GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.291.387/01 arrest van 30 augustus 2022 in de zaak van 1 [appellant], wonende te [woonplaats], 2. [appellante], wonende te [woonplaats], appellanten, hierna: [appellanten], advocaat: mr. A. van den Eshoff te Sittard, tegen Stichting Krijtland Wonen, gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, hierna: SKW, advocaat: mr. P.L.T. Roks te Tilburg, op het bij dagvaardingsexploot van 5 maart 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 januari 2021 tussen [appellanten] als eisers en SKW als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak 8596584 CV EXPL 20-2867) Hiervoor verwijst het hof naar voornoemd vonnis. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het voornoemde dagvaardingsexploot van [appellanten]; - de rolaantekening dat tegen SKW verstek is verleend, dat later is gezuiverd; de memorie van grieven van [appellanten]; de memorie van antwoord van SKW. 2.2 Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de voornoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1 In dit geding gaat het kort gezegd om (on)verschuldigde betalingen aan huur en kosten. Feiten 3.2 Als gesteld en niet (voldoende) betwist vormen de volgende feiten voor het hof het uitgangspunt. a. [appellanten] huren van (de rechtsvoorganger van) SKW de woning Aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De maandelijks aan SKW daarvoor verschuldigde huurprijs bedroeg tot 1 juli 2019 € 617,35. Vanaf 1 juli 2019 is de huurprijs verhoogd naar € 626,35 en vanaf 1 juli 2020 naar € 642,75. [appellanten] ontvangen een bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet. Sociale Zaken Maastricht Heuvelland (hierna: SZMH) voert namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals de Participatiewet uit. Bij besluit van 26 november 2018 heeft SZMH aan [appellanten] bijzondere (leen)bijstand van € 2.016,05 verleend voor de aflossing van een huurachterstand. Bij e-mail van 20 november 2018 heeft SKW aan SZMH medegedeeld dat zij er mee akkoord is dat met ingang van 20 december 2018 voor de duur van minimaal vier maanden de volledige brutohuur zal worden ontvangen via SZMH. In de daarop volgende maanden is de maandelijkse huur rechtstreeks door SZMH aan SKW betaald op basis van een door [appellanten] verstrekte machtiging. Bij vonnis van 29 maart 2019 in zaak 7366125 CV EXPL 18-7382 heeft de kantonrechter kort gezegd: 1. [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan SKW van: a. € 600,-- aan incasso- en proceskosten, af te lossen in tien maandelijkse termijnen van € 60,--, b. de maandelijkse huurtermijnen vanaf april 2019; 2. de huurovereenkomst ontbonden en [appellanten] veroordeeld om de woning te ontruimen indien en zodra aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: - huurders zijn in gebreke met de voldoening van enige maandelijkse aflossingstermijn van € 60,--, - huurders zijn in gebreke met de voldoening van enige maandelijkse huurtermijn vanaf april 2019. Met ingang van juni 2019 heeft SZMH de betaling van de uitkering van [appellanten] stopgezet. Als gevolg daarvan heeft SZMH evenmin de huur over de maanden juni, juli en augustus 2019 voor [appellanten] aan SKW betaald. Op 9 augustus 2019 heeft SKW het op 29 maart 2019 in zaak 7366125 CV EXPL 18-7382 gewezen vonnis aan [appellanten] doen betekenen en daarbij bevel gedaan tot: - betaling van een bedrag van € 2.424,88 voor drie achterstallige maandhuren met bijkomende kosten, - ontruiming van de woning. i. Op 16 augustus 2019 hebben [appellanten] de huur over de maand augustus 2019 betaald. Bij beslissing van 20 augustus 2019 heeft SZMH bijzondere bijstand (in de vorm van een lening) verstrekt van €1.243,70. SZMH heeft dit bedrag rechtstreeks aan SKW betaald voor de huurachterstand van de maanden juni en juli 2019. Op 13 mei 2020 heeft SKW onder SZMH executoriaal derdenbeslag gelegd op de uitkering van [appellanten] voor een bedrag van € 371,50. Ingestelde vorderingen 3.3 In dit met de dagvaarding van 12 juni 2020 ingeleide geding heeft de kantonrechter bij het beroepen vonnis in hoofdlijn: A. afgewezen de vordering van [appellanten] om SKW (na vermeerdering van eis) te veroordelen tot betaling van: 1. € 775,92 als teveel betaald bedrag, met wettelijke rente vanaf 12 juni 2020, 2. € 1.000,-- voor vergoeding van immateriële schade, met wettelijke rente vanaf 9 augustus 2019, 3. € 1.666,76 voor dubbel betaalde maandhuren augustus 2019 (€ 627,15) en januari 2020 (€ 668,11) en voor beslagkosten (€ 371,50), 4. de proceskosten, [appellanten] veroordeeld tot betaling van de op € 420,-- begrote proceskosten van SKW, met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na vonniswijzing. 3.4 In beroep formuleren [appellanten] drie grieven en vorderen [appellanten] in de kern dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en SKW zal veroordelen tot betaling van I. € 775,92 als teveel betaald bedrag, met wettelijke rente vanaf 12 juni 2020, II. € 1.295,26 voor dubbel betaalde maandhuren augustus 2019 (€ 627,15) en januari 2020 (€ 668,11), met wettelijke rente vanaf 12 juni 2020, III. de proceskosten van de eerste aanleg en het beroep. 3.5 SKW weerspreekt de grieven en concludeert in hoofdlijn dat het hof het beroepen vonnis zal bekrachtigen en [appellanten] zal veroordelen in de proceskosten van het beroep, met nakosten. Grieven en voorliggende vorderingen 3.6 Het hof stelt voorop dat geen grief is gericht tegen de afwijzing van de hiervoor onder A.2 bedoelde € 1.000,-- als vergoeding van immateriële schade en tegen de in A.3 vervatte € 371,50 voor beslagkosten. Die vergoeding en beslagkosten worden ook niet gevorderd met de in beroep voorliggende vorderingen I, II en III. Daardoor liggen die in het beroepen vonnis gegeven afwijzingsbeslissingen en die vergoeding en beslagkosten, buiten dit beroep. Dit beroep beperkt zich tot de aan het hof voorliggende vorderingen I, II en III. vordering I 3.7 Met grief 1 keren [appellanten] zich tegen de afwijzing onder A.1 en leggen [appellanten] vordering I aan het hof voor. Daarmee vorderen [appellanten] op grond van onverschuldigd betaling een hoofdsom van € 775,92, bestaande uit € 540,-- aan teveel betaalde huurachterstand, € 150,51 aan ten onrechte in rekening gebrachte deurwaarderskosten en € 85,41 aan ten onrechte in rekening gebrachte betekeningskosten. 3.8 De kantonrechter heeft kort gezegd gemotiveerd overwogen en geconcludeerd dat uit het door [appellanten] ingeroepen overzicht van bedragen en betalingen op pagina 2 van het exploot van het executoriaal derdenbeslag, zonder de benodigde (maar ontbrekende) toelichting: “4.1 (…) valt niet in te zien waarom uit dit alles volgt dat [appellanten] € 775,92 te veel aan SKW betaald zouden hebben. De berekening die [appellanten] hebben gemaakt ter motivering van dit bedrag (€ 1.783,70 - € 1.24 3,70 + € 150,51 + € 85,41) maakt het niet duidelijker. (…)” 3.9 In het licht van die door de kantonrechter terecht onvoldoende geoordeelde feitelijke onderbouwing, hadden [appellanten] de onderbouwing van deze vordering in beroep nader behoren te verduidelijken, maar het hof oordeelt die nadere verduidelijking (nog steeds) onnavolgbaar. Zo nemen [appellanten] bijvoorbeeld het bedrag van € 371,50 voor beslagkosten als onderdeel van hun onderbouwing op, maar dat valt niet onder vordering I en ligt buiten dit beroep. Ook blijven [appellanten] in hun onderbouwing uitgaan van het niet (voldoende) begrijpelijke uitgangspunt dat in augustus 2019 alle aan SKW verschuldigde bedragen waren voldaan. Voor zover [appellanten] hiervoor (blijven) verwijzen naar bijvoorbeeld de (onder rov 3.2.j genoemde) SZMH- beslissing van 20 augustus 2019, ziet die beslissing hooguit op betalingen voor de (huurachterstand van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.