Parketnummer : 20-002722-21 Uitspraak : 26 augustus 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 juli 2015, in de strafzaak met parketnummer 01-860439-14 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, wonende te [adres 1] , als postadres heeft de verdachte het adres van zijn moeder opgegeven, zijnde [adres 2] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de rechtbank ter zake van ‘medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen behoudens de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de verdachte integraal dient vrij te spreken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 tot en met 8 oktober 2013 te Vianen, gemeente Cuijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk een (grote) hoeveelheid (ongeveer 1708) hennepplanten en/of delen daarvan en/of 10,2 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 8 oktober 2013 te Vianen, gemeente Cuijk, een grote hoeveelheid, te weten 520 hennepplanten, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk aanwezig heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte integraal dient vrij te spreken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Volgens de raadsvrouw is op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet vast te stellen dat de verdachte zelf enige uitvoeringshandelingen heeft verricht ten behoeve van de teelt van de hennepplanten en het drogen van de hennep. Ook is volgens de raadsvrouw niet vast te stellen dat de verdachte als medepleger bij de hennepteelt en hennepdrogerij betrokken is geweest, nu niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en één of meer anderen. Ten aanzien van de hennepplanten in de kelderruimte van het bijgebouw en de hennep op de zolder van het bijgebouw is volgens de raadsvrouw niet vast te stellen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze hennepplanten en hennep, zodat evenmin kan worden vastgesteld dat hij deze hennep(planten) opzettelijk aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van de hennepkwekerij die in de ondergrondse bunker is aangetroffen heeft de raadsvrouw aangevoerd de verdachte ook deze hennepplanten niet opzettelijk aanwezig heeft gehad, omdat niet gezegd kan worden dat de hennepplanten zich in zijn machtssfeer bevonden. Het hof overweegt als volgt. Op 8 oktober 2013 werd door de politie het perceel [adres 3] te Vianen , gemeente Cuijk, binnengetreden. In de kelderruimte van het bijgebouw van de aldaar aanwezige woning werd een kweekruimte aangetroffen met daarin 668 hennepplanten van ongeveer een week oud. Op de zolder van het bijgebouw, die was ingericht als hennepdrogerij, werd in totaal 10,2 kilogram hennep aangetroffen. Verder werden in een ondergrondse betonnen bunker onder een kas in de tuin van genoemd perceel onder meer twee kweekruimtes aangetroffen. In één van deze kweekruimtes stonden 520 hennepplanten. In de andere ruimte werd op het moment van aantreffen door de politie de kweekbodem ververst. De verdachte is door de politie aangetroffen in de ondergrondse bunker. De verdachte wordt verweten het (mede)plegen van deze grootschalige hennepteelt en hennepdrogerij in de uitoefening van een beroep of bedrijf en subsidiair dat hij de aangetroffen hennepplanten en 10,2 kilogram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. Met de verdediging stelt het hof allereerst vast dat op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet is vast te stellen dat de verdachte bij de teelt van de hennepplanten en bij het drogen van de hennep zelf enige feitelijke uitvoeringshandeling heeft verricht. Zo wordt in het dossier, anders dan bij medeverdachten, niet gerelateerd dat de kleding van de verdachte hennepvlekken heeft dan wel naar hennep ruikt. Ook blijkt uit het dossier niet waar de verdachte zich ten tijde van het binnentreden van de politie in de ondergrondse bunker bevond. Zelf heeft hij hierover ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet in de kweekruimten in de bunker is geweest, maar dat hij zich in de tussenruimte bij de lift bevond alwaar hij bezig was met het opruimen van kartonnen dozen. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte niettemin als medepleger van hennepteelt en hennepdrogerij kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe als volgt. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Uit het dossier volgt naar het oordeel van de het hof enkel dat de verdachte aanwezig was in de ondergrondse bunker. Waar hij op dat moment in de bunker was en wat hij daar deed volgt niet uit het dossier en kan het hof enkel uit de verklaring van de verdachte afleiden. Uit zijn verklaring bij de politie blijkt dat hij in opdracht van de medeverdachte [medeverdachte] in de bunker het karton moest opruimen en ook ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij in de tussenruimte bij de lift bezig was het karton op te ruimen. Het hof is van oordeel dat niet vast kan worden gesteld dat de verdachte enige – intellectuele en/of materiële – bijdrage van voldoende gewicht aan de tenlastegelegde delicten heeft geleverd, zodat het hof hem zal vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen. Nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte bij de teelt van de hennepplanten en/of bij het drogen van de hennep zelf enige feitelijke uitvoeringshandeling heeft verricht, zal het hof de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep(planten). Voorts is het hof met de verdediging van oordeel dat op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de hennepplanten die in de kelderruimte van het bijgebouw werden geteeld en de hennep die op de zolder van het bijgebouw werd gedroogd. Immers, niet is gerelateerd of in het bijgebouw waarneembaar was dat zich in de kelder of op de zolder hennep(planten) bevond(en). Zo laat het dossier onvermeld of er sporen zijn aangetroffen die in die richting zouden (kunnen) wijzen en evenmin wordt ervan melding gemaakt dat in het bijgebouw bijvoorbeeld een hennepgeur werd geroken of elektrische apparaten werden gehoord, afkomstig (uit de richting) van de zolder en/of de kelder. Hoewel de verdachte meerdere nachten in het bijgebouw heeft verbleven, kan hem op basis van het voorhanden dossier geen strafrechtelijk verwijt treffen voor hetgeen in de kelder en/of op zolder plaatsvond/aanwezig was. Het hof zal de verdachte ook van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken. Anders zit dat met de hennepplanten in de ondergrondse bunker. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij de henneplucht heeft geroken toen hij in de bunker was. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij bang was dat er personen op het terrein waren gekomen die de planten in de bunker wilden stelen. Gelet op deze verklaringen had de verdachte derhalve wetenschap van de aanwezigheid van de hennepplanten in de bunker. Dat deze hennepplanten zich ook binnen de machtssfeer van de verdachte bevonden, leidt het hof af uit het feit dat de politieagenten niet relateren dat zij een deur hebben moeten openbreken voordat zij in de ondergrondse bunker bij de hennepplanten konden komen en dat deze derhalve – ook voor de verdachte – vrij toegankelijk waren. En daar komt nog bij dat het hof verdachtes verklaring dat hij de deur(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.