Parketnummer : 20-003378-19 OWV Uitspraak : 31 mei 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 oktober 2019 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-702660-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, wonende te [adres] . Hoger beroep De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 81.850,18 en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag. Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op € 81.850,18 en aan betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen van € 73.000,- De verdediging heeft verweer gevoerd tegen de opgelegde betalingsverplichting. Vonnis waarvan beroep Het vonnis zal worden bevestigd met uitzondering van de aan betrokkene opgelegde betalingsverplichting. Op te leggen betalingsverplichting Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Als hiervoor weergegeven heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 81.850,18, met welke vaststelling het hof zich kan verenigen. De advocaat-generaal heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat vanwege overschrijding van de redelijke termijn de betalingsverplichting met 10% gematigd dient te worden. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting met een hoger percentage gematigd zou dienen te worden. Redelijke termijn Het hof stelt met de verdediging en de advocaat-generaal vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden en stelt daartoe het volgende vast. Voor de eerste aanleg stelt het hof de aanvang van de redelijke termijn op 2 augustus 2017, het moment waarop de doorzoeking in de woning van betrokkene plaatsvond en goederen in beslag werden genomen. Deze termijn is geëindigd met het vonnis van de rechtbank op 25 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.