat van de moeder op 16 juni 2022 een aanvullend verzoek in hoger beroep ingediend dat betrekking heeft op de vaststelling van een regeling voor de vakanties en feestdagen. Het hof overweegt dat art. 283 Rv onverlet laat dat in hoger beroep de tweeconclusieregel geldt, die inhoudt, zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226, dat grieven en veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep in beginsel bij verzoek- of verweerschrift dienen te worden aangevoerd (vgl. HR 19 juni 2009, LJN BI8771, NJ 2010/154). Deze in beginsel strakke tweeconclusieregel lijdt onder meer uitzondering indien de aard van het geschil met zich brengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of een zodanige verandering of vermeerdering van het verzoek kan plaatsvinden. Nu echter het aanvullend verzoek door de advocaat van de moeder geruime tijd na de binnenkomst van het verweerschrift van de GI is ingediend, niet gesteld of gebleken is dat er sprake is van recente nieuwe ontwikkelingen of gewijzigde omstandigheden en evenmin is aangegeven waarom pas in dit zeer late stadium het aanvullend verzoek is ingediend, acht het hof het aanvullend verzoek van de moeder tardief en wordt het wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. 2.6. De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen, het verzoek tot het gelasten van een raadsonderzoek en het verzoek tot de benoeming van een bijzondere curator voor de kinderen, ingetrokken. Aangezien de moeder deze verzoeken niet langer handhaaft, zal het hof de moeder in deze verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. 2.6.1. Dit brengt met zich dat alleen de (omvang) van de zorgregeling tussen de moeder en de kinderen en de door de rechtbank in het dictum van de bestreden beschikking bepaalde inspanningsverplichting omtrent ‘sporten, club, vereniging en feestjes’, in hoger beroep nog aan het hof voorliggen. 3De beoordeling 3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De moeder en de vader oefenen samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. 3.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 30 mei 2016 -met uitzondering van een korte onderbreking van 30 mei 2018 tot en met 16 september 2018- onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is laatstelijk verlengd tot 17 maart 2023. 3.3. Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank de bij het ouderschapsplan van 2 juli 2018 overeengekomen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd, en: de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader bepaald; een zorgregeling tussen de kinderen en de moeder vastgesteld op de wijze, zoals in de bestreden beschikking is weergegeven. 3.4. De moeder kan zich -voor wat betreft de zorgregeling tussen haar en de kinderen- met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.5. De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling -samengevat- het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is om de zorgregeling te wijzigen zoals door de GI is verzocht. De rechtbank heeft onvoldoende onderzocht of de door de GI verzochte (gewijzigde) regeling in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De tijd die de moeder en de kinderen met elkaar doorbrengen is te weinig om invulling te geven aan het ouderschap en een band te houden en verder op te bouwen. Dit klemt temeer omdat de kinderen nog sporten of lidmaatschappen van verenigingen hebben. Ook de belmomenten die de moeder met de kinderen heeft verlopen moeizaam omdat de kinderen daarin geen vrijheid voelen. De kinderen hebben daardoor nagenoeg geen contact met de moeder wanneer zij bij de vader verblijven. De moeder verzoekt daarom om een uitbreiding van de zorgregeling. De moeder ziet niet in waarom er geen rust aanwezig is wanneer de kinderen doordeweeks bij beide ouders zijn; er kunnen hierover duidelijke afspraken worden gemaakt en vastgelegd. De rechtbank heeft verder ten onrechte op verzoek van de GI bepaald dat indien de kinderen bij een club of vereniging betrokken zijn beide ouders zich hieraan conformeren en daarmee een inspanningsverplichting en verantwoordelijkheid hebben alles in het werk te stellen en zorg te dragen dat de kinderen ook aanwezig kunnen zijn bij de bijeenkomsten van deze club of vereniging ongeacht of dit doordeweeks of in het weekend plaatsvindt. De GI heeft op grond van artikel 1:265g BW echter niet de bevoegdheid om voorwaarden te stellen aan het al dan niet naar sporten en hobby’s brengen van de kinderen. Het verzoek van de GI is niet op de wet gebaseerd, zodat de rechtbank dit verzoek ten onrechte heeft toegewezen. Ook is dit verzoek niet noodzakelijk in het belang van de kinderen. Tot slot brengt deze regeling verplichtingen voor de kinderen met zich tijdens de relatief korte tijd die zij met de moeder hebben. De kinderen vinden het lastig om een balans te vinden tussen hun hobby’s en de behoefte in alle rust bij de moeder te zijn en invulling te geven aan de kind/moederrelatie. Ook wordt deze bepaling door de GI te strak geïnterpreteerd. Als gevolg hiervan wordt de moeder zeer ingeperkt in haar vrijheid om invulling te geven aan het contact met en de zorg voor de kinderen. De kinderen hebben bij beide ouders veel verplichtingen. De moeder acht het evenwel in het belang van de kinderen dat zij hun sport kunnen uitoefenen, echter ontvangt zij andere signalen van de kinderen hierover. De moeder stimuleert de kinderen om te gaan, maar kan hen niet dwingen. Zij wil haar kostbare tijd met de kinderen niet verspillen aan conflicten hierover. De kinderen willen meer tijd met de moeder doorbrengen. 3.6. De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling -samengevat- het volgende aan. Er is sprake van een voortdurende conflictueuze echtscheiding waarbij er duidelijke signalen van loyaliteitsstress bij de kinderen worden gezien. Hier liggen de divergerende opvoedstijl van de ouders en het niet nakomen van de afspraken zoals neergelegd in de bestreden beschikking aan ten grondslag. De GI vindt het niet in het belang van de kinderen om de zorgregeling tussen de moeder en de kinderen uit te breiden. Eerst dienen de bij de GI aanwezige zorgen over de (thuissituatie van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.